wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

bloed en bloedsomloop

Total questions: 74

Worksheet time: 2hrs 34mins

Name
Class
Date
1.
Waaruit bestaat bloed?
a)
Witte bloedcellen, Rode bloedcellen, Bloedplaatjes en Bloedplasma
b)
Rode bloedcellen, Bloedplaatjes, Witte Bloedcellen en Water
c)
Opgeloste stoffen, Rode Bloedcellen en Witte Bloedcellen
d)
Rode bloedcellen, Witte bloedcellen en Bloedplaatjes
2.
Witte bloedcellen hebben een celkern en kunnen van vorm veranderen
a)
Juist
b)
Onjuist
3.
Rode Bloedcellen hebben een celkern en vervoeren zuurstof
a)
Juist
b)
Onjuist
4.
Bloedplaatjes spelen een rol bij de bloedstolling
a)
Juist
b)
Onjuist
5.
Bij bloedarmoede heb je..
a)
een te kort aan witte bloedcellen
b)
een te kort aan bloedplaatjes
c)
een te kort aan rode bloedcellen
d)
een te kort aan bloedplasma
6.
Wat is etter of pus?
a)
Dode rode bloedcellen en kapotte bloedplaatjes
b)
Dode rode- en witte bloedcellen
c)
Dode witte bloedcellen en gedode bloedplaatjes
d)
Dode witte bloedcellen en gedode bacteriën
7.
Trombose is...
a)
een wondje dat niet stopt met bloeden
b)
een wondje dat is ontstoken
c)
een bloedpropje in een bloedvat
d)
een muziekinstrument
8.
In de afbeelding hiernaast tref je een aantal verschillende bloeddeeltjes aan. Wat wordt in de afbeelding aangegeven met nummer 3
a)
Witte bloedcellen
b)
Rode bloedcellen
c)
Bloedpaatjes
d)
Bloedplasma
9.
Met welke nummer wordt witte bloedcellen aangeven?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
10.
Op welke plaats of plaatsen kan zuurstof  voorkomen?
a)
A en B
b)
B en C
c)
A en C
11.
Welk  bloedbestanddeel van de mens is het meest geschikt om voedingsstoffen te transporteren (vervoeren)?
a)
Rode bloedcellen
b)
Bloedplaatjes 
c)
Witte bloedcellen
d)
Bloedplasma
12.
Bij welke  aandoening heb je een bloedstolsel binnen een bloedvat, zoals bijvoorbeeld in je been?
a)
Hartinfarct
b)
Trombose
c)
Bloedarmoede
d)
aderverkalking
13.
Op deze afbeelding zie je
a)
rode bloedcellen
b)
witte bloedcellen
c)
bloedplaatjes
d)
bacteriën
14.
Wat is de functie van deze bloedcel
a)
Ziekte verwekkers bestrijden
b)
Zuurstof vervoeren
c)
Bloed laten stollen 
d)
CO2 vervoeren
15.

Rode bloedcellen kunnen zuurstof en koolstofdioxide vervoeren

a)

juist

b)

onjuist

16.

Ijzer is een belangrijke stof in hemoglobine

a)

Ja, bij bloedarmoede heb je ijzertekort

b)

Nee, dat doet een andere stof

17.

Je bloed vervoert afvalstoffen

a)

Ja, van de cellen zodat ze door organen met een uitscheidende functie worden uitgescheiden

b)

Nee, cellen breken afvalstoffen meteen af

18.
De vloeistof die nu boven in de buis zit, is voor 
a)
vervoer opgeloste stoffen
b)
afweer tegen ziekteverwekkers
c)
zuurstoftransport
d)
stolling van het bloed
19.

Wat vind je niet in bloedplasma

a)

bacteriën

b)

water

c)

eiwitten

d)

glucose

e)

bloeddeeltjes

20.

Aders, zoals de beenader bevatten

a)

Meer zuurstof en afvalstoffen dan de beenslagader

b)

Minder zuurstof en meer afvalstoffen dan de beenslagader

c)

Meer zuurstof maar minder afvalstoffen dan de beenslagader

d)

Minder zuurstof en meer afvalstoffen dan de beenader

21.
Wat doet het hart ?
a)
Bloed zuurstof rijk maken
b)
Bloed pompen
c)
Bloed zuiveren
d)
Bloed opnemen
22.
Bloedvat B is een
a)
slagader
b)
ader
c)
haarvat
23.
Bloedvat B heeft
a)
geen kleppen in de wanden
b)
wel kleppen in de wanden
24.
Bloedvat C heeft
a)
geen kleppen in de wanden
b)
wel kleppen in de wanden
25.
Een haarvat is dikker dan een slagader. Is dit waar of niet waar?
a)
Waar
b)
Niet waar
c)
Soms wel
d)
Een haarvat is altijd dikker
26.
De bloedvaten met een rode kleur bevatten bloed met 
a)
veel zuurstof
b)
veel koolstofdioxide
c)
veel hormonen
d)
veel warmte
27.

