wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

2hv. Ademhaling en verbranding 2.1-2.2-2.3

Total questions: 43

Worksheet time: 23mins

Name
Class
Date
1.
Welk gas heb ik nodig bij verbranding?
a)
koolstodioxide
b)
zuurtsof
c)
stikstof
d)
geen van de 3 genoemde
2.
Waarom gaat het vlammetje van de kaars uit?
a)
De koolstofdioxide in het potje raakt op
b)
De zuurstof in het potje raakt op
c)
Het lontje is te kort
d)
Het kaarsvet raakt op
3.

Bij de mens wordt glucose verbrand>
Welke vorm van energie komt er dan vrij

a)
Warmte en beweging
b)
warmte en licht
c)
licht en beweging
d)
alleen beweging
4.
Wat is waar?
a)
In uitgeademde lucht zit meer zuurstof dan ingeademde lucht
b)
in ingeademde lucht zit meer koolstofdioxide dan uitgeademde lucht
c)
In ingeademde lucht zit meer zuurstof dan uitgeademde lucht
d)
In ingeademde lucht zit evenveel zuurstof als uitgeademde lucht
5.
Wat is niet waar?
a)
Als ik ga bewegen gaat het hart sneller kloppen
b)
Als ik ga bewegen gaat mijn ademhaling sneller
c)
Als ik ga bewegen heb ik meer koolstofdioxide nodig
d)
Als ik ga bewegen heb ik meer zuurstof nodig
6.
Wat is juist?
a)
De huig sluit de luchtpijp af
b)
Het strotklepje sluit de luchtpijp af
c)
De huig sluit de neusholte en de luchtpijp af
d)
Het strotklepje sluit de neusholte en luchtpijp af
7.
Het is beter om door je neus in te ademen omdat.....
a)
De lucht hierdoor gezuiverd wordt van stof en bacteriën en warm en droger wordt
b)
De lucht hierdoor gezuiverd wordt van stof en bacteriën, kouder en vochtiger wordt
c)
De lucht hierdoor warmer ,vochtiger en geroken wordt
d)
De lucht hierdoor gezuiverd,droger en kouder wordt
8.

Gaswisseling kan snel plaats vinden in de longblaasjes omdat?

a)

ze een heel groot oppervlakte samen hebben

b)

ze een dikke wand hebben

c)

ze makkelijk glucose kunnen uitwisselen

d)

ze makkelijk water kunnen uitwisselen

9.

Het precentage stikstof wat je in en uitademt is gelijk

a)

waar

b)

niet waar

10.

Wat is de stand van de huig en strottenklep bij inademen?

a)

open, open

b)

dicht,open

c)

open, dicht

d)

beide dicht beide dicht

11.

Bij verbranding in cellen zijn stoffen nodig. Dit zijn:

a)

brandstof en water

b)

water en koolstofdioxide

c)

koolstofdioxide en zuurstof

d)

zuurstof en glucose

12.

Je ziet hier een afbeelding van het ademhalingsstelsel. De naam van nummer 11 is:

a)

de long

b)

de bronchie

c)

de luchtpijp

d)

de longblaasjes

13.

Je ziet hier een tekening van een longblaasje. Bevindt zich bij letter P veel zuurstof?

a)

ja

b)

nee

14.

Als een bergbeklimmer in de bergen boven de 4000 m/5000 m hoogte komt, kan hij zuurstof tekort krijgen, de lucht is ijl, er zit minder zuurstof in de lucht. Het is ook kouder. Hij zal dan .... gaan ademhalen.

a)

hetzelfde

b)

rustiger

c)

sneller

15.

Je ziet hier een tekening van een longblaasje. Bevindt zich bij letter P veel koolstofdioxide?

a)

ja

b)

nee

16.

Je ziet hier een tekening van een longblaasje. Bevindt zich bij letter S veel zuurstof?

a)

ja

b)

nee

17.

Ingeademde lucht is .... uitgeademde lucht.

a)

kouder dan

b)

warmer dan

c)

gelijk aan de temperatuur van

18.

Bij inademen worden de longen gevuld met lucht. Inademen komt tot stand doordat ...

a)

de tussen ribspieren zich aanspannen en het middenrif zich aanspant

b)

de tussenribspieren zich aanspannen en het midden rif zich ontstpant

c)

de tussenribspieren zich ontspannen en het middenrif zich aanspant

d)

de tussenribspieren zich ontspannen en het midden rif zich ontspant

19.

Bij uitademen legen de longen zich, de lucht wordt uitgeblazen. Uitademen komt tot stand doordat ...

a)

de tussen ribspieren zich aanspannen en het middenrif zich aanspant

b)

de tussenribspieren zich aanspannen en het midden rif zich ontstpant

c)

de tussenribspieren zich ontspannen en het middenrif zich aanspant

d)

de tussenribspieren zich ontspannen en het midden rif zich ontspant

20.

Bij inademing...

a)

vergroot je je borstkas

b)

verklein je je borstkas

21.

