WorksheetsOntleedperfectquiz 2
Total questions: 14
Worksheet time: 42mins
Welke zin is op de juiste manier in zinsdelen verdeeld?
Hij | zou | ooit | clown | zijn geworden
Een leerling | wilde | een leuke | grap | uithalen
In de badkamer | wil | zij | haar | mobiel | liever niet | uitzetten
Vorige zomer | sprongen | de kinderen | uit de stad | in het zwembad van de buurman
Welke zinnen zijn goed verdeeld in zinsdelen?
Tegenwoordig / kan / geen mens / zonder zijn mobieltje.
Desondanks / hebben / veel mensen / een probleem met / die telefoons.
Ze / vinden / een telefoongesprek / in veel situaties / ongepast.
Je / mag / bijvoorbeeld niet met anderen / bellen / tijdens een trouwplechtigheid.
De postbode heeft ons de pakketten gebracht.
Wat is het werkwoordelijk gezegde?
(a)
De postbode heeft ons de pakketten gebracht.
Wat is het onderwerp?
(a)
De postbode heeft ons de pakketten gebracht.
Wat is het lijdend voorwerp?
(a)
De postbode heeft ons de pakketten gebracht.
Wat is het meewerkend voorwerp?
(a)
Ik heb hem dat al duizend keer uitgelegd.
Wat is het onderwerp?
(a)
Ik heb hem dat al duizend keer uitgelegd.
Wat is het werkwoordelijk gezegde?
(a)
Ik heb hem dat al duizend keer uitgelegd.
Wat is het lijdend voorwerp?
(a)
Ik heb hem dat al duizend keer uitgelegd.
Wat is het meewerkend voorwerp?
(a)
Ik heb hem dat al duizend keer uitgelegd.
Wat is de bijwoordelijke bepaling?
(a)
Wie heeft dat gedaan?
Wat is het werkwoordelijke gezegde?
(a)
Wie heeft dat gedaan?
Wat is het onderwerp?
(a)
Wie heeft dat gedaan?
Wat is het lijdend voorwerp?
(a)