In welk gedeelte van het hart is de wand het dikst?

a)

rechterboezem

b)

linkerboezem

c)

rechterkamer

d)

linkerkamer

28.

Waar heb je last van bij een lymfe oedeem?

a)

Bloed ophoping in je haarvaten

b)

Vocht ophoping in je weefsel

c)

Vocht ophoping in je haarvaten

d)

Bloed ophoping in je weefsel

29.
Wat is JUIST als het om slagaders gaat?
a)
Er stroomt altijd zuurstofrijk bloed door.
b)
Bloed stroomt altijd van het hart af.
c)
Bloed is altijd helderrood dat hier doorheen stroomt.
d)
Je hebt er maar 4 van in je lichaam.
30.

Welk type bloedvat kenmerkt zich door het hebben van kleppen?

a)

Kransslagaders

b)

Haarvaten

c)

Slagaders

d)

Aders

31.
Waaruit bestaat bloed?
a)
Witte bloedcellen, Rode bloedcellen, Bloedplaatjes en Bloedplasma
b)
Rode bloedcellen, Bloedplaatjes, Witte Bloedcellen en Water
c)
Opgeloste stoffen, Rode Bloedcellen en Witte Bloedcellen
d)
Rode bloedcellen, Witte bloedcellen en Bloedplaatjes
32.
Rode Bloedcellen hebben een celkern en vervoeren zuurstof
a)
Juist
b)
Onjuist
33.
Witte bloedcellen hebben een celkern en kunnen van vorm veranderen
a)
Juist
b)
Onjuist
34.
Bloedplaatjes spelen een rol bij de bloedstolling
a)
Juist
b)
Onjuist
35.
Wat is etter of pus?
a)
Dode rode bloedcellen en kapotte bloedplaatjes
b)
Dode rode- en witte bloedcellen
c)
Dode witte bloedcellen en gedode bloedplaatjes
d)
Dode witte bloedcellen en gedode bacteriën
36.
Met welke nummer wordt witte bloedcellen aangeven?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
37.

Rode bloedcellen kunnen zuurstof en koolstofdioxide vervoeren

a)

juist

b)

onjuist

38.
Bloedvat B is een
a)
slagader
b)
ader
c)
haarvat
39.
Bloedvat B heeft
a)
geen kleppen in de wanden
b)
wel kleppen in de wanden
40.

Waar worden rode bloedcellen aangemaakt?

a)

Rode beenmerg

b)

Platte beenmerg

c)

Lange beenmerg

41.

Wat is de functie van witte bloedcellen?

a)

Witte bloedcellen beschermen je lichaam tegen bacteriën en virussen

b)

Witte bloedcellen vervoeren glucose door je lichaam

c)

Witte bloedcellen spelen een rol in het genezen van wonden

42.

Waar worden lymfocyten gemaakt in het lichaam?

a)

Lymfocyten worden gemaakt in de lymfeknopen en de milt

b)

Lymfocyten worden gemaakt in de lymfeknopen en de lever

c)

Lymfocyten worden gemaakt in de lever en de milt

43.

Bij welk type bloedvaten kunnen witte bloedcellen door de wand heen?

a)

Slagaders

b)

Aders

c)

Haarvaten

44.

plasma bevat stollingseiwitten

a)

juist

b)

fout

45.
De cellen die buiten een bloedvat bacteriën kunnen bestrijden zijn
a)
rode bloedcellen
b)
witte bloedcellen
c)
bloedplaatjes
d)
bacteriën
46.
Op deze afbeelding zie je
a)
rode bloedcellen
b)
witte bloedcellen
c)
bloedplaatjes
d)
bacteriën
47.

Welk nummer is een rode bloedcel?

a)

nummer 1

b)

nummer 2

c)

nummer 3

48.

Welk nummer is een witte bloedcel?

a)

nummer 1

b)

nummer 2

c)

nummer 3

49.

Welk nummer is een bloedplaatje?

a)

nummer 1

b)

nummer 2

c)

nummer 3

50.

Welke naam heeft nummer 11?

a)

rechterboezem

b)

linkerboezem

c)

rechterkamer

d)

linkerkamer

51.

