wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

oefenen bio

Total questions: 80

Worksheet time: 38mins

Name
Class
Date
1.

De beenderen bij baby's bestaan voornamelijk uit kraakbeen.

a)

Juist

b)

Onjuist

2.

Lijmstof verbrandt in een vlam.

a)

Juist

b)

Onjuist

3.

Welke stof zit vooral in kraakbeen?

a)

Kalkzout

b)

Lijmstof

c)

Zoutzuur

d)

Brandstof

4.

Been is buigzamer dan kraakbeen.

a)

Juist

b)

Onjuist

5.

In de loop van je leven:

a)

Komen er minder kalkzouten in je botten.

b)

Komt er minder lijmstof in je botten.

c)

Blijft de hoeveelheid kalkzouten en lijmstof gelijk.

d)

Komt er meer lijmstof in je botten.

6.
Welk type weefsel is dit?
a)
Beenweefsel
b)
Kraakbeenweefsel
c)
Tussencelstrof
d)
Zwakbeenweefsel
7.
Bevatten de botten van een baby (in verhouding) meer lijmstof of kalkstof?
a)
Lijmstof
b)
Kalkstof
8.

De botten van een bejaarde en van een kind worden vergeleken op breekbaarheid en buigzaamheid.

De botten van een kind zijn:

a)

Breekbaarder en buigzamer.

b)

Breekbaarder en minder buigzaam.

c)

Minder breekbaar en buigzamer.

d)

Minder breekbaar en minder buigzaam.

9.

Piet legt een kippenboutje een paar uur in verdund zoutzuur. Nadat hij het kippenboutje eruit gehaald heeft bestudeert hij het aandachtig.

Wat neemt Piet waar en waardoor is dit veroorzaakt?

a)

Het kippenboutje is buigzaam doordat de lijmstof is opgelost.

b)

Het kippenboutje is buigzaam doordat de kalkzouten opgelost zijn.

c)

Het kippenboutje is breekbaar doordat de kalkzouten opgelost zijn.

d)

Het kippenboutje is breekbaar doordat de lijmstof opgelost is.

10.

In de neus vind je kraakbeen.

a)

Juist

b)

Onjuist

11.

Welk type gewricht zie je op de afbeelding?

a)

Rolgewricht

b)

Scharniergewricht

c)

Kogelgewricht

d)

Zadelgewricht

12.

Welk type gewricht zie je op de afbeelding?

a)

Rolgewricht

b)

Scharniergewricht

c)

Kogelgewricht

d)

Zadelgewricht

13.

Waarmee zitten de twee botten van een gewricht aan elkaar vast?

a)

Kraakbeen

b)

Gewrichtskapsel

c)

Bot

14.

Een voorbeeld van een vergroeid bot is het ...

a)

Opperarmbeen

b)

Dijbeen

c)

Heiligbeen

15.

Bij vergroeide botten is er...

a)

Geen beweging mogelijk.

b)

Een beetje beweging mogelijk.

c)

Veel beweging mogelijk.

16.

Botten die verbonden zijn met kraakbeen kunnen ...

a)

Niet bewegen ten opzichte van elkaar.

b)

Een beetje bewegen ten opzichte van elkaar.

c)

Veel bewegen ten opzichte van elkaar.

17.

Welke verbinding zit er tussen je ribben en je borstbeen?

a)

Gewricht

b)

Kraakbeen

c)

Naad

d)

Vergroeid

18.

Waardoor kan een gewricht (onder andere) soepel bewegen?

a)

Gewrichtskom

b)

Gewrichtskapsel

c)

Gewrichtskraakbeen

d)

Gewrichtskogel

19.

Bij welk type gewricht is beweging in verschillende richtingen mogelijk?

a)

Kogelgewricht

b)

Scharniergewricht

c)

Rolgewricht

20.

Welk type verbinding zie je op de afbeelding?

a)

Rolgewricht

b)

Scharniergewricht

c)

Kogelgewricht

d)

Naadverbinding

21.

Welk type gewricht zie je op de afbeelding?

a)

Rolgewricht

b)

Scharniergewricht

c)

Kogelgewricht

22.

De tussenwervelschijf tussen twee wervels is een voorbeeld van een ...

a)

Naadverbinding

b)

Gewrichtsverbinding

c)

Kraakbeenverbinding

d)

Wervelverbinding

23.
Op welk plaatje zie je een naadverbinding?
a)
Plaatje 1
b)
Plaatje 2
c)
Plaatje 3
d)
Geen enkele
24.

Bij welk type gewricht kun je alleen een beweging heen en terug maken?

a)

Kogelgewricht

b)

Scharniergewricht

c)

Rolgewricht

25.

