wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

SO Microscoop en Van cel tot organisme

Total questions: 55

Worksheet time: 28mins

Name
Class
Date
1.

Bekijk de afbeelding van de microscoop goed.

Met welk nummer is de tubus aangegeven?

a)

met nummer 7

b)

met nummer 2

c)

met nummer 1

d)

met nummer 12

2.

Bekijk de afbeelding van de microscoop goed.

Met welk nummer is het oculair aangegeven?

a)

met nummer 7

b)

met nummer 2

c)

met nummer 1

d)

met nummer 12

3.

Bekijk de afbeelding van de microscoop goed.

Met welk nummer is het revolver aangegeven?

a)

met nummer 7

b)

met nummer 2

c)

met nummer 1

d)

met nummer 12

4.

Bekijk de afbeelding van de microscoop goed.

Met welk nummer is de voet aangegeven?

a)

met nummer 7

b)

met nummer 2

c)

met nummer 1

d)

met nummer 12

5.

Bekijk de afbeelding van de microscoop goed.

Wat is de naam van nummer 3?

a)

diafragma

b)

objectief

c)

(preparaat)klemmen

d)

lampje

6.

Bekijk de afbeelding van de microscoop goed.

Wat is de naam van nummer 4?

a)

diafragma

b)

objectief

c)

(preparaat)klemmen

d)

lampje

7.

Bekijk de afbeelding van de microscoop goed.

Wat is de naam van nummer 5?

a)

diafragma

b)

objectief

c)

(preparaat)klemmen

d)

lampje

8.

Bekijk de afbeelding van de microscoop goed.

Wat is de naam van nummer 6?

a)

diafragma

b)

objectief

c)

(preparaat)klemmen

d)

lampje

9.

Bekijk de afbeelding van de microscoop goed.

Wat is de naam van nummer 9?

a)

statief

b)

kleine schroef

c)

grote schroef

d)

(voorwerp)tafel

10.

Bekijk de afbeelding van de microscoop goed.

Wat is de naam van nummer 10?

a)

statief

b)

kleine schroef

c)

grote schroef

d)

(voorwerp)tafel

11.

Bekijk de afbeelding van de microscoop goed.

Wat is de naam van nummer 11?

a)

statief

b)

kleine schroef

c)

grote schroef

d)

(voorwerp)tafel

12.

Bekijk de afbeelding van de microscoop goed.

Met welk nummer wordt het statief aangegeven?

a)

met nummer 1

b)

met nummer 8

c)

met nummer 5

d)

met nummer 7

13.

Bekijk de afbeelding van de microscoop goed.

Met welk nummer wordt een draaibare schijf aangegeven?

a)

met nummer 1

b)

met nummer 2

c)

met nummer 5

d)

met nummer 3

14.

Bekijk de afbeelding van de microscoop goed.

Met welk nummer wordt het onderdeel aangegeven dat regelt hoeveel licht er door de tafel valt?

a)

met nummer 1

b)

met nummer 2

c)

met nummer 5

d)

met nummer 3

15.

Bekijk de afbeelding van de microscoop goed.

Met welk nummer wordt het onderdeel aangegeven dat zorgt voor een precieze (nauwkeurige) scherpstelling van het beeld?

a)

met nummer 5

b)

met nummer 2

c)

met nummer 10

d)

met nummer 11

16.

Bekijk de afbeelding van de microscoop goed.

Met welk nummer wordt het onderdeel aangegeven dat licht geeft ?

a)

met nummer 1

b)

met nummer 2

c)

met nummer 5

d)

met nummer 6

17.

Bekijk de afbeelding van de microscoop goed.

Met welk nummer wordt de onderdelen aangegeven waaraan je de microscoop vasthoudt ?

Let op: twee antwoorden aankruisen!

a)

met nummer 1

b)

met nummer 12

c)

met nummer 8

d)

met nummer 7

18.

Bekijk de afbeelding van de microscoop goed.

Wat is de functie van de grote schroef?

a)

deze zorgt voor een precieze (nauwkeurige) scherpstelling van het beeld

b)

deze zorgt ervoor dat het beeld bijna (ongeveer) scherp is

c)

deze bepaalt hoeveel licht er door de tafel gaat

d)

deze geeft licht

19.