Welke naam heeft nummer 3 ?

a)

rechterboezem

b)

linkerboezem

c)

rechterkamer

d)

linkerkamer

52.

De kleine bloedsomloop heeft als doel..

a)

zuurstof afgeven en koolstofdioxide opnemen

b)

zuurstof opnemen en koolstofdioxide afgeven

53.

De grote bloedsomloop heeft als doel..

a)

zuurstof afgeven en koolstofdioxide opnemen

b)

zuurstof opnemen en koolstofdioxide afgeven

54.

De kleine bloedsomloop heeft als doel..

a)

zuurstof afgeven en koolstofdioxide opnemen

b)

zuurstof opnemen en koolstofdioxide afgeven

55.

Kijk goed naar de afbeelding. Als de kamers vollopen met bloed zijn de hartkleppen ...

a)

open

b)

gesloten

56.

Kijk goed naar de afbeelding. Als de kamers zich samentrekken zijn de hartkleppen ...

a)

open

b)

gesloten

57.

Kijk goed naar de afbeelding. De naam van nummer 4 is

a)

aorta

b)

longader

c)

longslagader

d)

holle ader

58.

Iemand heeft een ziekte waardoor zijn rode bloedcellen helemaal niet of niet goed hun werk meer kunnen doen. Waar kan deze persoon allemaal last van hebben?

a)

niet snel moe, veel energie om dingen te doen

b)

snel moe, maar wel genoeg energie om dingen te doen.

c)

snel moe en weinig energie om dingen te doen

d)

niet snel moe, maar ook niet genoeg energie om dingen te doen.

59.

Welke naam heeft nummer 11?

a)

rechterboezem

b)

linkerboezem

c)

rechterkamer

d)

linkerkamer

60.

Welke naam heeft nummer 11?

a)

rechterboezem

b)

linkerboezem

c)

rechterkamer

d)

linkerkamer

61.

Welke naam heeft nummer 3 ?

a)

rechterboezem

b)

linkerboezem

c)

rechterkamer

d)

linkerkamer

62.

De kleine bloedsomloop heeft als doel..

a)

zuurstof afgeven en koolstofdioxide opnemen

b)

zuurstof opnemen en koolstofdioxide afgeven

63.

De grote bloedsomloop heeft als doel..

a)

zuurstof afgeven en koolstofdioxide opnemen

b)

zuurstof opnemen en koolstofdioxide afgeven

64.

Kijk goed naar de afbeelding. Als de kamers vollopen met bloed zijn de hartkleppen ...

a)

open

b)

gesloten

65.

Kijk goed naar de afbeelding. Als de kamers zich samentrekken zijn de hartkleppen ...

a)

open

b)

gesloten

66.

Kijk goed naar de afbeelding. De naam van nummer 4 is

a)

aorta

b)

longader

c)

longslagader

d)

holle ader

67.

Wat is een belangrijk kenmerk van haarvaten?

a)

Haarvaten vervoeren het bloed naar het hart toe

b)

Haarvaten hebben dikke wanden

c)

Haarvaten hebben zeer dunne, halfdoorlatende wanden

d)

Haarvaten vervoeren het bloed van het hart af

68.

In welk gedeelte van het hart is de wand het dikst?

a)

rechterboezem

b)

linkerboezem

c)

rechterkamer

d)

linkerkamer

69.

In welk deel van de bloedsomloop zal de glucose concentratie onder normale omstandigheden het hoogst zijn?

a)

longslagader

b)

aorta

c)

poortader

d)

darmader

70.

Het bloed stroomt van een kuitspier via de longen weer terug naar dezelfde kuitspier. Het bloed gaat daarbij minstens tweemaal door het hart. De weg die het bloed hierbij door het hart aflegt is achtereenvolgens:

a)

linkerkamer - linkerboezem - rechterkamer - rechterboezem

b)

linkerboezem - linkerkamer - rechterboezem - rechterkamer

c)

rechterkamer - rechterboezem - linkerkamer - linkerboezem

d)

rechterboezem - rechterkamer - linkerboezem - linkerkamer

71.

De aorta komt uit de ...

a)

Linkerkamer

b)

Rechterkamer

c)

Linkerboezem

d)

Rechterboezem

72.

Kransslagaders ontspringen uit de ...

a)

Aorta

b)

Onderste holle ader

c)

Bovenste holle ader

73.

De longaders zijn ...

a)

Zuurstofarm

b)

zuurstofrijk

74.

Welke ader brengt bloed naar de lever?

a)

De bovenste holle ader

b)

De onderste holle ader

c)

De poortader