wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

JAAR 3 MAVO - alles door elkaar - eindquiz

Total questions: 76

Worksheet time: 43mins

Name
Class
Date
1.

Wat is het doel van reductiedeling?

a)

De vorming van geslachtscellen

b)

De vorming van lichaamscellen

c)

De vorming van levercellen

d)

De vorming van chromosomen

2.

Wat is een dominant gen?

a)

Een gen wat de baas speelt en ruzie zoekt

b)

Een gen dat altijd tot uiting komt in het uiterlijk

c)

Een gen dat nooit tot uiting komt in het uiterlijk

d)

Een gen dat 50% kans heeft om tot uiting te komen in het uiterlijk

3.

Waar vindt bevruchting plaats?

a)

In de eierstokken

b)

In de baarmoeder

c)

In de eileider

d)

In de vagina

4.

Als je 1 dominant gen hebt en 1 recessief gen. Welk gen komt dan tot uiting?

a)

Recessieve gen

b)

Dominante gen

c)

Dat kun je niet weten

d)

Ze hebben allebei evenveel kans

5.

Wat is een mutatie?

a)

Plotselinge verandering van het genotype

b)

Plotselinge verandering van het fenotype

c)

Plotselinge verandering van de menstruatiecyclus

d)

Plotselinge verandering van het zenuwstelsel

6.

Wat zijn primaire geslachtskenmerken?

a)

De kenmerken zijn helemaal niet zichtbaar

b)

Vanaf de pensioenleeftijd zichtbaar

c)

Vanaf de puberteit zichtbaar

d)

Vanaf de geboorte zichtbaar

7.

Wat is bevruchting?

a)

Als de kernen van een eicel en zaadcel samensmelten

b)

Als de kernen van zaadcel en zaadcel samensmelten

c)

Als de kernen van de eicel en eicel samensmelten

8.

Wat zijn verwante soorten?

a)

Soorten die geen gemeenschappelijke ouder hebben gehad

b)

Soorten die een gemeenschappelijke voorouder hebben gehad

c)

Soorten die op elkaar lijken maar geen gemeenschappelijke voorouder hebben gehad

9.

Wat zijn reducenten?

a)

Planten en bacteriën

b)

Schimmels en planten

c)

Schimmels en bacteriën

d)

Planten en zoogdieren

10.

Hoeveel chromosomen heeft een levercel van een mens?

a)

23

b)

44

c)

46

d)

48

11.

Wat zijn fossielen?

a)

Schatten die begraven liggen

b)

Versteende overblijfselen van organismen

c)

Zachte delen van een organisme

12.

Schimmels zijn....

a)

Meercellig

b)

Eencellig

c)

Beide

13.

In welke 3 domeinen kun je organismen indelen?

a)

Archea, bacteriën en eukaryoten

b)

Zoogdieren, stekelhuidigen en vissen

c)

Eukaryoten, prokaryoten en zoogdieren

d)

Zoogdieren, archea en dolfijnen

14.

Wat ontstaat er bij mitose?

a)

Geslachtscellen

b)

Lichaamscellen

15.

Hoeveel chromosomen heeft een geslachtscel van de mens? (getal als nummer invoeren)

(a)  

16.

Wat zijn hormonen?

a)

Dat zijn stoffen die allerlei processen in je lichaam regelen.

b)

Dat zijn stoffen die goed zijn in de puberteit

c)

Dat zijn stoffen die alleen voor mannen zijn

d)

Dat zijn stoffen die alleen voor vrouwen zijn

17.

Hoe wordt de moederkoek ook wel genoemd?

a)

Eileider

b)

Baarmoeder

c)

Baarmoederhals

d)

Placenta

18.

Hoe ligt het kindje bij een stuitligging?

a)

Dwars

b)

Met het kont je naar boven

c)

Met het kontje naar beneden

19.

Wat is een pikorde?

a)

De rang bij dieren in een groep

b)

De rangorde bij de kippen

c)

De rangorde bij een groep wolven

20.

Wat is de functie van de bijballen?

a)

Slaan tijdelijk de zaadcellen op

b)

Zorgen voor een koelere temperatuur

c)

Maken de zaadcellen aan

d)

Ze hebben eigenlijk helemaal geen functie

21.

