wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

VWO4 herhaling TW1 KES

Total questions: 32

Worksheet time: 19mins

Name
Class
Date
1.

Deze afbeelding is een voorbeeld van _____.

a)

actief transport

b)

passief transport

c)

diffusie

d)

osmose

2.

Wat is het verschil tussen het ruw ER en het glad ER?

a)

Er is geen verschil tussen beiden

b)

Plantaardige cellen hebben een ruw ER, dierlijke cellen hebben een glad ER.

c)

Het glad ER maakt eiwitten aan, het ruw ER verpakt ze in blaasjes

d)

Op de buitenkant van het ruw ER zitten ribosomen, op het glad ER niet.

3.

Wanneer Joris verlepte sla in water legt, merkt hij dat de sla opnieuw fris en knapperig wordt. Verklaar zijn waarneming.

a)

De cellen van de sla nemen water op door actief transport.

b)

De cellen van de sla nemen zout op door diffusie

c)

De cellen van de sla nemen water op door osmose

d)

De cellen van de sla geven water af door osmose

4.

Uit een aardappel worden enkele staafjes gesneden. De staafjes zijn even lang en even dik. Ze worden in verschillende suikeroplossingen gelegd. Een dag later wordt de lengte van de staafjes gemeten. Het resultaat hiervan is weergegeven in het diagram van de afbeelding. Ook de lengte van de staafjes voor de proef is in het diagram weergegeven. Bij welke van de in het diagram aangegeven suikerconcentraties is de turgor van de aardappelcellen het hoogst?

a)

Bij concentratie P

b)

Bij concentratie Q

c)

Bij concentratie R

d)

Bij concentratie S

5.

Een leerling bestudeert met zijn microscoop cellen van een rok van een ui in een druppel gedestilleerd water. Daarna wil hij intacte rode bloedcellen bestuderen. Hij moet de rode bloedcellen in een druppel van een zoutoplossing met een bepaalde concentratie leggen en niet in een druppel gedestilleerd water. Waarom is dit verschil in behandeling nodig?

a)

Omdat cellen van een ui geen celmembraan hebben en rode bloedcellen wel

b)

omdat de osmotische waarde van de cellen van een ui hoger is dan die van rode bloedcellen

c)

omdat rode bloedcellen in gedestilleerd water opzwellen en vervolgens knappen en cellen van een ui niet

d)

omdat rode bloedcellen in gedestilleerd water een te grote hoeveelheid zouten door e celmembraan naar buiten laten gaan en cellen van een ui niet

6.

Een wetenschapper wil de invloed van aspirine op de bloeddruk bepalen. Hij beschikt over twee gelijke groepen proefpersonen. De proefpersonen van de ene groep krijgen een aspirinetabletje (opgelost in een glas water) waarna ze de oplossing moeten opdrinken. Wat moet de controlegroep toegediend krijgen?

a)

Niks

b)

Een glas water

c)

Een glas water met opgelost een vergelijkbaar tabletje zonder aspirine

d)

Een vergelijkbaar tabletje zonder aspirine

7.

In welke plastiden vindt de fotosynthese plaats?

a)

In de chloroplasten

b)

In de leukoplasten

c)

In de chromoplasten

d)

In de zetmeelkorrels

8.

Bekijk de afbeelding. Wat is de functie van onderdeel 4?

a)

Eiwitsynthese

b)

Transport van stoffen

c)

Regeling stofwisseling

d)

Energie vrijmaken

9.

Kijk naar de afbeelding. Wat wordt aangegeven met nummer 2?

a)

Celmembraan

b)

Chloroplast

c)

Ruw endoplasmatisch reticulum

d)

Mitochondrium

10.

Op welk organisatieniveau onderzoek je in de biologie als je op het niveau van de foto aan het onderzoeken bent?

a)

Molecuul

b)

Cel

c)

Weefsel

d)

Orgaan

11.

Ecologie kun je bestuderen op verschillende niveaus. In welk rijtje staan ze op de juiste manier van klein naar groot?

a)

Individu - levensgemeenschap - populatie - ecosysteem

b)

Individu - populatie - ecosysteem - levensgemeenschap

c)

Individu - populatie - levensgemeenschap - ecosysteem

d)

Populatie - individu - levensgemeenschap - ecosysteem

12.

