wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

LEZEN BASIS 4-VWO 4V1 en 4V3

Total questions: 50

Worksheet time: 28mins

Name
Class
Date
1.

De hoofdgedachte van een tekst is altijd een mededelende zin.

a)

juist

b)

onjuist

2.

De hoofdgedachte van een tekst is nooit een vraag.

a)

juist

b)

onjuist

3.

De hoofdgedachte van een overtuigende tekst kan een constatering zijn.

a)

juist

b)

onjuist

4.

In de hoofdgedachte van een overtuigende tekst staat het standpunt van de schrijver.

a)

juist

b)

onjuist

5.

Een informerende titel is vooral bedoeld om de lezer nieuwsgierig te maken naar de inhoud van de tekst.

a)

juist

b)

onjuist

6.

Welke twee functies heeft de inleiding van een tekst?

a)

De aandacht trekken

b)

De hoofdgedachte noemen

c)

Conclusie trekken

d)

Het onderwerp introduceren

7.

Vink alle zaken aan die je in het slot van een tekst kunt tegenkomen

a)

De hoofdgedachte

b)

Een aansporing / een aanbeveling

c)

Een belangrijke vraag

d)

introductie van het onderwerp

e)

een toekomstverwachting

8.

Vink alle zaken aan die je in het slot van een tekst kunt tegenkomen

a)

Een anekdote

b)

Een samenvatting

c)

De aandacht trekken, zodat de lezer de tekst wil lezen

d)

een uitsmijter

e)

een zin die teruggrijpt op de inleiding

9.

Vink alle zaken aan die je in de inleiding van een tekst kunt tegenkomen

a)

Een anekdote

b)

verwijzing naar een actuele gebeurtenis

c)

De aandacht trekken, zodat de lezer de tekst wil lezen

d)

een uitsmijter

e)

een zin die teruggrijpt op de inleiding

10.

Vink alle zaken aan die je in de inleiding van een tekst kunt tegenkomen

a)

Beschrijving van de voorgeschiedenis

b)

een aantrekkelijk voorbeeld

c)

een uitsmijter

d)

Een standpunt

e)

Het belang voor het leespubliek wordt aangegeven

11.

hoewel

a)

tegenstellend verband

b)

toegevend verband

c)

redengevend verband

d)

oorzakelijk verband

12.

niettemin

a)

tegenstellend verband

b)

toegevend verband

c)

redengevend verband

d)

oorzakelijk verband

13.

zodat

a)

doel-middel

b)

toegevend verband

c)

redengevend verband

d)

oorzakelijk verband

14.

immers

a)

doel-middel

b)

toegevend verband

c)

redengevend verband

d)

oorzakelijk verband

15.

Vink alle zaken aan die je moet controleren bij het beoordelen van de betrouwbaarheid van een website.

a)

Auteur en organisatie

b)

Doel

c)

Inhoud

d)

Actualiteit

e)

Bronnen

16.

Het onderwerp van een tekst geef je aan met een woord of een woordgroep. 

a)

juist

b)

onjuist

17.

Een motiverende titel is vooral bedoeld om duidelijk te maken waar de tekst over gaat.  

a)

juist

b)

onjuist

18.

Een motiverende titel is er om de aandacht van de lezer te trekken

a)

juist

b)

onjuist

19.

Actueel / Actualiteit

a)

Dingen die nu belangrijk zijn, nu spelen.

b)

Dingen die je niet meer serieus moet nemen, omdat ze verouderd zijn.

c)

Als er veel actie is

d)

Als je acteert

20.

mits

a)

redengevend verband

b)

oorzakelijk verband

c)

toegevend verband

d)

voorwaardelijk verband

21.

opdat

a)

doel-middel

b)

oorzakelijk verband

c)

toegevend verband

d)

voorwaardelijk verband

22.

tenzij

a)

doel-middel

b)

oorzakelijk verband

c)

toegevend verband

d)

voorwaardelijk verband

23.

ofschoon

a)

doel-middel

b)

oorzakelijk verband

c)

toegevend verband

d)

voorwaardelijk verband

24.

Hij is heel vervelend, maar toch heel lief

a)

tegenstellend

b)

toegevend

25.

Hoewel hij heel druk is, heeft hij wel zijn huiswerk af.

a)

tegenstellend

b)

toegevend

26.

Ik weet nog niet zeker of er van mij een vuurwerkverbod moet komen

a)

Positief standpunt

b)

Negatief standpunt

c)

Standpunt van twijfel

27.

Ik vind het een goed idee als er een vuurwerkverbod komt.

a)

Positief standpunt

b)

Negatief standpunt

c)

Standpunt van twijfel

28.

Het lijkt me niet verstandig om vuurwerk nog langer toe te staan.

a)

Positief standpunt

b)

Negatief standpunt

c)

Standpunt van twijfel

29.

Ik ben voor een herinvoering van lijfstraffen in het onderwijs.

a)

Positief standpunt

b)

Negatief standpunt

c)

Standpunt van twijfel

30.

