wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Woordsoorten

Total questions: 41

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.
 Wat is het gekleurde woordsoort? In de metro kwam ik een oude vriend tegen.
a)
znw
b)
bijv.nw
c)
lw
d)
aanw.vnw
2.
Wat is het gekleurde woordsoort? Uit het huis sloegen de vlammen omhoog.
a)
znw
b)
lw
c)
bnw
d)
aanw.vnw
3.
Heb je je hieraan gesneden? Wat is het gekleurde woordsoort?
a)
pers.vnw
b)
aanw.vnw
c)
bijv.nw
d)
znw
4.
Ik heb je fiets even geleend.HET GEKLEURDE WOORDSOORT = 
a)
aanw.vnw
b)
bijv.nw
c)
bez.vnw
d)
znw
5.
Ik heb je fiets even geleend. Wat is het gekleurde woordsoort?
a)
aanw.vnw
b)
bez.vnw
c)
pers.vnw
d)
znw
6.
Die fiets van jou is veel beter dan die van mij. Wat is het gekleurde woordsoort?
a)
bez.vnw
b)
pers.vnw
c)
bijv.nw
d)
aanw.vnw
7.
We hadden ons erg verheugd op hun bezoek. Wat is het gekleurde woordsoort?
a)
bez.vnw
b)
pers.vnw
c)
aanw.vnw
d)
vragend vnw
8.
Bij Gouda is bijna een trein ontspoord door natte bladeren. Wat is het gekleurde woordsoort?
a)
voorzetsel
b)
lidwoord
c)
bijv.nw
d)
bez.vnw
9.
Onze leraar verbetert ons werk altijd met een groene pen. Wat is het gekleurde woordsoort?
a)
pers.vnw
b)
bez.vnw
c)
lidwoord
d)
bijv.nw
10.

Onze leraar verbetert ons werk altijd met een groene pen.

Wat is het gekleurde woordsoort?

a)
pers.vnw
b)
znw
c)
bez.vnw
d)
voorzetsel
11.

Welke auto bedoel je?

Wat is het gekleurde woordsoort?

a)
pers.vnw
b)
vragend vnw
c)
bez.vnw
d)
znw
12.

Ze had de telefoon nog in haar hand.

Wat is het gekleurde woordsoort?

a)
znw
b)
lidwoord
c)
voorzetsel
d)
vragend vnw
13.
Ze had de telefoon nog in haar hand. Wat is het gekleurde woordsoort?
a)
znw
b)
lidwoord
c)
aanw.vnw
d)
voorzetsel
14.

Wie gooide dat lege blikje? Welk woordsoort is 'gooide'?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

15.

Wie gooide dat lege blikje? Welk woordsoort is 'blikje'?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

16.

Wie gooide dat lege blikje? Welk woordsoort is 'lege'?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

17.

Wat is een bijvoeglijk naamwoord?

a)

Dat zegt iets over een ander woord.

b)

Dat zegt iets over een werkwoord.

c)

Dat zegt iets over de staat van de zin.

d)

Dat zegt iets over een zelfstandig naamwoord.

18.

Waar is een bijvoeglijk naamwoord vetgedrukt?

a)

Die lieve hond poepte op straat.

b)

Die lieve hond poepte op straat.

c)

Die lieve hond poepte op straat.

d)

Die lieve hond poepte op straat.

19.

In welke zin is het zelfstandig naamwoord vetgedrukt?

a)

Die lieve hond poepte op straat.

b)

Die lieve hond poepte op straat.

c)

Die lieve hond poepte op straat.

d)

Die lieve hond poepte op straat.

20.

Waar is een voorzetsel vetgedrukt?

a)

Die lieve hond poepte op straat.

b)

Die lieve hond poepte op straat.

c)

Die lieve hond poepte op straat.

d)

Die lieve hond poepte op straat.

21.

Waar is het hulpwerkwoord vetgedrukt?

a)

Heeft het leuke jongetje haar gepest?

b)

Heeft het leuke jongetje haar gepest?

c)

nergens

d)

Heeft het leuke jongetje haar gepest?

22.

Waar is het bepaalde lidwoord vetgedrukt?

a)

Heeft het leuke jongetje haar gepest?

b)

Heeft het leuke jongetje haar gepest?

c)

Heeft het leuke jongetje haar gepest?

d)

nergens

23.

