wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Moleculen week 6

Total questions: 52

Worksheet time: 28mins

Name
Class
Date
1.

Welke faseovergang zie je op de afbeelding?

a)

smelten

b)

verdampen

c)

condenseren

d)

sublimeren

2.

Bij een hogere temperatuur gaan deeltjes

a)

groter worden

b)

sneller bewegen

c)

trager bewegen

d)

kleiner worden

3.

De afstand tussen de deeltjes bij een gas is

a)

Groot

b)

Klein

c)

Heel klein

4.

Een ijsblokje in een glas limonade

a)

Smelt

b)

Verdampt

c)

Condenseert

d)

Stolt

5.
gassen kunnen......
a)
verdampen en smelten
b)
condenseren en smelten
c)
condenseren en rijpen
d)
stollen en rijpen
6.
vloeistoffen kunnen....
a)

verdampen en stollen

b)

verdampen en condenseren

c)

condenseren en sublimeren

d)

smelten en rijpen

7.
vaste stoffen kunnen .......
a)

smelten en sublimeren

b)

smelten en stollen

c)

stollen en sublimeren

d)

desublimeren en rijpen

8.
een vloeistof heeft een vaste vorm
a)
niet waar
b)
soms
c)
waar
d)
weet niet
9.
het wit wat ontstaat op bomen tijdens een koude winternacht
a)

rijpen / desublimeren

b)

bevriezen

c)

stollen

d)

smelten

10.
een gas kun je samen persen
a)
nee nooit
b)
soms
c)
ja altijd
d)
ligt er aan welk gas
11.
een blokje ijzer heeft een vaste vorm
a)
ja want het is een vaste stof
b)
nee want het is een vaste stof
c)
ja want het is een vloeistof
d)
nee want het is een vloeistof
12.
kaarsvet wordt vloeibaar tijdens het branden van een kaars
a)
stollen
b)
smelten
c)
verdampen
d)
bevriezen
13.
Hoeveel atomen heeft deze molecule? H2O
a)
1
b)
3
c)
4
14.
In dit plaatje zie je een molecuul
a)
Waar
b)
Niet waar
15.
Welk van de onderste 3 is het kleinst: 
a)
een cel
b)
een atoom
c)
een molecuul
16.
Dit plaatje laat een mengsel zien?
a)
Waar
b)
Niet Waar
17.
Is water een atoom of een molecuul?
a)
Atoom
b)
Molecuul
18.

Bij een vaste stof rollen de deeltjes hevig langs elkaar.

a)

juist

b)

fout

19.

Bij een vaste stof is er (bijna) geen lege ruimte tussen de deeltjes.

a)

juist

b)

fout

20.

Bij een vaste stof zijn de cohesiekrachten tussen de deeltjes zeer groot.

a)

juist

b)

fout

21.

Bij een vloeistof bewegen de deeltjes langs elkaar.

a)

juist

b)

fout

22.

Bij een vloeistof zijn er geen cohesiekrachten tussen de deeltjes.

a)

juist

b)

fout

23.

Bij een gas bewegen de deeltjes door elkaar.

a)

juist

b)

fout

24.

Bij een gas zijn de cohesiekrachten tussen de deeltjes klein.

a)

juist

b)

fout

25.

water bij kamertemperatuur is ...

a)

vast

b)

vloeibaar

c)

gasvormig

26.

water bij -15°C is ...

a)

vast

b)

vloeibaar

c)

gasvormig

27.

zuurstof bij 20°C is ...

a)

vast

b)

vloeibaar

c)

gasvormig

28.

alcohol bij 20°C is ...

a)

vast

b)

vloeibaar

c)

gasvormig

29.

Over welke aggregatietoestand gaat het? "De aantrekkingskracht tussen de moleculen is kleiner, dan de wil van de moleculen om te bewegen."

a)

vast

b)

vloeibaar

c)

gas

30.

Over welke aggregatietoestand gaat het? "De aantrekkingskracht tussen de moleculen is groter, dan de wil van de moleculen om te bewegen."

a)

vast

b)

vloeibaar

c)

gas

31.

Over welke aggregatietoestand gaat het? "De aantrekkingskracht tussen de moleculen is ongeveer net zo groot, dan de wil van de moleculen om te bewegen.

a)

vast

b)

vloeibaar

c)

gas

32.

van vast naar gas is ...

(a)  

33.

van gas naar vloeibaar is ...

(a)  

34.

van gas naar vast is ...

(a)  

35.

Bij een faseovergang verandert enkel de afstand tussen de moleculen.

a)

juist

b)

fout

36.

Bij een faseovergang worden er nieuwe moleculen gevormd.

a)

juist

b)

fout

37.

Wat is de faseovergang?

"een wc-blokje geeft geur af"

a)

stollen

b)

sublimeren

c)

verdampen

d)

smelten

38.

Wat is de faseovergang?

"We maken waterijsjes in de vriezer"

a)

stollen

b)

sublimeren

c)

verdampen

d)

smelten

39.

Wat is de faseovergang?

"Na een droge, koude winternacht is mijn autoruit bevroren"

a)

verdampen

b)

sublimeren

c)

desublimeren

d)

condenseren

40.
Bij welke faseovergang gaan de moleculen sneller bewegen?
a)
stollen
b)
rijpen
c)
verdampen
d)
condenseren
41.

Het deeltjesmodel bestaat uit:

a)

Moleculen

b)

Atomen

42.

De moleculen trillen op hun plaats. Bij welke fase hoort deze beschrijving?

a)

Gas

b)

Vast

c)

Vloeibaar

d)

Opgelost

43.

Wat is een goede beschrijving van een mengsel?

a)

Een mengsel bestaat alleen als vloeistof

b)

Een mengsel bestaat alleen in vaste vorm

c)

Een mengsel bestaat uit 1 soort moleculen en kan in alle fases voorkomen

d)

Een mengsel bestaat uit meerdere soorten moleculen en kan in alle fases voorkomen

44.

Hoeveel stofdeeltjes bevat dit mengsel?

a)

3

b)

1

c)

4

d)

2

45.

Wanneer een stof condenseert, wordt de stof...

a)

een gas

b)

een vaste stof

c)

een vloeistof

46.

Bij een faseovergang breken de moleculen op in kleinere stukken.

a)

juist

b)

onjuist

47.

Tussen de moleculen van een gas zit lucht

a)

juist

b)

onjuist

48.

Wanneer stoffen worden verwarmd, zal er altijd een faseovergang zijn.

a)

waar

b)

niet waar

c)

geen idee

49.

De massa van een stof verandert als de temperatuur verandert.

a)

waar

b)

niet waar

c)

geen idee

50.

Bij een faseovergang worden er nieuwe moleculen gemaakt

a)

waar

b)

niet waar

51.

Wat is geen mengsel?

a)

Wijn

b)

Kraanwater

c)

Suiker

d)

Cola

52.

Ijs neemt .... plaats in dan water

a)

meer

b)

minder

c)

evenveel

d)

kunnen we niet weten