wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Ordening en erfelijkheid

Total questions: 59

Worksheet time: 30mins

Name
Class
Date
1.
In de afbeelding zie je een jonge Maleise tapir. Twee jaar later is hij volwassen geworden. Heeft  het jonge dier hetzelfde fenotype als het volwassen dier? 
a)
juist
b)
onjuist
2.
In de afbeelding zie je een jonge Maleise tapir. Twee jaar later is hij volwassen geworden.Heeft het jonge dier hetzelfde genotype als het volwassen dier? 
a)
juist
b)
onjuist
3.
Pim heeft een broertje Thijs en een zusje Anna.  Hebben Pim, Thijs en Anna hetzelfde DNA? 
a)
juist
b)
onjuist
4.
Kunnen door mutaties en geslachtelijke voortplanting organismen ontstaan met nieuwe genotypen?
a)
juist
b)
onjuist
5.
Heeft een lichaamscel van een mens 46 chromosomen?
a)
juist
b)
onjuist
6.
Is een albino een mutant? 
a)
juist
b)
onjuist
7.
Verandert bij celdeling de informatie voor erfelijke eigenschappen? 
a)
juist
b)
onjuist
8.
Is straling een mutagene invloed?
a)
juist
b)
onjuist
9.
Zijn door klimaatverandering diersoorten uitgestorven? 
a)
juist
b)
onjuist
10.
Zijn het ontstaan en uitsterven van diersoorten allebei onderdelen van evolutie? 
a)
juist
b)
onjuist
11.
John heeft veel getraind. Zijn spieren zijn hierdoor dik geworden. Is er bij John het fenotype veranderd?
a)
juist
b)
onjuist
12.
Wanneer komt het genotype van een baby tot stand? 
a)
bij de vorming van de eicel
b)
bij de bevruchting
c)
bij de geboorte
13.

In de afbeelding is een cel schematisch getekend.

Tot welk domein behoort het organisme waarvan deze cel afkomstig is?

a)

Eukaryoten

b)

Prokaryoten

c)

Planten

d)

Schimmels

14.

Eukaryoten hebben altijd een..

a)

Celkern

b)

Celwand

c)

Nooit een celkern

d)

Soms een celkern en soms niet

15.

Prokaryoten zijn altijd eencellig

a)

Juist

b)

Onjuist

16.

Paarden en ezels kunnen samen nakomelingen krijgen die we muilezels noemen, muilezels zijn onvruchtbaar


Behoren een ezel en een paard tot één soort?

a)

Nee, ze de nakomelingen zijn onvruchtbaar

b)

Ja, want ze komen uit hetzelfde geslacht

c)

Ja, want ze kunnen nakomelingen krijgen

17.

Organismen en hun DNA vertonen de meeste overeenkomst met elkaar wanneer ze tot dezelfde soort behoren

a)

Juist

b)

Onjuist

18.

Welke van onderstaande onderdelen komen in een schimmelcel NIET voor?

a)

Celwand

b)

Bladgroenkorrels

c)

Celkern

19.

Welke organismen behoren tot de prokaryoten?

a)

Bacteriën

b)

Dieren

c)

Schimmels

d)

Planten

e)

Archaea

20.

Een pekinees en een Deense dog zijn twee hondenrassen.


Mirjam zegt: Ze kunnen samen vruchtbare nakomelingen krijgen

Wim zegt: Ze behoren tot verschillende soorten


Wie heeft gelijk?

a)

Alleen Mirjam

b)

Alleen Wim

c)

Beiden hebben gelijk

d)

Beiden hebben géén gelijk

21.

Welk celkenmerk heeft het rijk van de bacteriën wel?

a)

Celkern

b)

Celwand

c)

Vacuole

d)

Bladgroenkorrels

22.

Kijk goed naar de afbeelding. Welk type cellen is dit?

a)

dieren

b)

planten

c)

schimmels

d)

bacteriën

23.