Uit een aardappel worden enkele staafjes gesneden. De staafjes zijn even lang en even dik. Ze worden in verschillende suikeroplossingen gelegd. Een dag later wordt de lengte van de staafjes gemeten. Het resultaat hiervan is weergegeven in het diagram van de afbeelding. Ook de lengte van de staafjes voor de proef is in het diagram weergegeven. Bij welke van de in het diagram aangegeven suikerconcentraties is de turgor van de aardappelcellen het hoogst?

a)

Bij concentratie P

b)

Bij concentratie Q

c)

Bij concentratie R

d)

Bij concentratie S

13.

In het cytoplasma van een zenuwcel is de kalium concentratie (K+ ionen) veel hoger dan buiten de cel. Welk manier van transport maakt dit mogelijk?

a)

diffusie

b)

actief transport

c)

passief transport

d)

osmose

14.

In de afbeelding zie je een ader (blauw) langs de nierbuis afstromen (geel). De wanden van deze vaten zijn semi-permeabel. Alleen water kan erdoor. Welke pijl is de juiste weergave van de richting waarin de waterdeeltjes zich verplaatsen door osmose?

a)

Pijl A

b)

Pijl B

15.

Wat zijn organellen?

a)

Het zelfde als een orgaan, zoals een lever of hart

b)

Dit zijn de organen van een plant

c)

een groep cellen met dezelfde vorm en functie

d)

de delen van een cel die een eigen functie hebben

16.

Wat doen lysosomen?

a)

maken eiwitten

b)

kunnen moleculen afbreken

c)

is een onderdeel van het celmembraan

d)

zet DNA om in RNA

17.

Deze afbeelding is een voorbeeld van...

a)

osmose

b)

diffusie

c)

geleide diffusie

d)

actief transport

18.

Een celkern bevat de complete informatie voor alle erfelijke eigenschappen.

a)

Juist

b)

Onjuist

19.

Het organisme op de afbeelding doet aan fotosynthese, is ééncellig en bevat een celkern. Dit organisme is een..

a)

Dier

b)

Plant

c)

Bacterie

d)

Schimmel

20.
Een wetenschapper wil de invloed van aspirine op de bloeddruk bepalen. Hij beschikt over twee gelijke groepen proefpersonen. De proefpersonen van de ene groep krijgen een asparinetabletje (opgelost in een glas water) waarna ze de oplossing moeten opdrinken.
Wat moet de controlegroep toegediend krijgen?
a)
Niks
b)
Een glas water
c)
Een glaswater met opgelost een vergelijkbaar tabletje
d)
Een vergelijkbaar tabletje zonder asparine
21.
Heeft een bacterie een celkern?
a)
Ja
b)
Nee
22.

Wanneer de bloedsomloop stilvalt, kan het hart door een verpleegkundige worden gereanimeerd. Een menselijk hart bestaat uit verschillende weefsels. Hieronder staan twee eigenschappen van een menselijk hart:

  1. - Het hart pompt bloed rond
  2. - Het hart bestaat uit cellen

Welke van deze eigenschappen is een emergente eigenschap op het niveau orgaan?

a)

Geen van beide eigenschappen

b)

Alleen eigenschap 1

c)

Alleen eigenschap 2

d)

Beide eigenschappen

23.
Welk onderdeel heeft een dierlijke cel niet?
a)
Kern
b)
Celmembraan
c)
Celwand
d)
Cytoplasma
24.

De stevigheid van dierlijke cellen ontstaat door stevige celwanden. Juist of onjuist?

a)

Juist

b)

Onjuist

25.

Een leerling bestudeert met zijn microscoop cellen van een rok van een ui in een druppel gedestilleerd water. Daarna wil hij intacte rode bloedcellen bestuderen. Hij moet de rode bloedcellen in een druppel van een zoutoplossing met een bepaalde concentratie leggen en niet in een druppel gedestilleerd water. Waarom is dit verschil in behandeling nodig?

a)

Omdat cellen van een ui geen celmembraan hebben en rode bloedcellen wel

b)

omdat de osmotische waarde van de cellen van een ui hoger is dan die van rode bloedcellen

c)

omdat rode bloedcellen in gedestilleerd water opzwellen en vervolgens knappen en cellen van een ui niet

d)

omdat rode bloedcellen in gedestilleerd water een te grote hoeveelheid zouten door e celmembraan naar buiten laten gaan en cellen van een ui niet

26.