In het ademcentrum vind de regeling van de ademhaling plaats. In de halsslagader zitten zintuigen die impulsen sturen naar het ademcentrum. Wat meten deze zintuigen in het bloed?

a)

Meet het zuurstofgehalte in het bloed

b)

Meet het koolstofdioxidegehalte in het bloed

22.

Als je je adem inhoudt, wat zorgt er dan voor dat je wel weer MOET gaan ademhalen?

a)

De stijgende hoeveelheid zuurstof in het bloed

b)

De dalende hoeveelheid zuurstof in het bloed

c)

De stijgende hoeveelheid koolstofdioxide in het bloed

d)

De dalende hoeveelheid koolstofdioxide in het bloed

23.
In de animatie zie je 
a)

de buik- of middenrifademhaling

b)

de borstademhaling

c)

allebei

d)

geen van beide

24.

Je hoeft niet na te denken over je ademhaling. De snelheid en diepte van de ademhaling worden geregeld vanuit je .......

a)

longen

b)

grote hersenen

c)

hersenstam

d)

middenrif

25.

Waar in het ademhalingsstelsel vindt gaswisseling plaats?

a)

In de luchtpijp

b)

In de bronchiën

c)

In de neusholte

d)

In de longblaasjes

26.
Wat is niet waar?
a)
Als ik ga bewegen gaat het hart sneller kloppen
b)
Als ik ga bewegen gaat mijn ademhaling sneller
c)
Als ik ga bewegen heb ik meer koolstofdioxide nodig
d)
Als ik ga bewegen heb ik meer zuurstof nodig
27.

Bij verbranding komen afvalstoffen vrij. Dit zijn:

a)

water en zuurstof

b)

zuurstof en koolstofdioxide

c)

koolstofdioxide en suiker

d)

water en koolstofdioxide

28.

Wat moet er worden ingevuld bij 1 en 2?

glucose + 1 → 2 + water + energie

a)

1 = koolstofdioxide

2= zuurstof

b)

1= koolmonoxide

2 = zuurstof

c)

1 = zuurstof

2 = koolstofdioxide

d)

1 = zuurstof

2 = koolmonoxide

29.
Nummer 6 is
a)
de luchtpijp
b)
een bronchie
c)
het strotklepje
d)
de huig
30.

Welk orgaanstelsel zorgt voor zuurstof in jouw lichaam

a)

Spierstelsel

b)

Uitscheidingsstelsel

c)

Verteringsstelsel

d)

Ademhalingsstelsel

31.

Welk orgaanstelsel zorgt voor de voedingsstoffen in jouw lichaam?

a)

Ademhalingsstelsel

b)

Spierstelsel

c)

Verteringsstelsel

d)

Uitscheidingsstelsel

32.

Welk nummer stelt de huig voor?

a)

1

b)

10

c)

2

d)

8

33.

Welk gas gaat bij nummer 2 vanuit het bloed naar de longen?

(tip: dit gas wordt daarna uitgeademd)

a)

energie

b)

glucose

c)

koolstofdioxide

d)

zuurstof

34.

Welke stof wordt tijdens de celademhaling verbrand?

a)

zuurstofgas

b)

glucose

c)

voedingsstoffen

d)

koolstofdioxide

35.

Welk gas is er nodig voor het verbrandingsproces in een cel?

a)

zuurstofgas

b)

glucose

c)

voedingsstoffen

d)

koolstofdioxide

36.

Op deze afbeelding zie je in het oranje...

a)

de longen

b)

het ademhalingsstelsel

c)

de gasuitwisseling

37.

Waarom zit er kraakbeen om de luchtpijp heen?

a)

Zodat de luchtpijp beter dicht kan

b)

Zodat de luchtpijp steviger en houd de luchtpijp open

c)

Zodat de luchtpijp goed op zijn plek blijft

38.

Wat gebeurt er in de longblaasjes?

a)

Koolstofdioxide gaat uit het bloed en zuurstof er in

b)

Zuurstof gaat uit het bloed en Koolstofdioxide er in

c)

Koolstofdioxide en zuurstof gaan beiden het bloed in

d)

Koolstofdioxide en zuurstof gaan beiden het bloed uit

39.

Wat is de naam van het orgaan bij de pijl?

a)

keelholte

b)

mondholte

c)

neusholte

40.

Welke pijl geeft de richting van koolstofdioxide (CO2) aan?

a)

Q

b)

P

c)

2

41.

Bloed dat naar de longblaasjes toestroomt is ...

a)

Zuurstofarm

b)

Zuurstofrijk

c)

Het is gewoon bloed

42.

Het ademcentrum bevindt zich in:

a)

De alveoli

b)

De bronchioli

c)

De hersenstam

d)

De kleine hersenen

43.

Trilhaartjes zijn heel belangrijk in verband met het verplaatsen van de slijmen vanuit de luchtpijp naar de keel toe. Dit om zo de slijmen te kunnen ophoesten.

a)

waar

b)

niet waar