Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Havo/vwo 3 hoofdstuk 1 d-toets

Total questions: 29

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

Geef aan wat niet tot schaarste behoort?

a)

Mobiele telefoon

b)

Regen

c)

IJzer

d)

Aardolie

2.

Kleding behoort tot de secundaire behoeften, waar of niet waar?

a)

Waar

b)

Niet waar

3.

Alternatief aanwendbaar in de economie betekent:

a)

Middelen zijn op meerdere manieren te gebruiken

b)

Middelen zijn vaker te gebruiken

c)

Middelen zijn maar op één manier te gebruiken

d)

Geen van deze antwoorden is juist

4.

Wanneer mensen producten of diensten kopen om in hun behoeften te voorzien dan noemen we dat

a)

Alternatief aanwendbaar

b)

Consumeren

c)

Produceren

d)

Duurzame ontwikkeling

5.

Wanneer ik mijn schoenen ruil tegen een schooltas dan noemen we dit:

a)

Een directe ruil

b)

Een indirecte ruil

6.

Geld heeft drie functies, welk antwoord hoort niet bij de drie functies

a)

Ruilmiddel

b)

Budgetmiddel

c)

Rekenmiddel

d)

Spaarmiddel

7.

Geld dat op de bank staat noemen we chartaal geld, waar of niet waar?

a)

Waar

b)

Niet waar

8.

De intrinsieke waarde van een €100 biljet is €100, waar of niet waar

a)

Waar

b)

Niet waar

9.

Als je inkomen gelijk blijft, maar de productprijzen stijgen dan wordt de koopkracht

a)

Kleiner

b)

Groter

10.

Inflatie betekent

a)

Dat je met dezelfde hoeveelheid geld minder kunt kopen

b)

Dat je met dezelfde hoeveelheid geld meer kunt kopen

c)

Dat de koopkracht gelijk blijft

d)

Geen van deze antwoorden is juist

11.

Hier zien we een begroting, is er een tekort of overschot op de begroting?

a)

Tekort

b)

Overschot

12.

Behoeften zijn oneindig, waar of niet waar?

a)

Waar

b)

Niet waar

13.

Kraanwater is een schaars goed, waar of niet waar?

a)

Waar

b)

Niet waar

14.

Zand in de Sahara is een schaars goed, waar of niet waar?

a)

Waar

b)

Niet waar

15.

Op de begroting staan de definitieve inkomsten en uitgaven, waar of niet waar?

a)

Waar

b)

Niet waar

16.

Secundaire behoeften kun je onderverdelen in normale en luxe behoeften.

a)

Juist

b)

Onjuist

17.

Bij gelijkblijvend inkomen zorgt inflatie voor een stijging

van de koopkracht. Juist of onjuist?

a)

Juist

b)

Onjuist

18.

Bekijk de foto hierboven. Welke bewering is juist?

a)

Op de foto is zowel giraal geld als chartaal geld te zien.

b)

Op de foto is alleen maar giraal geld te zien.

c)

Op de foto is geen giraal geld en geen chartaal geld te zien.

d)

Op de foto is alleen maar chartaal geld te zien.

19.

Op welke manier wordt geld gebruikt:

Peter koopt een nieuwe fiets en betaalt contant € 700,-

a)

Ruilmiddel

b)

Spaarmiddel

c)

Rekenmiddel

20.

Op welke manier wordt geld gebruikt:

Henk stort € 100,- op zijn jeugdspaarrekening bij de bank.

a)

Ruilmiddel

b)

Spaarmiddel

c)

Rekenmiddel

21.

Op welke manier wordt geld gebruikt:

Douwe zegt: “Hetzelfde horloge kost in Amerika $ 35,-

a)

Ruilmiddel

b)

Spaarmiddel

c)

Rekenmiddel

22.

Stel dat in een land de onderstaande ruilverhoudingen gelden:

 

Met Kan ik kopen

1 zak aardappels = 50 eieren

4 kilo vis = 100 eieren

5 kilo vlees = 10 kilo vis

Welke ruilverhouding is juist?

a)

1 kilo vis kost 20 eieren

b)

1 zak aardappelen kost 20 eieren

c)

1 zak aardappelen kost 3 kilo vis

d)

1 kilo vlees kost 1 zak aardappelen

23.

Wat voor soort uitgave is

shampoo

a)

Dagelijkse uitgaven

b)

Vaste lasten

c)

Incidentele uitgaven

24.

Wat voor soort uitgave is

kleding

a)

Dagelijkse uitgaven

b)

Vaste lasten

c)

Incidentele uitgaven

25.

Wat voor soort uitgave is

ziektekostenverzekering

a)

Dagelijkse uitgaven

b)

Vaste lasten

c)

Incidentele uitgaven

26.

Wat voor soort uitgave is

contributie

a)

Dagelijkse uitgaven

b)

Vaste lasten

c)

Incidentele uitgaven

27.

Wat voor soort uitgave is

televisie

a)

Dagelijkse uitgaven

b)

Vaste lasten

c)

Incidentele uitgaven

28.

Produceert het volgende bedrijf een goed of een dienst?

Supermarkt

a)

Goed

b)

Dienst

29.

Produceert het volgende bedrijf een goed of een dienst?

autofabrikant

a)

Goed

b)

Dienst