wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Tekstverbanden 4 mavo

Total questions: 23

Worksheet time: 12mins

Name
Class
Date
1.

Ik koop een mooie laptop om mijn huiswerk beter te kunnen maken.

a)

Tegenstelling

b)

Doel-middel

c)

Oorzaak-gevolg

d)

Voorbeeld

2.

Enerzijds ben ik het met jullie eens, anderzijds vind ik dat Gerard ook een punt heeft.

a)

tegenstelling

b)

doel-middel

c)

oorzaak-gevolg

d)

conclusie

3.

De fabrikanten van Coca Cola hebben meer reclame gemaakt. Daarmee willen ze meer klanten trekken.

a)

tegenstelling

b)

doel-middel

c)

opsomming

d)

oorzaak-gevolg

4.

Veel winkeliers hebben pinautomaten; die werken echter niet feilloos.

a)

tegenstelling

b)

opsomming

c)

conclusie

d)

reden (argument)

5.

Om te voorkomen dat je vingers bevriezen, moet je in de koelcel dikke handschoenen dragen.

a)

opsomming

b)

tegenstelling

c)

doel-middel

d)

conclusie

6.

Yannick heeft zijn huiswerk niet af, omdat zijn boek nog op school lag.

a)

tegenstelling

b)

conclusie

c)

reden (argument)

d)

oorzaak-gevolg

7.

Mijn buurman komt altijd te laat. Daardoor is hij nu zijn baan kwijt.

a)

doel-middel

b)

oorzaak-gevolg

c)

voorbeeld

d)

conclusie

8.

Haar dochter rijdt nog een beetje onwennig op de nieuwe scooter, want het is de eerste keer.

a)

opsomming

b)

oorzaak-gevolg

c)

reden (argument)

d)

voorwaarde

9.

Doordat het de hele dag gesneeuwd had, stond het verkeer vast.

a)

voorwaarde

b)

conclusie

c)

oorzaak-gevolg

d)

reden (argument)

10.

Omdat het regent, gaat Marit vandaag met de bus naar school.

a)

oorzaak-gevolg

b)

reden (argument)

c)

conclusie

d)

voorwaarde

11.

Ik houd van felle kleuren, zoals knalgeel.

a)

oorzaak-gevolg

b)

conclusie

c)

opsomming

d)

voorbeeld

12.

Je kunt beter niet spijbelen. Ten eerste mis je te veel lessen. Ten tweede krijg je een slechte naam.

a)

opsomming

b)

tegenstelling

c)

voorbeeld

d)

voorwaarde

13.

Dirk heeft nog veel huiswerk te doen. Voor Nederlands moet hij bijvoorbeeld nog een boek lezen.

a)

oorzaak-gevolg

b)

opsomming

c)

voorwaarde

d)

voorbeeld

14.

Als het morgen slecht weer is, gaan we zeker fietsen.

a)

oorzaak-gevolg

b)

conclusie

c)

voorwaarde

d)

tegenstelling

15.

Vergeleken met vorig jaar zijn de temperaturen in de Alpen nu een stuk hoger.

a)

tegenstelling

b)

oorzaak-gevolg

c)

vergelijking

d)

conclusie

16.

Zij werkten hard om hun kinderen meer kansen te geven in de toekomst.

a)

oorzaak-gevolg

b)

reden (argument)

c)

doel-middel

d)

vergelijking

17.

Het hele bestuur is ziek, dus de vergadering gaat niet door.

a)

reden (argument)

b)

oorzaak-gevolg

c)

conclusie

d)

voorwaarde

18.

Hij was op tijd, hoewel het erg glad was.

a)

oorzaak-gevolg

b)

voorwaarde

c)

voorbeeld

d)

tegenstelling

19.

Indien je goede voorzorgsmaatregelen neemt, hoef je je geen zorgen te maken.

a)

voorbeeld

b)

opsomming

c)

voorwaarde

d)

doel-middel

20.

Hij heeft de toets beter gemaakt dan jij.

a)

opsomming

b)

tegenstelling

c)

vergelijking

d)

doel-middel

21.

De toets was ontzettend moeilijk. Maar er zaten ook een paar vragen in die wel te doen waren. Er zijn ook leerlingen die een voldoende gehaald hebben.

a)

nuanceren

b)

weerleggen

c)

onderschrijven

22.

Jij zegt dat de toets te moeilijk was, maar daar ben ik het niet mee eens. Er zaten veel vragen in die we in de les vaak hebben geoefend.

a)

nuanceren

b)

onderschrijven

c)

weerleggen

23.

De hele klas vond de toets te moeilijk. Daar ben ik het mee eens. Er zaten veel vragen in die we niet in de les hebben behandeld.

a)

nuanceren

b)

weerleggen

c)

onderschrijven