wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

NTVG Nascholing Polyfarmacie bij ouderen

Total questions: 10

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

In het algemeen daalt de therapietrouw snel naarmate de patiënt meer geneesmiddelen gebruikt.

Wat heeft een eveneens grote negatieve invloed op de therapietrouw?

a)

Korte behandelduur

b)

Angstklachten

c)

Alleenstaand zijn

d)

Twee innamemomenten per dag

2.

Welke van de volgende patiënten zou je proactief uitnodigen voor een medicatiebeoordeling obv richtlijn "Polyfarmacie bij ouderen"

a)

70 jarige met langdurig 10 geneesmiddelen

b)

76 jarige die zelfstandig woont

c)

75 jarige die langdurig 8 geneesmiddelen gebruikt

d)

80 jarige met mobiliteitsproblemen

3.

Door wie wordt de farmacotherapie van een patiënt integraal beoordeeld bij een MBO?

a)

HA, SO en patiënt

b)

HA, patiënt en apotheker

c)

HA, ziekenhuisspecialist en apotheker

d)

Ziekenhuisspecialist, patiënt en apotheker

4.

Bij kwetsbare patiënten nemen de risico's op negatieve uitkomsten toe bij polyfarmacie.

Welke factoren zijn het meest bepalend voor dit verhoogde risico?

a)

Verhoogde ziektelast

b)

Afname van de effectiviteit van de medicatie

c)

Interacties en bijwerkingen

d)

Therapieontrouw

5.

Welk type antihypertensivum moet bij oudere patiënten gestopt worden om de reden dat er veiligere en doeltreffendere alternatieven beschikbaar zijn?

a)

ACE-remmer

b)

Thiazidediureticum

c)

Betablokker

d)

Lisdiureticum

6.

Welke medicatie-interventie is het meest zinvol?

a)

Verhoog de dosering levodopa

b)

Begin de behandeling met haloperidon

c)

Stop de behandeling met oxybutynine

d)

Begin de behandeling met een benzodiazepine

7.

Wat kan de KNO arts het beste doen?

a)

KNO arts doet niets aangezien de patiënt een weloverwogen besluit heeft genomen

b)

KNO arts bespreekt met de patiënt of hij het gebruik van de bloedverdunner wil hervatten en probeert hem te motiveren om therapietrouw te blijven

c)

KNO arts verwijst patiënt naar de cardioloog om het gebruik van de bloedverdunner te bespreken

d)

KNO arts verwijst patiënt naar de huisarts om het gebruik van de bloedverdunner te bespreken

8.

Welk van de medicamenten is een mogelijke trigger geweest voor haar klacht?

a)

Acetylsalicylzuur/clopidogrel

b)

Hydrochloorthiazide

c)

Amlodipine

d)

Metformine

9.

Welk van zijn huidige medicijnen moet vanwege zijn huidige klachten op dit moment vervangen of gestopt worden?

a)

Metoprolol

b)

Simvastatine

c)

Tamsulosine

d)

Enalapril

10.

Welk geneesmiddel stopt u?

a)

Oxycodon

b)

Simvastatine

c)

Prednisolon

d)

Diclofenac