wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H4 Bevolking en ruimte in Nederland

Total questions: 51

Worksheet time: 25mins

Name
Class
Date
1.

Waar of niet waar. Nederland is van een industriële economie naar een kenniseconomie gegaan.

a)

Waar.

b)

Niet waar.

2.

Wat zijn, qua bevolking, echte krimpregio's in Nederland?

a)

De Randstad

b)

Groningen en Drenthe

c)

Noord-Brabant en Limburg

d)

Flevoland en Gelderland

3.

Bekijk het plaatje. Wat is een science park?

a)

Een locatie waar universiteiten en bedrijven nauw samenwerken.

b)

Een locatie waar veel chemische proeven gedaan worden.

c)

Een locatie waar alleen maar universiteiten zitten

4.

Waar of niet waar. De Nederlandse bevolking groeit.

a)

Waar.

b)

Niet waar.

5.

Wat is een 'smart city'?

a)

Steden waar scholen en bedrijven zitten die alleen maar om technologie bekend staan

b)

Steden die veel gebruik maken van digitale technologie.

c)

Steden waar boeken de belangrijkste bron zijn van informatie.

6.

Wat valt er onder 'de publieke sector'?

a)

Bedrijven

b)

De overheid

c)

Winkels en horeca

7.

Bekijk de afbeelding. Wat zien we hier?

a)

Saneren

b)

Restaureren

c)

Renoveren

8.

'Ik voel mezelf niet veilig na 23:00 in dit park'. Gaat deze zin over objectieve of subjectieve veiligheid?

a)

Objectief

b)

Subjectief

c)

Geen van beide

9.

Welk onderdeel valt niet onder 'bewonerskenmerken'?

a)

Etniciteit

b)

Inkomen

c)

Woningtype

d)

Leeftijd

10.

Waar of niet waar. Een stadspark is een voorbeeld van een publieke ruimte.

a)

Waar.

b)

Niet waar.

11.

Wat is ruimtelijke segregatie?

a)

Als bevolkingsgroepen gescheiden leven in een stad

b)

Als bevolkingsgroepen gemengd wonen door de hele stad

12.

Welke vorm heeft deze bevolkingsdiagram?

a)

Urn

b)

Kogel

c)

Pyramide

13.

Welke vorm heeft deze bevolkingsdiagram?

a)

Urn

b)

Kogel

c)

Pyramide

14.

Welke vorm heeft deze bevolkingsdiagram?

a)

Urn

b)

Kogel

c)

Pyramide

15.

Wat betekent het begrip vergrijzing?

a)

De bevolking bestaat dan uit veel oudere mensen

b)

De bevolking bestaat dan uit veel jongere mensen

c)

Er waren veel oude mensen maar er komen nu erg veel jongere mensen.

16.

Welke van de twee antwoorden past bij het begrip immigratie

a)

Mensen die in Nederland komen wonen

b)

Mensen die uit Nederland weggaan

17.

Welke zin past bij het begrip emigratie?

a)

Mensen die naar het buitenland toe verhuizen

b)

Mensen die naar een ander gebied in Nederland verhuizen

18.

Natuurlijke bevolkingsgroei betekent dat.

a)

Er mensen worden geboren en er mensen dood gaan.

b)

Er mensen vertrekken, omdat ze het niet leuk meer vinden in een land en daardoor weggaan.

c)

Er mensen in een land komen, omdat zij hier meer geld kunnen verdienen

19.

Bij een pyramide bevolkingsdiagram vinden we veel ......... mensen

a)

Jonge

b)

Oude

20.

Sociale bevolkingsgroei is

a)

emigratie min immigratie

b)

immigratie min emigratie

c)

sterfte min geboorte

d)

geboorte min sterfte

21.

De periode na 1985 kenmerkt zich door

a)

Re-urbanisatie

b)

Urbanisatie

c)

Suburbanisatie

22.

Een voorziening heeft een minimum aantal klanten nodig om te kunnen bestaan

a)

Reikwijdte

b)

Drempelwaarde

c)

Verzorgingsgebied

23.

Welk begrip hoort hierbij: dalende geboortecijfers zorgen voor een lager aandeel jongeren

a)

vergrijzing

b)

levensverwachting

c)

ontgroening

24.

De babyboom begon in Nederland

a)

in 1965

b)

in 1980

c)

in 1945

d)

in 1940

25.

suburbanisatie komt later dan urbanisatie

a)

juist

b)

onjuist

26.

Het gebied waar klanten vandaan komen

a)

Reikwijdte

b)

Drempelwaarde

c)

Voorzieningen

d)

Verzorgingsgebied

27.

Ik wil mijn brood dichterbij huis kunnen kopen; voor een bureaustoel wil ik wel een grotere afstand afleggen

a)

Drempelwaarde

b)

Reikwijdte

c)

Verzorgingsgebied

d)

Bereikbaarheid

28.

De bevolking van Nederland gaat in de toekomst groeien door immigranten. Dit is:

a)

Sociale bevolkingsgroei

b)

Natuurlijke bevolkingsgroei

29.

Wat is de belangrijkste oorzaak van het dalen van het geboortecijfer in Nederland?

a)

De levensverwachting neemt toe

b)

Er treedt ontgroening op

c)

Mensen gebruiken voorbehoedsmiddelen

30.

Welke redenering is juist?

