wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Korte test H1+H2

Total questions: 29

Worksheet time: 27mins

Name
Class
Date
1.

Zet de woorden op volgorde van naamval:

nominativus - dativus - accusativus

a)

femina

b)

feminae

c)

feminam

1)
2)
3)
2.

Zet de woorden op volgorde van naamval:

nominativus - dativus - accusativus

a)

feminae

b)

feminis

c)

feminas

1)
2)
3)
3.

Zet de woorden op volgorde van naamval:

nominativus - dativus - accusativus

a)

servus

b)

servo

c)

servum

1)
2)
3)
4.

Zet de woorden op volgorde van naamval:

nominativus - dativus - accusativus

a)

servi

b)

servis

c)

servos

1)
2)
3)
5.

Zet de woorden op volgorde van naamval:

nominativus - dativus - accusativus

Zet bij gelijke vormen A voor B.

Betekenis van de woorden: (wij / ons)

a)

nos (A)

b)

nobis

c)

nos (B)

1)
2)
3)
6.

Zet de woorden op volgorde van naamval:

nominativus - dativus - accusativus

Zet bij gelijke vormen A voor B.

Betekenis van de woorden: (jullie)

a)

vos (A)

b)

vobis

c)

vos (B)

1)
2)
3)
7.

Zet de woorden op volgorde van naamval:

nominativus - dativus - accusativus

Betekenis van de woorden: (jij / jou)

a)

tu

b)

tibi

c)

te

1)
2)
3)
8.

Zet de woorden op volgorde van naamval:

nominativus - dativus - accusativus

Betekenis van de woorden: (jij / jou)

a)

tu

b)

tibi

c)

te

1)
2)
3)
9.

Zet de woorden op volgorde van naamval:

nominativus - dativus - accusativus

a)

rex

b)

regi

c)

regem

1)
2)
3)
10.

Zet de woorden op volgorde van naamval:

nominativus - dativus - accusativus
Zet bij gelijke vormen A voor B

a)

reges (A)

b)

regibus

c)

reges (B)

1)
2)
3)
11.

Zet de woorden op volgorde van naamval:

nominativus - dativus - accusativus
Zet bij gelijke vormen A voor B

a)

flumen (A)

b)

flumini

c)

flumen (B)

1)
2)
3)
12.

Verbind de naamval met één van zijn functies in de zin.

a)

nominativus

1.

onderwerp

b)

dativus

2.

meewerkend voorwerp

c)

accusativus

3.

lijdend voorwerp

13.

Verbind de juiste woorden aan elkaar

a)

femina

1.

vrouw

b)

puer, pueri

2.

jongen

c)

rex, reges

3.

koning

d)

servus

4.

slaaf

e)

deus

5.

god

14.

Verbind de juiste woorden aan elkaar:

a)

esse

1.

zijn

b)

tollere

2.

optillen

c)

portare

3.

dragen

d)

bibere

4.

drinken

e)

custodire

5.

bewaken

15.

Verbind de juiste woorden aan elkaar:

a)

sic

1.

zo

b)

sicut

2.

zoals

c)

ibi

3.

daar

d)

ubi

4.

waar

e)

non

5.

niet

16.

Verbind de juiste woorden aan elkaar:

a)

est

1.

(hij/zij/het) is

b)

sunt

2.

(zij) zijn

c)

esse

3.

(te) zijn

d)

dat

4.

(hij/zij/het) geeft

e)

dant

5.

(zij) geven

17.

Verbind de juiste woorden aan elkaar:

a)

portat

1.

(hij/zij/het) draagt

b)

portant

2.

(zij) dragen

c)

portare

3.

(te) dragen

d)

tollit

4.

(hij/zij/het) tilt op

e)

tollunt

5.

(zij) tillen op

18.

Quid facit rex?

a)

lacrimat

b)

ridet

c)

iubet

d)

custodit

19.

Quid facit rex?

a)

lacrimat

b)

ridet

c)

clamat

d)

custodit

20.

Quid facit femina?

a)

lacrimat

b)

praebet

c)

clamat

d)

cogitat

21.

Quid faciunt milites?

a)

custodiunt

b)

lacrimant

c)

veniunt

d)

accedunt

22.

Quid facit pastor Faustulus?

a)

Pueros uxori tradet.

b)

Uxorem protegit.

c)

Pueros in flumen portat.

d)

Patrem accedit.

23.

Quid non vides in pictura?

a)

Deus Tiberius adest.

b)

Lupa ubera pueris praebit.

c)

Pastor Faustulus pueros videt.

d)

Rex servum pueros necare iubet.

24.

Verbind het juiste werkwoord met het plaatje

a)

1.

audire

b)

2.

vidēre

c)

3.

ridēre

d)

4.

lacrimare

e)

5.

recusare

25.

Puer [.....] donum dat.

a)

puella

b)

puellae

c)

puellam

26.

Puella [......] donum dat.

a)

puer

b)

puero

c)

puerum

d)

pueri

27.

Reges dona [........] dant.

a)

infans

b)

infanti

c)

infantem

28.

Pastor Faustulus [infant...] videt.

a)

infantos

b)

infantibus

c)

infantes

d)

infantas

29.

Vir [femin...] donum dat.

a)

femina

b)

feminae

c)

feminam