Tijdens een experiment wordt een dialyseslang ( = semi-permeabel membraan) gevuld met een waterige oplossing die 3% zetmeel en 3% glucose bevat. Daarna wordt deze in een beker met gedemineraliseerd water gelegd (zie afbeelding). Na 3 uur wordt er een waarneming gedaan. Welke uitspraak past bij deze waarneming?

a)

Zetmeel moleculen verplaatsen zich doorheen de dialyseslang naar de beker.

b)

De concentratie aan zetmeel en glucose is gelijk, zowel in de dialyseslang als in de beker.

c)

Water verplaatst zich via osmose van de beker doorheen de dialyseslang.

d)

Water verplaatst zich via diffusie doorheen de dialyseslang naar de beker.

27.

Wat zijn de twee belangrijkste verschillen tussen een plantaardige cel en een dierlijke cel?

a)

Plantaardige cellen hebben een celwand en chloroplasten, terwijl dierlijke cellen dat niet hebben.

b)

Plantaardige cellen hebben een celkern en een grote vacuole, terwijl dierlijke cellen dat niet hebben.

c)

Plantaardige cellen hebben geen mitochondriën en cytoplasma, terwijl dierlijke cellen dat wel hebben.

d)

Er zijn geen verschillen tussen beiden.

28.

juist of fout: De snelheid van diffusie en van osmose zal toenemen als de temperatuur verhoogt wordt.

a)

juist, omdat alle moleculen sneller gaan bewegen door toenemende temperatuur

b)

fout, omdat dit enkel geldt voor diffusie

c)

fout, omdat het bij osmose omgekeerd is

d)

juist, omdat bij diffusie en osmose dezelfde stoffen getransporteerd worden.

29.

Een bepaalde plantencel heeft turgor die maximaal is. Hij verandert niet meer van grootte.

Is de osmotische waarde buiten de cel groter dan, kleiner dan of gelijk aan de osmotische waarde in de cel?

a)

groter

b)

kleiner

c)

gelijk

30.

Onder de electronenmicroscoop ziet een analist cellen die opvallend veel mitochondrien bevatten. Welk type cellen zou dit kunnen zijn?

a)

spiercellen

b)

speekselklier cellen

c)

darmcellen

d)

huidcellen

31.

Sabrina doet een onderzoek over de invloed van de zuurgraad van de bodem op het ontkiemen van tuinkerszaden.


Dit onderzoek kan men in vijf stappen delen. In willekeurige volgorde zijn deze stappen:


1) Sabrina denkt dat zaden van tuinkers bij een lagere en hogere Ph slechter zullen ontkiemen dan bij een neutrale pH.

2) Sabrina laat 20 zaadjes van tuinkers ontkiemen bij pH 6 en 25 zaadjes bij pH 7 en 25 zaadjes bij pH 8.

3) Sabrina stelt vast dat bij pH 8 maar 4 zaadjes van tuinkers ontkiemen, bij pH 6 maar 8 en bij pH 7 zijn dat er 22.

4) Sabrina leest in een boek dat voor het ontkiemen van zaden de pH neutraal moet zijn.

5) Sabrina vraagt zich af of bij een lagere en hogere zuurgraad minder zaadjes van tuinkers ontkiemen dan bij een neutrale pH.

6) Sabrina concludeert dat pH 7 inderdaad de ideale zuurgraad is voor de ontkieming van tuinkers.


Welke stap is de hypothese?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

e)

5

32.

O2 verplaatst zich van de longen naar het bloed bij een inademing. Het transport verloopt via diffusie. Dit is een vorm van...

a)

passief transport, het kost ATP

b)

passief transport, het kost GEEN ATP

c)

actief transport, het kost ATP

d)

actief transport, het kost geen ATP