A = Migratiesaldo

B = Inkomende migranten

C = Uitgaande migranten

a)

Nederland heeft in 2033 een positieve sociale bevolkingsgroei

b)

Nederland heeft in 2033 een negatief migratiesaldo

c)

Het aantal remigranten zal groter zijn dan immigrantenaantal

31.

Als in een jaar meer mensen zich in een gebied vestigen dan er vertrekken:

a)

Vestigingsoverschot

b)

Vertrekoverschot

32.

Met ongeveer hoeveel mensen nam de bevolking tussen 1850 en 2010 toe?

a)

Met 13 miljoen inwoners

b)

Met 17 miljoen inwoners

c)

Met 10 miljoen inwoners

d)

Met 7 miljoen inwoners

33.

De bevolkingstoename tussen 1950 en nu was vooral het gevolg van ....

a)

De dalende sterftecijfers

b)

De natuurlijke bevolkingsgroei

c)

De afnemende emigratie

d)

De immigratie

34.

Oost-Europeanen, zoals Polen, die op Nederlandse tuinbouwbedrijven werken om de oogst binnen te halen.

a)

Dit zijn rijksgenoten

b)

Dit zijn seizoensmigranten

c)

Dit zijn gastarbeiders

d)

Dit zijn vluchtelingen

35.

De groep Turken en Marokkanen die vanaf 1965 kwamen om mee te werken aan de industriële opbouw van Nederland.

a)

Dit zijn seizoensmigranten

b)

Dit zijn rijksgenoten

c)

Dit zijn gastarbeiders

d)

Dit zijn vluchtelingen

36.

Waardoor wordt de vergrijzing in veel Europese landen zoals Nederland en Duitsland versterkt?

a)

De toenemende levensverwachting.

b)

De vestiging van gastarbeiders.

c)

De vestiging van economisch vluchtelingen.

d)

Het stijgende sterftecijfer.

37.

Waar staat de letter C voor in deze afbeelding?

a)

De totale bevolkingsgroei

b)

De sociale bevolkingsgroei

c)

De natuurlijke bevolkingsgroei

38.
Het geboortecijfer gaat over het aantal levend geboren per ....
a)
10 inwoners
b)
100 inwoners
c)
1000 inwoners
d)
10000 inwoners
39.
In de periode 1950 t/m 1980 daalt het geboortecijfer in Nederland sterk. Welke twee begrippen passen hier het beste bij?
a)
Geboorten overschot en sterfteoverschot
b)
Ontgroening en vergrijzing
c)
Babyboom en suburbanisatie
d)
Vertrekoverschot en geboortecijfer
40.

Bevolkingsspreiding is ...

a)

...de manier waarop de bevolking over een land verdeed is.

b)

… de manier waarop de bevolking over een stad verdeeld is.

c)

...het aantal inwoners gedeeld door de oppervlakte van een land.

d)

… het aantal inwoners keer de oppervlakte van een land

41.

Wat is geen reden voor grote gezinnen in arme landen?

a)

Veel kinderen overlijden op jonge leeftijd.

b)

Je krijgt aanzien als je veel kinderen hebt.

c)

Iedereen krijgt veel kinderen.

d)

Kinderen kunnen geld verdienen.

42.

Welk begrip hoort bij:

Het gemiddelde aantal jaren dat de inwoners van een land zullen leven.

a)

leeftijdsopbouw

b)

levensverwachting

c)

natuurlijke bevolkingsgroei

d)

vergrijzing

43.

Hoort deze bevolkingsgrafiek bij een arm of een rijk land?

a)

Deze bevolkingsgrafiek hoort bij een arm land.

b)

Deze bevolkingsgrafiek hoort bij een rijk land.

c)

Deze bevolkingsgrafiek hoort bij een land dat niet rijk en niet arm is.

44.

Een voorbeeld van een pushfactor is...

a)

Lekker weer

b)

Veiligheid

c)

Welvaart

d)

Droogte

45.

De totale bevolkingsgroei van een land per jaar reken je als volgt uit:

a)

(geboorte - sterfte) + (immigratie - emigratie)

b)

(geboorte + sterfte) + (immigratie + emigratie)

c)

(geboorte - sterfte) - (immigratie - emigratie)

d)

(geboorte + sterfte) - (immigratie + emigratie)

46.

Wat hoort niet bij cultuurelementen?

a)

Taal en godsdienst (verstand)

b)

Huidskleur en haarkleur (uiterlijk)

c)

Wetten, familiebanden en opvoeding (samenleven)

d)

Kleding, voedsel, gebouwen en kunst (zichtbaar)

47.

welke stad ligt niet in de Randstad?

a)

Amsterdam

b)

Haarlem

c)

Utrecht

d)

Amersfoort

48.

wat is het Groene Hart?

a)

De groene parken in de steden

b)

de polders en weilanden tussen de grote steden van de Randstad

c)

Het midden van de Randstad

d)

De plek waar Vinex wijken staan

49.

een agglomeratie is

a)

een ander woord voor een stad

b)

een ander woord voor een verstedelijkt gebied

c)

een stad met de randgemeenten eraan vast

d)

een ander woord voor Randstad

50.

Vinex wijken zijn

a)

nieuwbouwwijken rondom de grote steden

b)

nieuwbouwwijken in de dorpen

c)

oude wijken in het stadscentrum

d)

wijken uit de jaren '60

51.

De meeste Surinamers kwamen naar Nederland omdat...

a)

Suriname onafhankelijk werd.

b)

het economisch slecht ging met Suriname.

c)

Beide antwooorden zijn juist.

d)

Beide antwoorden zijn onjuist.