wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

C1_D3L28 Het gezegde

Total questions: 25

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Januari bracht dit jaar veel regen.

a)

werkwoordelijk gezegde

b)

naamwoordelijk gezegde

2.

Het spatbord was snel gerepareerd.

a)

werkwoordelijk gezegde

b)

naamwoordelijk gezegde

3.

Hoelang is hij al populair?

a)

werkwoordelijk gezegde

b)

naamwoordelijk gezegde

4.

Uiteindelijk is ook hij volwassen geworden.

a)

werkwoordelijk gezegde

b)

naamwoordelijk gezegde

5.

We hebben een jaar voor dit reisje gespaard.

a)

werkwoordelijk gezegde

b)

naamwoordelijk gezegde

6.

Ajax leed een grote nederlaag.

a)

werkwoordelijk gezegde

b)

naamwoordelijk gezegde

7.

Hij las het verslag aan het begin van de vergadering voor.

a)

werkwoordelijk gezegde

b)

naamwoordelijk gezegde

8.

Het bouwen van die brug was niet gemakkelijk.

a)

werkwoordelijk gezegde

b)

naamwoordelijk gezegde

9.

Het blussen van de brand duurde uren.

a)

werkwoordelijk gezegde

b)

naamwoordelijk gezegde

10.

Wanneer knap jij die fiets eens op?

a)

werkwoordelijk gezegde

b)

naamwoordelijk gezegde

11.

Deze oplossing lijkt mij erg goed.

a)

werkwoordelijk gezegde

b)

naamwoordelijk gezegde

12.

Zij is vroeger een uitstekende schaatsster geweest.

a)

werkwoordelijk gezegde

b)

naamwoordelijk gezegde

13.

Waarom hebben jullie hem dat niet verteld?

a)

werkwoordelijk gezegde

b)

naamwoordelijk gezegde

14.

Volgens de minister blijft de hulp noodzakelijk.

a)

werkwoordelijk gezegde

b)

naamwoordeliik gezegde

15.

Wat is de persoonsvorm in de volgende zin?

Zij moest een heel stuk lopen om naar school te komen

a)

moest

b)

komen

c)

moest te komen

d)

moest komen

16.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in de volgende zin?

Ze wil elke avond graag even televisie kijken

a)

wil

b)

wil kijken

c)

kijken

17.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in de volgende zin?

De boer rijdt de tractor van het erf naar het weiland.

a)

rijdt naar

b)

rijdt van naar

c)

rijdt

d)

rijd

18.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in de volgende zin?

Merel is haar horloge op school kwijtgeraakt

a)

is

b)

kwijtgeraakt

c)

is kwijtgeraakt op

d)

is kwijtgeraakt

19.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in de volgende zin?

Haar vriendin heeft het rokje uit de winkel nooit mooi gevonden.

a)

heeft

b)

heeft gevonden

c)

gevonden

d)

heeft uitgevonden

20.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in de volgende zin?

Zij wil nooit haar moeder helpen met de afwas

(a)  

21.

Wat is het onderwerp in de zin?


Mijn nicht heeft een verrassingsreis geboekt.

a)

Mijn nicht

b)

heeft

c)

een verrassingsreis

d)

heeft geboekt

22.

Wat is het onderwerp in zin?


De kinderen van mijn nicht hebben skeelers gekocht.

a)

De kinderen

b)

De kinderen van mijn nicht

c)

hebben gekocht

d)

skeelers

23.

Wat is de persoonsvorm in de zin?


Mijn oom wil een auto voor zeven personen kopen.

a)

Mijn oom

b)

wil

c)

een auto

d)

wil kopen

24.

Het werkwoordelijk gezegde (WWG) zegt wat het onderwerp doet en het naamwoordelijk gezegde (NWG) zegt wat het onderwerp is/wordt/blijft.

a)

juist

b)

fout

25.

Wat is het werkwoordelijk gezegde van deze zin: Ze hebben de bezoekers bij de opening een leuke verrassing gegeven.

a)

hebben

b)

gegeven

c)

hebben gegeven

d)

hebben de bezoekers gegeven