Waar is het bezittelijk voornaamwoord vetgedrukt?

a)

Heeft het leuke jongetje haar gepest?

b)

nergens

c)

Heeft het leuke jongetje haar gepest?

d)

Heeft het leuke jongetje haar gepest?

24.

Waar is een onbepaald rangtelwoord vetgedrukt?

a)

Een onbelangrijke fout wordt vaak als laatste ontdekt.

b)

Een onbelangrijke fout wordt vaak als laatste ontdekt.

c)

Een onbelangrijke fout wordt vaak als laatste ontdekt.

d)

nergens

25.

Waar is een onbepaald hoofdtelwoord vetgedrukt?

a)

nergens

b)

Een onbelangrijke fout wordt vaak als laatste ontdekt.

c)

Een onbelangrijke fout wordt vaak als laatste ontdekt.

d)

Een onbelangrijke fout wordt vaak als laatste ontdekt.

26.

In welke zin is een wederkerend voornaamwoord vetgedrukt?

a)

Die soldaat moet zich elke dag wassen met koud water.

b)

Die soldaat moet zich elke dag wassen met koud water.

c)

Die soldaat moet zich elke dag wassen met koud water.

d)

Die soldaat moet zich elke dag wassen met koud water.

27.

In welke zin is een koppelwerkwoord vetgedrukt?

a)

Hij heeft zich in lange tijd niet zo enorm geschaamd.

b)

Hij heeft zich in lange tijd niet zo geschaamd.

c)

Omdat ze zo blij was, danste ze van plezier.

d)

Omdat ze zo blij was, danste ze van plezier.

28.

Waar is een zelfstandig naamwoord eigennaam, vetgedrukt?

a)

In het café 'De halve maan', wordt wekelijks opgetreden.

b)

In het café 'De halve maan', wordt wekelijks opgetreden.

c)

In het café 'De halve maan', wordt wekelijks opgetreden.

d)

nergens

29.

Waar is een bijwoord vetgedrukt?

a)

Hey, ga je mee, want ik weet een heel grote speeltuin.

b)

Hey, ga je mee, want ik weet een heel grote speeltuin.

c)

nergens

d)

Hey, ga je mee, want ik weet een heel grote speeltuin.

30.

Piep,’ zei de muis, ‘pieppiep’, maar de mus antwoordde niet.

a)

Bijwoord

b)

Tussenwerpsel

c)

Bijvoeglijk naamwoord

d)

Voorzetsel

31.

Toen ik Helen tegenkwam, reed ze me zonder een groet voorbij.

a)

Bijwoord

b)

Tussenwerpsel

c)

Zelfstandig naamwoord

d)

Voorzetsel

32.

Wat is de persoonsvorm in de volgende zin?


Het Kindcentrum is gesloten vanwege het Coronavirus.

a)

gesloten

b)

is gesloten

c)

is

d)

het Coronavirus

33.

Waar hoort deze omschrijving bij:

Het belangrijkste werkwoord in de zin.

a)

hulpwerkwoord

b)

zelfstandig werkwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

34.

Waar hoort deze omschrijving bij:

woorden die een plaats, tijd of reden aangeven (om, van, door)

a)

zelfstandig naamwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

voorzetsel

d)

aanwijzend voornaamwoord

35.

Wat is het aanwijzend voornaamwoord in:

Wat ga jij deze zomervakantie doen?

a)

wat

b)

deze

c)

zomervakantie

d)

ga doen

36.

Waar of niet waar:

Eigennamen behoren tot de zelfstandige naamwoorden.

a)

Waar

b)

Onwaar

37.

Waar of niet waar:

De woorden de en het zijn onbepaalde lidwoorden.

a)

Waar

b)

Niet waar

38.

Waar of niet waar:

In de zin "Een van ons helpt mee" is een een lidwoord.

a)

Waar

b)

Niet waar

39.

Waar of niet waar:

Een bijvoeglijk naamwoord staat altijd vóór een zelfstandig naamwoord.

a)

Waar

b)

Niet waar

40.

Waar of niet waar:

Een bezittelijk voornaamwoord staat altijd vóór het zelfstandig naamwoord waar het bij hoort.

a)

Waar

b)

Niet waar

41.

Waar of niet waar:

In elke zin staat een hulpwerkwerkwoord.

a)

Waar

b)

Niet waar