Je ziet hier cellen. Kunnen deze cellen fotosynthese doen?

a)

ja

b)

nee

24.

Kijk goed naar de afbeelding. Welke cel kan een bacterie zijn?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

e)

geen van deze

25.

Kijk goed naar de afbeelding. Welke cel is cel nummer 4?

a)

bacterie

b)

schimmel

c)

plant

d)

dier

26.

Juist of onjuist?

Schimmels hebben cellen mét een celkern.

a)

Juist

b)

Onjuist

27.

Zowel het ontstaan als het uitsterven van diersoorten zijn allebei onderdelen van evolutie.

a)

waar

b)

niet waar

28.

Een zezel is een kruising tussen een zebra en een ezel. Een zezel is niet vruchtbaar.


Zijn een ezel en een zebra dezelfde soort?

a)

Ja, want ze kunnen nakomelingen krijgen.

b)

Nee, want ze kunnen geen vruchtbare nakomelingen krijgen.

c)

Nee, want ze kunnen geen nakomelingen krijgen.

d)

Ja, want ze kunnen vruchtbare nakomelingen krijgen.

29.

Welke uitspraak of uitspraken is/zijn juist over de afbeelding?

a)

Deze honden behoren niet tot dezelfde soort.

b)

Deze honden behoren tot dezelfde soort.

c)

Deze honden behoren niet tot hetzelfde ras.

d)

Deze honden behoren tot hetzelfde ras.

30.

Wat stellen de groene bolletjes in het vertakkingsschema voor?

a)

Gemeenschappelijke voorouder

b)

Tussensoorten

c)

Tijdsindicatie

d)

Kruising van soorten waardoor er twee nieuwe ontstaan.

31.

Welke organimsen zijn meer aan elkaar verwant?

a)

Reptielen en amfibieën

b)

Reptielen en vogels

c)

Reptielen en vissen

d)

Reptielen en zoogdieren

32.

Een ijsgrizzly is een kruising tussen een grizzlybeer en een ijsbeer. Een ijsgrizzly is vruchtbaar.


Zijn een grizzlybeer en een ijsbeer dezelfde soort?

a)

Ja, want ze kunnen nakomelingen krijgen.

b)

Nee, want ze kunnen geen vruchtbare nakomelingen krijgen.

c)

Nee, want ze kunnen geen nakomelingen krijgen.

d)

Ja, want ze kunnen vruchtbare nakomelingen krijgen.

33.
Waar of niet waar? Een wants (zie het plaatje) is tweezijdig symmetrisch.
a)
Waar
b)
Niet waar
34.

Welk dier hoort bij de geleedpotigen?

a)
b)
c)
d)
35.

Stekelhuidigen zijn veelzijdig symmetrisch.

a)

Waar

b)

Niet waar

36.

In de afbeelding zie je een dier. Wat voor skelet heeft dit dier?

a)

Een inwendig skelet.

b)

Een uitwendig skelet.

c)

Geen skelet.

37.

Een kwal is veelzijdig symmetrisch

a)

Juist

b)

Onjuist

38.

Dieren hebben celwanden om de cellen

a)

Juist

b)

Onjuist

39.

Een kokkel (zie afbeelding) hoort tot de weekdieren

a)

Juist

b)

Onjuist

40.

Tot welke groep van het dierenrijk behoort dit dier?

a)

Neteldieren

b)

Stekelhuidigen

c)

Geleedpotigen

d)

Weekdieren

41.
Welk dier heeft geen inwendig skelet?
a)
Ezel
b)
Kip
c)
Salamander
d)
Schorpioen
42.

Welke 5 groepen van gewervelde dieren zijn er?

a)

sponzen, stekelhuidigen, wormen, amfibieën en vissen

b)

zoogdieren, vogels, reptielen, amfibieën en vissen

c)

zoogdieren, vogels, geleedpotigen, wormen en reptielen

d)

vogels, reptielen, vissen, geleedpotigen, en sponzen

43.

