WorksheetsKorte test H1+H2
Total questions: 29
Worksheet time: 27mins
Zet de woorden op volgorde van naamval:
nominativus - dativus - accusativus
femina
feminae
feminam
Zet de woorden op volgorde van naamval:
nominativus - dativus - accusativus
feminae
feminis
feminas
Zet de woorden op volgorde van naamval:
nominativus - dativus - accusativus
servus
servo
servum
Zet de woorden op volgorde van naamval:
nominativus - dativus - accusativus
servi
servis
servos
Zet de woorden op volgorde van naamval:
nominativus - dativus - accusativus
Zet bij gelijke vormen A voor B.
Betekenis van de woorden: (wij / ons)
nos (A)
nobis
nos (B)
Zet de woorden op volgorde van naamval:
nominativus - dativus - accusativus
Zet bij gelijke vormen A voor B.
Betekenis van de woorden: (jullie)
vos (A)
vobis
vos (B)
Zet de woorden op volgorde van naamval:
nominativus - dativus - accusativus
Betekenis van de woorden: (jij / jou)
tu
tibi
te
Zet de woorden op volgorde van naamval:
nominativus - dativus - accusativus
Betekenis van de woorden: (jij / jou)
tu
tibi
te
Zet de woorden op volgorde van naamval:
nominativus - dativus - accusativus
rex
regi
regem
Zet de woorden op volgorde van naamval:
nominativus - dativus - accusativus
Zet bij gelijke vormen A voor B
reges (A)
regibus
reges (B)
Zet de woorden op volgorde van naamval:
nominativus - dativus - accusativus
Zet bij gelijke vormen A voor B
flumen (A)
flumini
flumen (B)
Verbind de naamval met één van zijn functies in de zin.
nominativus
onderwerp
dativus
meewerkend voorwerp
accusativus
lijdend voorwerp
Verbind de juiste woorden aan elkaar
femina
vrouw
puer, pueri
jongen
rex, reges
koning
servus
slaaf
deus
god
Verbind de juiste woorden aan elkaar:
esse
zijn
tollere
optillen
portare
dragen
bibere
drinken
custodire
bewaken
Verbind de juiste woorden aan elkaar:
sic
zo
sicut
zoals
ibi
daar
ubi
waar
non
niet
Verbind de juiste woorden aan elkaar:
est
(hij/zij/het) is
sunt
(zij) zijn
esse
(te) zijn
dat
(hij/zij/het) geeft
dant
(zij) geven
Verbind de juiste woorden aan elkaar:
portat
(hij/zij/het) draagt
portant
(zij) dragen
portare
(te) dragen
tollit
(hij/zij/het) tilt op
tollunt
(zij) tillen op
Quid facit rex?
lacrimat
ridet
iubet
custodit
Quid facit rex?
lacrimat
ridet
clamat
custodit
Quid facit femina?
lacrimat
praebet
clamat
cogitat
Quid faciunt milites?
custodiunt
lacrimant
veniunt
accedunt
Quid facit pastor Faustulus?
Pueros uxori tradet.
Uxorem protegit.
Pueros in flumen portat.
Patrem accedit.
Quid non vides in pictura?
Deus Tiberius adest.
Lupa ubera pueris praebit.
Pastor Faustulus pueros videt.
Rex servum pueros necare iubet.
Verbind het juiste werkwoord met het plaatje
audire
vidēre
ridēre
lacrimare
recusare
Puer [.....] donum dat.
puella
puellae
puellam
Puella [......] donum dat.
puer
puero
puerum
pueri
Reges dona [........] dant.
infans
infanti
infantem
Pastor Faustulus [infant...] videt.
infantos
infantibus
infantes
infantas
Vir [femin...] donum dat.
femina
feminae
feminam
