wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

K4 T9 Regeling bs 1

Total questions: 19

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Wat is geen onderdeel van het centraal zenuwstelsel?

a)

Hersenen

b)

Zenuwen

c)

Hersenstam

d)

Ruggenmerg

2.

Je telefoon gaat af en je pakt met je hand de telefoon op. Wat is hier de prikkel?

a)

Je telefoon

b)

Het geluid van de telefoon

c)

Je hand die de telefoon oppakt.

3.

Zijn prikkels elektische signalen?

a)

ja

b)

nee

4.
Je zintuigen nemen
a)
taken waar
b)
mensen waar
c)
prikkels waar
d)
iets op
5.

Een impuls vanuit een zintuig gaat via je zenuwen naar

a)

je zintuigen

b)

je botten

c)

je spieren

d)

je hersenen

6.
Het centrale zenuw-stelsel bestaat uit:
a)
Zenuwen
b)
Zenuwen en de hersenen
c)
Zenuwen en het ruggenmerg
d)
De hersenen en het ruggenmerg
7.

Wat is een zintuig?

a)

Een orgaan waarmee je prikkels opvangt

b)

Een orgaan waarmee je impulsen opvangt

c)

Een onderdeel van de hersenen

d)

Een cel die impulsen vervoert door het lichaam

8.

Welke weg legt een prikkel die je waarneemt in je lichaam af?

a)

Prikkel --> zintuig --> impuls --> zenuwen --> ruggenmerg --> hersenen

b)

Prikkel --> impuls --> zintuig --> ruggenmerg --> zenuwen --> hersenen

c)

Prikkel --> ruggenmerg --> impuls --> zintuig --> zenuwen --> hersenen

d)

Prikkel --> ruggenmerg --> impuls --> zenuwen --> zintuig --> hersenen

9.

Het knorren van je maag omdat je honger hebt is een voorbeeld van een ....

a)

Uitwendige prikkel

b)

Inwendige prikkel

10.

Het op rood springen van een stoplicht waardoor je gaat remmen is een voorbeeld van een....

a)

Uitwendige prikkel

b)

Inwendige prikkel

11.

Je ziet de reclameborden van de pizzeria en krijgt trek. Dit is een voorbeeld van een ...

a)

Sleutelprikkel

b)

Supernormale prikkel

c)

Uitwendige prikkel

d)

Inwendige prikkel

12.

Uitwendige prikkels worden ook wel impulsen genoemd.

a)

Waar

b)

Niet waar

13.

Welke organismen vertonen gedrag?

a)

Bacteriën

b)

Schimmels

c)

Planten

d)

Dieren

14.

Welke zinnen zijn een voorbeeld van gedrag?

a)

Een appel valt van een boom.

b)

Een blad groeit naar het licht.

c)

Een jongen kijkt tv.

d)

Een kat kijkt naar de tv.

e)

Een meisje krijgt kippenvel.

15.

Een eendenkuikentje wordt door een snoek in zijn poot gebeten. Het eendje ziet de snoek niet, maar piept hard en probeert weg te zwemmen.



Wordt het piepen veroorzaakt door een inwendige prikkel of een uitwendige prikkel?

a)

inwendige prikkel

b)

uitwendige prikkel

16.

Welke zin hoort bij het volgende begrip: prikkel

a)

Bereidheid tot verrichten van bepaald gedrag.

b)

Invloed uit de omgeving.

c)

Reactie op een prikkel.

d)

Vaste opeenvolging van handelingen waarbij het effect van de ene handeling leidt tot een volgende handeling.

17.

Welke zin hoort bij het volgende begrip: respons

a)

Bereidheid tot verrichten van bepaald gedrag.

b)

Invloed uit de omgeving.

c)

Reactie op een prikkel.

d)

Vaste opeenvolging van handelingen waarbij het effect van de ene handeling leidt tot een volgende handeling.

18.

Wat is geen voorbeeld van een inwendige prikkel

a)

Aanraking

b)

Geluid

c)

Honger

d)

Geur

19.

Met welke kleur is het centraal zenuwstelsel aangegeven?

a)

Paars

b)

Groen