wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Oefentoets Marketing jaar 1 week 5 - 8 deel 2

Total questions: 24

Worksheet time: 18mins

Name
Class
Date
1.

De rol van social media is voor marketingcommunicatie nog beperkt.

a)

Waar

b)

Niet waar

2.

Wat is een consequentie van het gebruik van de sluitpostmethode voor het bepalen van het communicatiebudget?

a)

Reclamebureaus willen niet werken met een bedrijf dat de sluitpostmethode hanteert

b)

Het is moelijk een langetermijn-marketingstrategie op te stellen

c)

Er zullen nauwelijks fluctuaties in het budget optreden

d)

Anticyclisch budgetteren wordt gestimuleerd

3.

Wat is coderen?

a)

het verwerken en interpreteren van een boodschap door een bepaalde betekenis toe te kennen aan symbolen en illustraties

b)

het afstellen van alle marketingmixvariabelen zodat ze bijdragen aan de gezamenlijke boodschap

c)

het omzetten van ideeën in symbolische vormen

d)

het systeem dat marktonderzoekers hanteren om gegevens sneller te kunnen verwerken

4.

Van massacommunicatie is sprake wanneer men geen specifieke doelgroep heeft geformuleerd.

a)

Waar

b)

Nier waar

5.

Bij het hiërarchie-van-effectenmodel komt de voorkeursfase na de waarderingsfase.

a)

Waar

b)

Niet waar

6.

Welke doelstelling betreft een marketingdoelstelling?

a)

de doelgroep overhalen een probeeraankoop te doen

b)

vergroting van de totale afzet of omzet van een product of merk

c)

vergroting van het mediabereik

d)

verhoging van de naamsbekendheid

7.

Welk product kan het meest worden beschouwd als een low involvement-product?

a)

jas

b)

auto

c)

verwarmingsketel

d)

wc-papier

8.

Een producent legt in zijn promotiebeleid de nadruk op het inschakelen van distribuanten bij de verkoop van zijn product. Waarvan is hier sprake?

a)

direct marketing

b)

pull strategie

c)

merchandising

d)

push strategie

9.

In welke fase van de productlevenscyclus ligt de nadruk op het vergroten van merktrouw?

a)

volwassenheidsfase

b)

neergangsfase

c)

groeifase

d)

introductiefase

10.

In welke fase van de productlevenscyclus is het een belangrijke optie voor de reclamestrategie om te wijzen op nieuwe toepassingsmogelijkheden?

a)

introductiefase

b)

groeifase

c)

volwassenheidsfase

d)

neergangsfase

11.

De verdeling van het reclamebudget over de in te schakelen media wordt meestal bepaald nadat de creatieve beslissingen zijn genomen.

a)

Waar

b)

Niet waar

12.

Via Nike.com woerden de nieuwste modellen sneakers aangeprijsd. Het is op deze website ook mogelijk om schoenen te kopen. Wat voor soort medium is Nike.com voor Nike?

a)

owned media

b)

bought media

c)

paid media

d)

earned media

13.

Vroeger werd er reclame gemaakt voor het drinken van melk. Hierbij werd gebruik gemaakt vcan de slogan 'Melk. De witte motor.' Waarvan is dit een voorbeeld?

a)

combinatiereclame

b)

coöperatieve reclame

c)

institutionele reclame

d)

collectieve reclame

14.

Bij welk reclametype kan de consument het meest persoonlijk worden aangesproken?

a)

point-of-purchase reclame

b)

etherreclame

c)

directe reclame

d)

direct mail

15.

Het communicatieplan is een onderdeel van het reclameplan.

a)

Waar

b)

Niet waar

16.

Welke stadia omvat het DAGMAR-model?

a)

bewustwording, interesse, waardering, proefaankoop, adoptie

b)

attentie, interesse, verlangen, actie

c)

onbekendheid, bekendheid, begrip overtuiging, actie

d)

gezien worden, gelezen worden, geloofd worden, herinnerd worden, tot actie aansporen

17.

Welke van de volgende doelstellingen past het minst bij sposoring?

a)

verkopen genereren

b)

merkimago verbeteren

c)

naamsbekendheid vergroten

d)

goodwill kweken

18.

Wat is het voordeel van just-in-time-levering?

a)

er hoeft geen voorraad te worden gehouden door de opdrachtgever

b)

de afnemer gaat zelf zijn eigen voorraad aanhouden

c)

de producten zijn altijd op tijd klaar om aan de consument te worden verkocht

d)

er wordt precies genoeg geproduceerd om de verkoop te dekken

19.

Welk kenmerk hoort niet bij exclusieve distributie?

a)

een imago van kwaliteit en prestigeproducten

b)

enig verlies van marktdekking

c)

weinig contact tussen fabrikant en detaillist

d)

een gereduceerd distributiebeleid

20.

Calvé pindakaas wordt rechtstreeks vanuit de fabriek geleverd aan het distributiecentrum van Albert Heijn in Zaanstad. Vandaar gaat het naar de Albert Heijn-vestigingen in heel Nederland.

Welk distributiekanaal wordt hier gebruikt?

a)

indirect kort kanaal

b)

multikanaal distributie

c)

direct kanaal

d)

indirect lang kanaal

21.

Wat wordt er bedoeld met het zogenoemde klassieke distributiekanaal?

a)

producent-grossier-detaillist-consument

b)

producent-agent-grossier-detaillist-consument

c)

producent-detaillist-consument

d)

producent-consument

22.

Wat is het beste voorbeeld van een groothandel?

a)

Makro

b)

Aldi

c)

Etos

d)

Albert Heijn

23.

Bij e-commerce gaat het om de verkoop van producten en diensten via internet.

a)

Waar

b)

Niet waar

24.

In het zogenaamde 4C-model wordt een link gemaakt met de 4 traditionele marketing-P's. Aan welke P wordt de C van customer solution gelinkt?

a)

P van product

b)

P van promotie

c)

P van prijs

d)

P van plaats