In de afbeelding zie je een tekening van een heupgewricht. Wat is de naam van onderdeel 1?

a)

Kapselband

b)

Gewrichtskapsel

c)

Gewrichtskogel

d)

Gewrichtskom

26.

In de afbeelding zie je een tekening van een heupgewricht. Wat is de naam van onderdeel 2?

a)

Kraakbeenlaagje

b)

Gewrichtskapsel

c)

Kapselband

d)

Gewrichtssmeer

27.

In de afbeelding zie je een tekening van een heupgewricht. Wat is de naam van onderdeel 3?

a)

Kapselband

b)

Gewrichtskapsel

c)

Gewrichtskogel

d)

Gewrichtskom

28.

In de afbeelding zie je een tekening van een heupgewricht. Wat is de naam van onderdeel 4?

a)

Kraakbeenlaagje

b)

Gewrichtskapsel

c)

Kapselband

d)

Gewrichtssmeer

29.

In de afbeelding zie je een tekening van een heupgewricht. Wat is de naam van onderdeel 5?

a)

Kapselband

b)

Gewrichtskapsel

c)

Kraakbeenlaagje

d)

Gewrichtssmeer

30.

In de afbeelding zie je een tekening van een heupgewricht. Wat is de naam van onderdeel 6?

a)

Kapselband

b)

Gewrichtskapsel

c)

Kraakbeenlaagje

d)

Gewrichtssmeer

31.

Welk bot wordt aangewezen door nummer 8?

a)

Heupbeen

b)

Spaakbeen

c)

Staartbeen

d)

Heiligbeen

32.

Welk bot wordt aangewezen door nummer 5?

a)

Halswervel

b)

Borstbeen

c)

Rib

d)

Opperarmbeen

33.

Welk bot wordt aangewezen door nummer 16?

a)

Spaakbeen

b)

Ellepijp

c)

Handwortelbeentjes

d)

Borstbeen

34.

Is een gewricht een beenverbinding?

a)

Ja

b)

Nee

35.

Wat wordt in de afbeelding aangegeven met nummer 2?

a)

Gewrichtssmeer

b)

Kapselband

c)

Gewrichtskapsel

d)

Kraakbeenlaagje

36.

Juist of onjuist?

De schedel bestaat uit meerdere botten.

a)

Juist

b)

Onjuist

37.

Wat veroorzaakt de kleur van geel beenmerg?

a)

Witte bloedcellen

b)

Rode bloedcellen

c)

Vetten

d)

Afvalstoffen

38.

Wat wordt in de afbeelding aangegeven met nummer 3?

(a)  

39.

(a)   zorgt ervoor dat de gewrichtskom en de gewrichtskogel soepel kunnen bewegen en gaat slijtage tegen.

40.

Welke typen beenverbindingen zijn bewegelijk?

a)

Kraakbeenverbinding

b)

Naadverbinding

c)

Vergroeiing

d)

Gewricht

41.

Botten in de schedel zijn verbonden met een?

a)

Kraakbeenverbinding

b)

Gewricht

c)

Naadverbinding

d)

Vergroeiing

42.

(a)   zorgt ervoor dat botweefsel een beetje buigzaam is.

43.

Welk type weefsel is dit?

a)

Kraakbeenweefsel

b)

Botweefsel

c)

Rood beenmerg

44.

Welk bot wordt in de afbeelding aangegeven met nummer 3?

(a)  

45.

Dit gewricht draait het ene bot in de lengteas om het ander bot.

(a)  

46.

Uit hoeveel vergroeide wervels bestaat nummer 4?

(a)  

47.

Voor welke functie van het skelet is er hulp nodig van het spierstelsel?

a)

Bescherming van organen

b)

Stevigheid

c)

Beweging

d)

Vorm geven

48.

Welk bot/botten hoort niet bij de schoudergordel?

a)

Borstbeen

b)

Schouderbladen

c)

Opperarmbeen

d)

Sleutelbeenderen

49.

Hoeveel halswervels heeft het menselijk skelet?

(a)  

50.

Wat veroorzaakt de kleur van rood beenmerg?

a)

Er lopen veel aders doorheen

b)

Er zitten veel kalkzouten in

c)

Er zit veel lijmstof in

d)

Hier worden rode bloedcellen gemaakt

51.