Het oculair heeft een vergroting van 10x en het objectief heeft een vergroting van 4x.

Wat is de totale vergroting?

a)

14x

b)

6x

c)

40x

d)

140x

20.

Het oculair heeft een vergroting van 10x en het objectief heeft een vergroting van 10x.

Wat is de totale vergroting?

a)

20x

b)

40x

c)

100x

d)

1000x

21.

Het oculair heeft een vergroting van 10x en het objectief heeft een vergroting van 40x.

Wat is de totale vergroting?

a)

50x

b)

30x

c)

100x

d)

400x

22.

Bekijk de afbeelding goed.

Wat is er rechtsboven in de afbeelding afgebeeld?

a)

een pincet

b)

een flesje water

c)

een (prepareer)naald

d)

een dekglas

23.

Bekijk de afbeelding goed.

Wat is er rechtsonder in de afbeelding afgebeeld?

a)

een voorwerpglas

b)

een flesje water

c)

een (prepareer)naald

d)

een dekglas

24.

Als je iets met de microscoop gaat bekijken (bijvoorbeeld cellen), dan maak je eerst een preparaat (zie de afbeelding hiernaast).

Waar komen de cellen (die je gaat bekijken) te liggen in het preparaat?

a)

Op het voorwerpglas

b)

Op het dekglas

c)

Op de tafel van de microscoop

d)

Tussen het voorwerpglas en het dekglas

25.

Bekijk de afbeelding goed.

Wat is de naam van nummer 1?

a)

luchtpijp

b)

slokdarm

c)

longen

d)

middenrif

26.

Bekijk de afbeelding goed.

Wat is de naam van nummer 2?

a)

luchtpijp

b)

slokdarm

c)

longen

d)

middenrif

27.

Bekijk de afbeelding goed.

Wat is de naam van nummer 8?

a)

luchtpijp

b)

slokdarm

c)

longen

d)

middenrif

28.

Bekijk de afbeelding goed.

Wat is de naam van nummer 9?

a)

luchtpijp

b)

slokdarm

c)

longen

d)

middenrif

29.

Bekijk de afbeelding goed.

Met welk nummer is het hart aangegeven ?

a)

nummer 4

b)

nummer 3

c)

nummer 10

d)

nummer 11

30.

Bekijk de afbeelding goed.

Met welk nummer is de lever aangegeven ?

a)

nummer 4

b)

nummer 3

c)

nummer 10

d)

nummer 11

31.

Bekijk de afbeelding goed.

Met welk nummer is de nier aangegeven ?

a)

nummer 4

b)

nummer 3

c)

nummer 10

d)

nummer 11

32.

Bekijk de afbeelding goed.

Met welk nummer is de (urine)blaas aangegeven ?

a)

nummer 4

b)

nummer 3

c)

nummer 10

d)

nummer 11

33.

Bekijk de afbeelding goed.

Met welk nummer is de maag aangegeven ?

a)

nummer 4

b)

nummer 7

c)

nummer 5

d)

nummer 6

34.

Bekijk de afbeelding goed.

Met welk nummer is de dunne darm aangegeven ?

a)

nummer 4

b)

nummer 7

c)

nummer 5

d)

nummer 6

35.

Bekijk de afbeelding goed.

Met welk nummer is de dikke darm aangegeven ?

a)

nummer 4

b)

nummer 7

c)

nummer 5

d)

nummer 6

36.

Bekijk de afbeelding goed.

Wat is de functie (de taak) van dit orgaan?

a)

bloed rondpompen door het lichaam

b)

zuurstof opnemen

c)

voedsel verteren

d)

urine produceren

37.

Bekijk de afbeelding goed.

Wat is de functie (de taak) van dit orgaan?

a)

bloed rondpompen door het lichaam

b)

zuurstof opnemen

c)

voedsel verteren

d)

urine produceren

38.

Bekijk de afbeelding goed.