Deze dieren hebben geen skelet. Ze vangen prooien met tentakels en leven in de zee.

Tot welke groep behoren deze dieren?

a)

Weekdieren

b)

Stekelhuidigen

c)

Geleedpotigen

d)

Holtedieren

44.

Tot welke STAM van het dierenrijk behoort het dier in de afbeelding?

a)

Stekelhuidigen

b)

Zoogdieren

c)

Gewervelden

d)

Weekdieren

45.

Tot welk STAM behoort onderstaand organisme?

a)

Sponzen

b)

Neteldieren

c)

Gewervelden

d)

Weekdieren

e)

Geleedpotigen

46.

Een krokodil is veelzijdig symmetrisch

a)

Juist

b)

Onjuist

47.

Hieronder staan 4 antwoorden. Welk antwoord is een stam.

a)

Dieren

b)

Zoogdieren

c)

Geleedpotigen

d)

Planten

48.

Welk antwoord is een rijk

a)

Planten

b)

Sporenplanten

c)

Gewervelden

d)

Vissen

49.
Tot welke afdeling van het dierenrijk behoort de zeekat?
a)
Geleedpotigen
b)
Gewervelden
c)
Holtedieren
d)
Weekdieren
50.

Wat is de belangrijste bron van de Evolutietheorie?

a)

Fossielen

b)

Het dagboek van Darwin

c)

De oorsprong der soorten

d)

Het evolutieboekje

51.

Waar werd de evolutietheorie ontdekt?

a)

Galapagos

b)

Mallorca

c)

Terschelling

d)

Guatemala

52.

In een bepaalde populatie komen ongeveer evenveel slakken met lichtgekleurde huisjes voor als slakken met donkergekleurde huisjes. De kleur van de huisjes is erfelijk bepaald. Door een verandering in de omgeving wordt de ondergrond waarop ze leven donkerder. Vogels eten daardoor slakken met lichte huisjes eerder op dan die met donkere. Na een paar generaties blijken er in die populatie bijna geen slakken met lichte huisjes meer te zijn. Is er in deze populatie sprake van selectie?

a)

Nee

b)

Ja, van kunstmatige selectie

c)

Ja, van seksuele selectie

d)

Ja, van natuurlijke selectie

53.

Welke onderdelen hebben de grootste kans om een fossiel te worden?

a)

botten en tanden

b)

spieren en pezen

c)

rudimenten

d)

huid en haren

54.

Waarom zijn fossielen een belangrijk argument voor de evolutietheorie?

a)

Door fossielen kunnen we aantonen dat door de loop van de tijd soorten zijn ontstaan, verdwenen en veranderd.

b)

Door fossielen weten we de afstamming van alle soorten

c)

Uit fossielen kan DNA worden gehaald. Dit DNA geeft aan dat door de loop van de tijd soorten zijn ontstaan, verdwenen en veranderd.

d)

Fossielen geven te weinig informatie over de evolutie van soorten en het is een te zwak argument voor de evolutietheorie.

55.
Voorbeelden van rudimentaire organen bij de mens zijn:
a)
dunne dram en staartbeen
b)
dunne darm en blinde darm
c)
blinde darm en staartbeen
56.

Het lichaam van onze voorouders is veranderd door erfelijke variatie en natuurlijke selectie

a)

waar

b)

niet waar

57.
Wie verzon de evolutie theorie?
a)
Albert Einstein
b)
Leonardo da Vinci
c)
Apollo
d)
Charles Darwin
58.

Chimpansees en egels hebben hetzelfde fenotype.

a)

Juist

b)

Onjuist

59.

Zet in de juiste volgorde van klein naar groot:

a)

Cel - chromosoom - DNA - gen

b)

DNA - gen - chromosoom - cel

c)

Gen - DNA - chromosoom - cel

d)

Gen - chromosoom - DNA - cel