Wat wordt in de afbeelding aangegeven met nummer 9?

(a)  

52.

Hoe heten de ruimten tussen de botten van een schedel van een baby?

a)

Naden

b)

Kraakbeenverbindingen

c)

Fontanellen

d)

Mergholtes

53.

Welkt gewricht bevindt zich in de schouder?

a)

Scharniergewricht

b)

Rolgewricht

c)

Kogelgewricht

54.

Wat wordt in de afbeelding aangegeven met nummer 2?

(a)  

55.

Het gewricht is:

a)

Verbinding tussen twee botten

b)

Een verbinding tussen kraakbeen en been

c)

Een verbinding tussen twee schedelbeenderen.

56.
Welk type beenverbinding is hier afgebeeld?
a)
Gewricht
b)
Kraakbeenverbinding
c)
Vergroeiing
d)
Naadverbinding
57.

Een groep spiervezels noem je?

a)

Spiervezelbundel

b)

Spierbundel

c)

Pezen

d)

Vlies

58.

Als je een stukje biefstuk eet dan eet je vooral...?

a)

Bot

b)

Kraakbeen

c)

Spierweefsel

d)

Huid

59.

Wat zijn antagonisten?

a)

Spieren met dezelfde werking

b)

Willekeurige spieren

c)

Onwillekeurige spieren

d)

Spieren met een tegenovergestelde werking

60.

Een voorbeeld van antagonisten zijn de biceps en de triceps

a)

Waar

b)

Niet waar

61.

Waardoor kunnen gewrichten makkelijk langs elkaar bewegen?

a)

Beenverbinding

b)

Gewrichtsbanden

c)

Gewrichtssmeer

d)

Kraakbeen

62.
Wat gebeurt er met een spier als hij zich aanspant?
a)
Wordt kort en dun
b)
Wordt lang en dun
c)
Wordt kort en dik
d)
Wordt lang en dik
63.

Wat is geen functie van het skelet?

a)

Stevigheid

b)

Geeft vorm

c)

Zorgt voor hardheid

d)

Bescherming

64.
Oudere mensen breken hun botten sneller dan jonge mensen
a)
juist
b)
onjuist
65.
de hersenen worden beschermt door de
a)
ribben
b)
schedelbeenderen
c)
scheenbeen
d)
sleutelbeen
66.
Wat voor vorm moet je wervelkolom hebben bij een juiste houding?
a)
Rechte-I-vorm
b)
Dubbele-I-vorm
c)
Enkele-S-vorm
d)
Dubbele-S-vorm
67.

Wat is er in deze afbeelding aan de hand?

a)

Verstuiking

b)

Ontwrichting

c)

Botbreuk

d)

Spierscheuring

68.

Zweepslag is een ander woord voor spierkramp

a)

Juist

b)

Onjuist

69.

Een kraakbeenschijf puilt tussen de wervels uit. Bij welke blessure hoort dit?

a)

Voetbalknie

b)

Hernia

c)

Spierkneuzing

d)

Spierpijn

70.

Wat is een ontwrichting?

a)

Bij een ontwrichting zijn de gewrichtsbanden uitgerekt.

b)

Bij een ontwrichting is de gewrichtsknobbel uit de gewrichtskom geschoten.

c)

Bij een ontwrichting heb je spierpijn.

71.

Cooling-down bevordert de doorbloeding van de spieren om de afvalstoffen af te voeren.

a)

Juist

b)

Onjuist

72.

Op welke twee manieren kan een arts een botbreuk behandelen?

a)

Zetten

b)

Opereren

c)

Intapen

d)

Niets doen

73.

Bij een voetbalknie is de meniscus gescheurd.

a)

Juist

b)

Onjuist

74.

Dit is een voorbeeld van een

a)

Zoolganger

b)

Topganger

c)

Teenganger

75.

Dit is een voorbeeld van een

a)

teenganger

b)

topganger

c)

zoolganger

76.

Dit is een voorbeeld van een

a)

Topganger

b)

Zoolganger

c)

teenganger

77.

Op welke afbeelding zie je een zoolganger?

a)
b)
c)
78.

Op welke afbeelding zie je een topganger?

a)
b)
c)
79.

Deze hond is een ... ganger.

(a)  

80.

Wat wordt aangewezen met nummer 4?

a)

Spier

b)

Pees

c)

Kraakbeen

d)

Bot