Wat is de functie (de taak) van dit orgaan?

a)

bloed rondpompen door het lichaam

b)

zuurstof opnemen

c)

voedsel verteren

d)

urine produceren

39.

Bekijk de afbeelding goed.

Wat is de functie (de taak) van dit orgaan?

a)

bloed rondpompen door het lichaam

b)

zuurstof opnemen

c)

voedsel verteren

d)

urine produceren

40.

Bekijk de afbeelding goed.

Wat is de functie (de taak) van deze twee organen?

a)

een sterk vlies; zit tussen de borstholte en buikholte

b)

helpt bij het verteren van voedsel

c)

voedsel verteren

d)

urine tijdelijk opslaan

41.

Bekijk de afbeelding goed.

Wat is de functie (de taak) van dit orgaan?

a)

een sterk vlies; zit tussen de borstholte en buikholte

b)

helpt bij het verteren van voedsel

c)

voedsel verteren

d)

urine tijdelijk opslaan

42.

Bekijk de afbeelding goed.

Wat is de functie (de taak) van dit orgaan?

a)

een sterk vlies; zit tussen de borstholte en buikholte

b)

helpt bij het verteren van voedsel

c)

voedsel verteren

d)

urine tijdelijk opslaan

43.

Bekijk de afbeelding goed.

Wat is de functie (de taak) van het middenrif?

a)

het is een sterk vlies; zit tussen de borstholte en buikholte

b)

helpt bij het verteren van voedsel

c)

voedsel verteren

d)

urine tijdelijk opslaan

44.

Wat is een organisme?

a)

een deel van het lichaam met een functie

b)

een groep cellen met dezelfde vorm en functie

c)

een levend wezen

d)

een groep organen die samenwerken

45.

Wat is een orgaan?

a)

een deel van het lichaam met een functie

b)

een groep cellen met dezelfde vorm en functie

c)

een levend wezen

d)

een groep organen die samenwerken

46.

Wat is een orgaanstelsel?

a)

een deel van het lichaam met een functie

b)

een groep cellen met dezelfde vorm en functie

c)

een levend wezen

d)

een groep organen die samenwerken

47.

Wat is een weefsel?

a)

een deel van het lichaam met een functie

b)

een groep cellen met dezelfde vorm en functie

c)

een bouwsteen van een organisme

d)

een groep organen die samenwerken

48.

Wat is een cel?

a)

een deel van het lichaam met een functie

b)

een groep cellen met dezelfde vorm en functie

c)

een bouwsteen van een organisme

d)

een groep organen die samenwerken

49.

Bekijk de afbeelding goed.

Wat is er in de afbeelding te zien?

a)

een organisme

b)

een orgaan

c)

een orgaanstelsel

d)

een weefsel

50.

Bekijk de afbeelding goed.

Wat is er in de afbeelding te zien?

a)

een cel

b)

een orgaan

c)

een orgaanstelsel

d)

een weefsel

51.

Bekijk de afbeelding goed.

Wat is er in de afbeelding te zien?

a)

een cel

b)

een orgaan

c)

een orgaanstelsel

d)

een weefsel

52.

Bekijk de afbeelding goed.

Wat is er in de afbeelding te zien?

a)

een cel

b)

een orgaan

c)

een orgaanstelsel

d)

een weefsel

53.

Bekijk de afbeelding goed.

Wat is er in de afbeelding te zien?

a)

een cel

b)

een orgaan

c)

een orgaanstelsel

d)

een weefsel

54.

Wat is de juiste volgorde van groot naar klein?

a)

cel - weefsel - orgaan - orgaanstelsel - organisme

b)

orgaan - organisme - weefsel - orgaanstelsel - cel

c)

organisme - orgaanstelsel - orgaan - weefsel - cel

d)

organisme - orgaan - orgaanstelsel - weefsel - cel

55.

Wat is de juiste volgorde van klein naar groot?

a)

cel - weefsel - orgaan - orgaanstelsel - organisme

b)

orgaan - organisme - weefsel - orgaanstelsel - cel

c)

organisme - orgaanstelsel - orgaan - weefsel - cel

d)

organisme - orgaan - orgaanstelsel - weefsel - cel