In welke 5 klasses kun je de gewervelden indelen?

a)

Vissen

Vogels

Zoogdieren

Reptielen

Amfibieën

b)

Vissen

Vogels

Mensen

Reptielen

Amfibieën

c)

Vissen

Vogels

Zoogdieren

Reptielen

Kikkers

d)

Vissen

Vogels

Zoogdieren

Krokodillen

Amfibieën

22.

Welk van onderstaande voorbehoedsmiddelen beschermd tegen een SOA?

a)

spiraaltje

b)

de pil

c)

condoom

d)

coïtus interruptus

e)

al het genoemde

23.

Vanaf hoeveel maanden wordt een embryo een foetus genoemd?

a)

Vanaf het moment van de bevruchting

b)

vanaf 6 maanden

c)

vanaf 3 maanden

d)

vanaf de geboorte

24.

Waar ligt de hersenstam?

a)

In het verlengde van de hypofyse

b)

In het verlengde van het ruggenmerg

c)

In het verlengde van je heiligbeen

d)

In het verlengde van de staartbeentje

25.

Waar liggen de eilandjes van Langerhans?

a)

in de Atlantische Oceaan

b)

in de lever

c)

in de alvleesklier

d)

in de hersenen

26.

Rond welke dag vindt de eisprong plaats?

a)

14e dag

b)

7e dag

c)

21e dag

d)

28e dag

27.

Wat is een gevoelige plek bij een vrouw?

a)

Vagina

b)

Clitoris

c)

Schaamlippen

d)

Baarmoeder

28.

Wat is een andere naam voor gewone celdeling?

(a)  

29.

Komt er in het borstbeen geel beenmerg voor?

a)

Nee

b)

Ja

30.

Wat zijn je ledematen?

a)

maten op wie je kunt vertrouwen

b)

armen en benen

c)

je romp zonder je benen

d)

je romp zonder je armen

31.

Wat is gedrag?

a)

Alles wat je zegt

b)

Alles wat je overdag doet

c)

Alles wat een mens of dier doet

32.

Wat is een intermediair fenotype?

a)

Genotype waarin beide genen van een gelijk genenpaar even sterk tot uiting komen

b)

Fenotype waarin beide genen van een ongelijk genenpaar even sterk tot uiting komen

c)

Fenotype waarin beide genen van een gelijk genenpaar even sterk tot uiting komen

33.

Wat zijn zoolgangers?

a)

Organismen die op hun nagels lopen

b)

organismen die op hun tenen lopen

c)

Organismen die op de hele voet lopen

34.

Wat is een protocol?

a)

Een lijst van opeenvolgende waargenomen gebeurtenissen

b)

Een tabel waarin gedragselementen zijn genoteerd

c)

Een protocol volg je bij een branduitbraak

35.

Wat is ethologie?

a)

De studie van planten

b)

De studie van apen

c)

De studie van organismen

d)

De studie van gedrag

36.

Wat betekent objectief?

a)

Geen feiten vermelden, alleen de mening

b)

Geen mening vermelden, alleen de feiten

37.

Wat is opvallend aan de witte en grijze stof in de hersenen en het ruggenmerg?

a)

Witte stof zit bij het ruggenmerg aan de binnenkant, grijze stof zit aan de buitenkant. Bij de hersenen is dit andersom

b)

Witte stof zit bij de hersenen aan de binnenkant, grijze stof zit aan de buitenkant. Bij het ruggenmerg is dit andersom.

c)

Bij hersenen en ruggenmerg zit witte stof aan de binnenkant en grijze stof aan de buitenkant

d)

Bij hersenen en ruggenmerg zit witte stof aan de buitenkant en grijze stof aan de binnenkant

38.

Je telefoon gaat af en je pakt met je hand de telefoon op. Wat is hier de prikkel?

a)

Je telefoon

b)

Het geluid van de telefoon

c)

Je hand die de telefoon oppakt.

39.

Wat voor zenuwcel is dit?

a)

Gevoelszenuwcel

b)

Bewegingszenuwcel

c)

Schakelcel

40.

