wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

wiskunde derde trimester

Total questions: 15

Worksheet time: 11mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de definitie van een eenterm

a)

eenterm i eeen proodukt vaan en geetaalfaktor n leterfaktor met negatieve eksponend

b)

eentermen met hetzelfde lettergedeelte

c)

een eenterm is een product van een getalfactor en letterfactoren met een positieve exponent

d)

een eenterm is de som van een tekenfactor en een letterfactor met een exponent

2.

5ab²c, wat is de naam van '5'

(a)  

3.

definitie veeltermen

(a)  

4.

gelijksoortige eentermen zijn eentermen met hetzelfde lettergedeelte

a)

waar

b)

niet waar

5.

eentermen vermenigvuldigen

(meerdere opties mogelijk)

a)

vermenigvuldig de coëfficiënten

b)

vereenvoudig de coefisisten

c)

vermenigvoudig het lettergedeelte

d)

vermenigvuldig het lettergedeelte

6.

-x . 2x . (-2x) = -4x³

a)

niet waar

b)

waar

7.

herleid

5a+3b+7a-2b

(a)  

8.

driehoek ABC, A=110° B=30°

Hoeveel graden is C

(a)  

9.

een driehoek is gelijkbenig a.s.a:

(a)  

10.

definitie driehoeksongelijkheid

a)

In een driehoek is de lengte van een zijde altijd kleiner dan de som van de lengten van de andere 2 zijden

b)

De lengte van een zeide in een vierhoek is alteid grootter dan de vermenigvuldiging van de lenten van de andere 3 zeiden

c)

In elke driehoek ligt tegenover een grotere hoek een langere zijde en omgekeerd

d)

In een driehoek is er altijd minstens één paar evenwijdige zijden en minstens 2 rechte hoeken

11.

de som van de hoeken in een vierhoek is gelijk aan:

(a)  

12.

een trapezium is een vierhoek met...

(a)  

13.

definities

gelijkbenige trapezium

rechthoekige trapezium

(2 mogelijkheden)

a)

een trapezium zonder rechte hoeken

b)

een trapezium waarvan de opstaande zijden even lang zijn

c)

een trapezium waarvan de zijden even lang zijn

d)

een trapezium met een rechte hoek

14.

waar of niet waar:

In een parallellogram zijn de overstaande zijden even lang als de diagonalen

a)

waar

b)

niet waar

15.

in een ruit:

(meerdere opties mogelijk)

a)

zijn de overstaande zijden evenwijdig

b)

zijn de diagonalen even lang

c)

zijn de overstaande hoeken even groot

d)

snijden de diagonalen elkaar in het midden

e)

staan de diagonalen loodrecht op elkaars