Ik ben voor het invoeren van lijfstraffen in het onderwijs, want als docenten leerlingen slaan, dan luisteren ze tenminste eens een keer.

a)

standpunt -> argument

b)

argument -> standpunt

31.

Je wilt dat de lezer dezelfde mening gaat krijgen als jij.

a)

Activerend tekstdoel

b)

Overtuigend tekstdoel

c)

Informerend tekstdoel

d)

Opiniërend tekstdoel

32.

Je wilt dat de lezer dezelfde mening gaat krijgen als jij, maar daarbovenop wil je dat de lezer iets doet. (Iets koopt, geld overmaakt, naar je feestje komt, plastic voortaan netjes in de plasticbak gooit etc)

a)

Activerend tekstdoel

b)

Overtuigend tekstdoel

c)

Informerend tekstdoel

d)

Opiniërend tekstdoel

33.

Je wilt dat de lezer zijn eigen mening kan vormen na het lezen van jouw tekst

a)

Activerend tekstdoel

b)

Overtuigend tekstdoel

c)

Informerend tekstdoel

d)

Opiniërend tekstdoel

34.

Je wilt adviseren, of instrueren, of je wilt je lezer iets leren, misschien zelfs waarschuwen .

a)

Activerend tekstdoel

b)

Overtuigend tekstdoel

c)

Informerend tekstdoel

d)

Opiniërend tekstdoel

35.

Amsterdammers werken steeds minder.

a)

Onderwerp

b)

Hoofdgedachte

36.

Steeds meer Amsterdammers kiezen ervoor om parttime te gaan werken en zo meer aandacht aan het gezin te besteden.

a)

Onderwerp

b)

Hoofdgedachte

37.

Het onderwerp van de tekst wordt in het middenstuk uitgewerkt in deelonderwerpen: vragen uit de inleiding worden beantwoord, het standpunt wordt beargumenteerd, er worden oplossingen en/of verklaringen gegeven voor het probleem enz. Het middenstuk bevat een aantal deelonderwerpen. Zo’n deelonderwerp bestaat soms uit één alinea, maar meestal uit meerdere alinea’s.​

a)

juist

b)

onjuist

38.

Een deelonderwerp kan worden aangekondigd door een structurerende (eerste) zin of door een (informatief) tussenkopje. Vaak wordt een deelonderwerp geformuleerd als vraag. De antwoorden op die vraag zijn uitgewerkt in de alinea’s die samen het deelonderwerp vormen.

a)

juist

b)

onjuist

39.

Een argumentatiestructuur kan als tekstdoel hebben (kies meerdere indien van toepassing)

a)

informeren

b)

opiniëren

c)

overtuigen

d)

activeren

40.

Een aspectenstructuur kan als tekstdoel hebben (kies meerdere indien van toepassing)

a)

informeren

b)

opiniëren

c)

overtuigen

d)

activeren

41.

Een verklaringstructuur kan als tekstdoel hebben (kies meerdere indien van toepassing)

a)

informeren

b)

opiniëren

c)

overtuigen

d)

activeren

42.

Een voor- en nadelenstructuur kan als tekstdoel hebben (kies meerdere indien van toepassing)

a)

informeren

b)

opiniëren

c)

overtuigen

d)

activeren

43.

Een probleem- oplossingstructuur kan als tekstdoel hebben (kies meerdere indien van toepassing)

a)

informeren

b)

opiniëren

c)

overtuigen

d)

activeren

44.

Een verleden- heden (toekomst-)structuur kan als tekstdoel hebben (kies meerdere indien van toepassing)

a)

informeren

b)

opiniëren

c)

overtuigen

d)

activeren

45.

Een vraag- antwoordstructuur kan als tekstdoel hebben (kies meerdere indien van toepassing)

a)

informeren

b)

opiniëren

c)

overtuigen

d)

activeren

46.

in het middenstuk:

Wat zijn de kenmerken?​​

Voorbeelden worden genoemd​​
De oorzaak wordt verteld / reden​​

Er wordt een verklaring gegeven​

a)

vraag-antwoordstructuur

b)

voor-nadelenstructuur

c)

verklaringstructuur

d)

aspectenstructuur

47.

in het middenstuk:

Diverse kanten / onderdelen van het onderwerp worden genoemd​

a)

vraag-antwoordstructuur

b)

voor-nadelenstructuur

c)

verklaringstructuur

d)

aspectenstructuur

48.

Ik ben voor de invoering van lijfstraffen in het onderwijs, want als docenten leerlingen mogen slaan, dan gaan die leerlingen eindelijk eens luisteren.

a)

standpunt -> argument

b)

argument -> standpunt

49.

Als docenten leerlingen slaan, dan gaan leerlingen eindelijk eens goed opletten, dus ik ben voor de invoering van lijfstraffen in het onderwijs.

a)

standpunt -> argument

b)

argument -> standpunt

50.

Elektrische auto's zijn zoveel beter voor het milieu, daarom vind ik dat benzineauto's verboden moeten worden.

a)

standpunt -> argument

b)

argument -> standpunt