Wat voor zenuwcel is dit?

a)

Gevoelszenuwcel

b)

Bewegingszenuwcel

c)

Schakelcel

41.

Waar bevindt zich het ruggenmerg?

a)

In de schedel

b)

In de wervelkolom

c)

In je bekken

d)

In je opperarmbeen

42.

Waar liggen de cellichamen van de schakelcellen en de bewegingscellen?

a)

In de grijze stof

b)

In de witte stof

c)

In de ruggenmergzenuw

d)

In de zenuwknoop

43.

Een vogelverschrikker in de kersenboomgaard heeft maar een korte tijd effect.

Welk type leergedrag vertonen de vogels die zich niet meer af laten schrikken?

a)

gewenning

b)

imitatie

c)

inprenting

d)

klassieke conditionering

e)

operant conditionering

44.

Bijen reageren op de geur van suikerwater door hun opgerolde tong uit te steken. Onderzoekers in de Verenigde Staten hebben bijen blootgesteld aan de geur van bepaalde explosieven en ze tegelijk suikerwater gegeven. Na enkele uren hadden de bijen geleerd hun tong uit te steken als ze de explosieven roken, ook als ze geen suikerwater kregen. Zulke getrainde bijen hoopt men in de toekomst te kunnen gebruiken om bijvoorbeeld bommen op te sporen.


Hoe wordt de beschreven vorm van leren genoemd?

a)

Conditionering

b)

Inprenting

c)

Trial and error

45.

Wat is een voorbeeld van een inwendige prikkel?

a)

Warmte in het klaslokaal

b)

Honger

c)

Lichtstralen

d)

Koud water

46.

Een etholoog doet een gedragsonderzoek. Wat is de juiste volgorde?

a)

Ethogram - Protocol

b)

Observatie - Protocol - Ethogram - Diagram

c)

Observatie - Diagram - Ethogram - Protocol

d)

Observatie - Ethogram - Protocol - Diagram

47.

Hoe noem je de vorm van leren waarbij je een nieuwe strategie bedenkt om tot een oplossing van een probleem te komen?

a)

Inprenting

b)

Gewenning

c)

Inzicht

d)

Imiteren

48.

Het zuigreflex van jonge katjes (kittens) is een voorbeeld van:

a)

Imiteren

b)

Aangeboren gedrag

c)

Gewenning

d)

Oefenen

49.

Wat is een sleutelprikkel?

a)

Een prikkel die bij voldoende motivatie een reactie oproept.

b)

Een prikkel die reacties stopt.

c)

Een uitwendige prikkel die past op een inwendige prikkel.

d)

Een prikkel die telkens dezelfde reactie oproept.

50.

Een papegaai leert woorden van zijn baasje

a)

Inprenting

b)

Inzicht

c)

Imiteren

d)

Belonen en straffen

51.

Hoeveel chromosomen heeft een cel van de maagwand?

a)

2

b)

23

c)

46

d)

Dat kun je niet weten

52.

Wanneer komt het genotype van een baby tot stand?

a)

bij de vorming van de eicel

b)

bij de bevruchting

c)

bij de geboorte

53.

Een eeneiige tweeling ontstaat uit....

a)

Een eicel en een zaadcel

b)

Een eicel en twee zaadcellen

c)

Twee eicellen en een zaadcel

d)

Twee eicellen en twee zaadcellen

54.
Voorbeelden van rudimentaire organen bij de mens zijn:
a)
dunne dram en staartbeen
b)
dunne darm en blinde darm
c)
blinde darm en staartbeen
55.
Het leven op het land was er eerder dan het leven in het water.
a)
Waar
b)
Niet waar
56.

