wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

SO Levenskenmerken en Tekenen 1KBL/MAVO

Total questions: 38

Worksheet time: 19mins

Name
Class
Date
1.

Wat betekent het woord biologie?

a)

levenskenmerken

b)

levend, dood en levenloos

c)

leer van het leven

d)

ademhalen, bewegen en voeden

2.

Wat is een organisme?

a)

een levend wezen

b)

iets dat levenloos is

c)

de natuur

d)

een vis en een vissenkom

3.

Voorbeelden van een levend organisme zijn:

a)

een paling en een grasmaaier

b)

gras en een tijger

c)

gemaaid gras en een geplukte appel

d)

een houten stoel en een drijvende vis

4.

Wanneer noemen we iets levend?

a)

als het alle levenskenmerken laat zien

b)

als het ooit geleefd heeft (maar nu niet meer)

c)

als het nooit geleefd heeft

d)

als het in een fabriek gemaakt is

5.

Wanneer noemen we iets dood?

a)

als het alle levenskenmerken laat zien

b)

als het ooit geleefd heeft (maar nu niet meer)

c)

als het nooit geleefd heeft

d)

als het in een fabriek gemaakt is

6.

Wanneer noemen we iets levenloos?

a)

als het alle levenskenmerken laat zien

b)

als het ooit geleefd heeft (maar nu niet meer)

c)

als het nooit geleefd heeft

d)

als het in een fabriek gemaakt is

7.

Bekijk de afbeelding goed.

Het organisme is ...

a)

levend

b)

dood

c)

levenloos

8.

Bekijk de afbeelding goed.

Het voorwerp dat is afgebeeld is...

a)

levend

b)

dood

c)

levenloos

9.

Bekijk de afbeelding goed.

Het voorwerp in de afbeelding is...

a)

levend

b)

dood

c)

levenloos

10.

Bekijk de afbeelding.

Het voorwerp in de afbeelding is...

a)

levend

b)

dood

c)

levenloos

11.

Bekijk de afbeelding.

Het voorwerp in de afbeelding is...

a)

levend

b)

dood

c)

levenloos

12.

Bekijk de afbeelding.

Het voorwerp in de afbeelding is...

a)

levend

b)

dood

c)

levenloos

13.

Welk levenskenmerk zie je in de afbeelding?

a)

ademhalen

b)

voeden

c)

uitscheiden

d)

voortplanten

14.

Welk levenskenmerk zie je in de afbeelding?

a)

ademhalen

b)

voeden

c)

uitscheiden

d)

voortplanten

15.

Welk levenskenmerk zie je in de afbeelding?

a)

ademhalen

b)

voeden

c)

uitscheiden

d)

voortplanten

16.

Welk levenskenmerk zie je in de afbeelding?

a)

ademhalen

b)

voeden

c)

uitscheiden

d)

voortplanten

17.

Welk levenskenmerk zie je in de afbeelding?

a)

waarnemen

b)

bewegen

c)

groeien

d)

ontwikkelen

18.

Welk levenskenmerk zie je in de afbeelding?

a)

waarnemen

b)

bewegen

c)

groeien

d)

ontwikkelen

19.

Welk levenskenmerk zie je in de afbeelding?

a)

waarnemen

b)

bewegen

c)

groeien

d)

ontwikkelen

20.

Welk levenskenmerk zie je in de afbeelding?

a)

waarnemen

b)

bewegen

c)

groeien

d)

ontwikkelen

21.

Welk levenskenmerk wordt omschreven?

Als je per ongeluk op een hete kookplaat gaat hangen met je handen, trek je meteen je handen terug.

a)

reageren

b)

bewegen

c)

groeien

d)

ontwikkelen

22.

Welk levenskenmerk wordt omschreven?

Dansen, hardlopen en zwemmen zijn voorbeelden van:

a)

reageren

b)

bewegen

c)

groeien

d)

ontwikkelen

23.

Welk levenskenmerk wordt omschreven?

Een baby weegt bij zijn geboorte 3 kilogram. Als hij 3 jaar oud is, weegt hij 6 kilogram.

a)

reageren

b)

bewegen

c)

groeien

d)

ontwikkelen

24.

Welk levenskenmerk wordt omschreven?

In de puberteit krijgen jongens en meisjes okselhaar.

a)

reageren

b)

bewegen

c)

groeien

d)

ontwikkelen

25.

Welk levenskenmerk wordt omschreven?

Een hond neemt zuurstof op met zijn longen.

a)

ademhalen

b)

voeden

c)

uitscheiden

d)

voortplanten

26.

Welk levenskenmerk wordt omschreven?

Tijdens de pauze eet een leerling een broodje met kaas.

a)

ademhalen

b)

voeden

c)

uitscheiden

d)

voortplanten

27.

Welk levenskenmerk wordt omschreven?

Tijdens de gymles moet de leraar erg zweten.

a)

ademhalen

b)

voeden

c)

uitscheiden

d)

voortplanten

28.

Welk levenskenmerk wordt omschreven?

Een moeder is zwanger van haar derde kind.

a)

ademhalen

b)

voeden

c)

uitscheiden

d)

voortplanten

29.

Welk levenskenmerk wordt omschreven?

De leraar ziet dat een leerling probeert te spieken tijdens de toets.

a)

ademhalen

b)

waarnemen

c)

uitscheiden

d)

voortplanten

30.

Bekijk de afbeelding.

Deze vlinder is een ...... tekening.

a)

natuurgetrouwe

b)

schematische

31.

Bekijk de afbeelding.

Deze paddenstoel is een ........ tekening.

a)

natuurgetrouwe

b)

schematische

32.

Bekijk de afbeelding.

Wat is er afgebeeld?

a)

een lengtedoorsnede

b)

een dwarsdoorsnede

c)

een buitenaanzicht

33.

Bekijk de afbeelding.

Wat is er afgebeeld?

a)

een lengtedoorsnede

b)

een dwarsdoorsnede

c)

een buitenaanzicht

34.

Bekijk de afbeelding.

Wat is er afgebeeld?

a)

een lengtedoorsnede

b)

een dwarsdoorsnede

c)

een buitenaanzicht

35.

Wat hoort niet bij de omschrijving van een natuurgetrouwe tekening?

a)

alle details worden getekend

b)

je kleurt de tekening altijd in

c)

alleen de belangrijkste details worden getekend

36.

Wat hoort niet bij de omschrijving van een schematische tekening?

a)

bijna alle details worden getekend

b)

je kleurt de tekening altijd in

c)

alleen de belangrijkste details worden getekend

37.

Welke van de onderstaande regels is geen tekenregel?

a)

je kleurt met stiften

b)

je kleurt met kleurpotloden

c)

je werkt netjes

d)

je tekent met een potlood

38.

Welke van de onderstaande regels is een goede tekenregel?

a)

je hoeft geen titel bovenaan je blad te schrijven

b)

de delen geef je aan met een verticale lijn

c)

je tekent klein

d)

je tekent wat je ziet