wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

8.1 Bloed

Total questions: 9

Worksheet time: 14mins

Name
Class
Date
1.

Een atleet uit Nederland traint enkele maanden in het hooggebergte. Hierna blijkt hij in Nederland tot een grotere prestatie te komen.


Welke verandering in het bloed zal mede tot deze grotere prestatie geleid hebben?

a)

een groter aantal witte bloedcellen

b)

een groter aantal rode bloedcellen

c)

een groter aantal bloedplaatjes

d)

een grotere hoeveelheid bloedplasma

2.

Bij iemand komt een afwijking van de bloedplaatjes voor, waardoor deze hun inhoud niet kunnen afgegeven.


Wat kan daarvan het gevolg zijn?

a)

het bloed stolt te snel

b)

het bloed kan niet stollen

c)

het bloed kan geen zuurstof vervoeren

d)

het bloed kan een virus niet meer aanvallen

3.

De bindingskracht tussen hemoglobine en koolmonoxide is groter dan die tussen hemoglobine en zuurstof.

Verschijnselen van koolmonoxidevergiftiging worden dan ook veroorzaakt doordat

a)

koolmonoxide aan de cellen wordt afgegeven

b)

veel rode bloedcellen geen zuurstof meer kunnen binden

c)

zuurstof nu gebonden blijft aan de hemoglobine

d)

er nu veel kooldioxide vrijkomt

4.

Deze cellen bevatten hemoglobine

a)

rode bloedcellen

b)

witte bloedcellen

c)

bloedplaatjes

d)

lichaamscellen

5.

Dit eiwit heeft een functie bij het stollen van bloed

a)

fibrinogeen

b)

hemoglobine

c)

trombose

d)

stollings-eiwit

6.

Witte bloedcellen

a)

vervoeren zuurstof

b)

vervoeren koolstofdioxide

c)

hebben geen vaste vorm

d)

spelen een rol bij de stolling van bloed

7.

Een bloedprop in een bloedvat noemen we een

a)

bloedprop

b)

trombone

c)

bloedstolsel

d)

trombose

8.

In de afbeelding hiernaast tref je een aantal verschillende bloeddeeltjes aan. Wat wordt in de afbeelding aangegeven met nummer 3

a)

Witte bloedcellen

b)

Rode bloedcellen

c)

Bloedplaatjes

d)

Bloedplasma

9.
De vloeistof die nu boven in de buis zit, is voor 
a)
vervoer opgeloste stoffen
b)
afweer tegen ziekteverwekkers
c)
zuurstoftransport
d)
stolling van het bloed