Wanneer zijn de eerste mensachtigen ongeveer ontstaan?

a)

1,5 miljoen jaar

b)

3,5 miljoen jaar

c)

7 miljoen jaar

d)

100,000 jaar geleden

57.
Wie verzon de evolutie theorie?
a)
Albert Einstein
b)
Leonardo da Vinci
c)
Apollo
d)
Charles Darwin
58.

Hoe oud is de Aarde volgens de wetenschap?

a)

14 miljard jaar

b)

4,6 miljard jaar

c)

8 miljard jaar

d)

12,3 miljard jaar

59.
Hoeveel verschillende soorten zintuigen kennen we?
a)
3 namelijk in je oog, oor en neus
b)
4 namelijk in je oog, oor, neus en huid
c)
5 namelijk in je oog, neus, oor, huid en mond
d)
6 namelijk in je oor, huid, oog, neus, mond en tong
60.
Iets waar je zintuigen op reageren heet een ...
a)
Impuls
b)
Seintje
c)
Prikkel
d)
Zenuw
61.
Bij welk zintuig hoort deze afbeelding?
a)
Gehoor-zintuig
b)
Gezichts-zintuig
c)
Reuk-zintuig
d)
Smaak-zintuig
62.
Wat is de functie van oorsmeer?
a)
Vochtig houden van het trommelvlies
b)
Soepel houden van het trommelvlies
c)
Zorgt ervoor dat het trommelvlies niet kan bewegen
d)
Geeft het trommelvlies een gele kleur
63.
Hier bevindt zich het gehoorzintuig.
a)
Trommelvlies
b)
Gehoorbeentjes
c)
Slakkenhuis
d)
Buis van Eustachius
64.
Met dit deel van het oog kan je scherp zien.
a)
Iris
b)
Pupil
c)
Harde oogvlies
d)
Lens
65.
In deze laag van het oog liggen de meeste bloedvaten.
a)
Harde oogvlies
b)
Vaatvlies
c)
Netvlies
66.
Met deze vlek kan je niets zien.
a)
Gele vlek
b)
Blinde vlek
c)
Lege vlek
d)
Zenuw vlek
67.

Waar wordt je je bewust van wat je ruikt?

a)

in je neusholte en slijmvlies

b)

in je zenuwen

c)

in je hersenen

68.

Waaruit bestaat gedrag?

a)

Uit doelen

b)

Uit impulsen

c)

Uit handelingen

d)

Uit normen en waarden

69.

Een leeuw duikt in elkaar en sluipt naar een gazelle. Wat is een de uitwendige prikkel voor de leeuw?

a)

Honger

b)

Het zien van de gazelle

c)

Het horen van de gazelle

d)

Het ruiken van de gazelle

e)

Zowel het zien, als het horen, als het ruiken van de gazelle

70.
Welk orgaan hoort bij de volgende beschrijving:
"...vervoeren zaadcellen"
a)
Teelbal
b)
Balzak
c)
Bijbal
d)
Zaadleider
71.
Waar vindt de innesteling van een bevruchte eicel plaats?
a)
Eileider
b)
Baarmoederslijmvlies
c)
Baarmoedermond
d)
Vagina
72.

is deze vrouw zwanger?

a)

ja

b)

nee

73.

op welke dagen wordt de baarmoederwand afgebroken?

a)

1-10

b)

1-4

c)

14-18

d)

20-24

74.

De eicel rijpt onder invloed van dit hormoon:

a)

oestrogeen

b)

progesteron

c)

tostesteron

75.

Hoeveel miljoen jaar geleden begon de ontwikkeling van de apen van de oude wereld als aparte groep volgens de gegevens in de stamboom?

a)

ongeveer 10 miljoen jaar geleden

b)

ongeveer 25 miljoen jaar geleden

c)

ongeveer 35 miljoen jaar geleden

d)

ongeveer 38 miljoen jaar geleden

76.

In een bepaalde populatie komen ongeveer evenveel slakken met lichtgekleurde huisjes voor als slakken met donkergekleurde huisjes. De kleur van de huisjes is erfelijk bepaald. Door een verandering in de omgeving wordt de ondergrond waarop ze leven donkerder. Vogels eten daardoor slakken met lichte huisjes eerder op dan die met donkere. Na een paar generaties blijken er in die populatie bijna geen slakken met lichte huisjes meer te zijn. Is er in deze populatie sprake van selectie?

a)

Nee

b)

Ja, van kunstmatige selectie

c)

Ja, van seksuele selectie

d)

Ja, van natuurlijke selectie