wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

EO 2A - Herhalingsquiz trimester 1

Total questions: 60

Worksheet time: 35mins

Name
Class
Date
1.

Welk soort motief wordt hier beschreven?

Ik ben DJ omdat ik op mijn eigen trouw een DJ had en ik dacht: "ik kan dat beter".

a)

persoonlijk motief

b)

maatschappelijk motief

c)

economisch motief

2.

Welk soort motief wordt hier beschreven?

Ik ben DJ omdat ik mensen een onvergetelijke avond wil bezorgen.

a)

persoonlijk motief

b)

maatschappelijk motief

c)

economisch motief

3.

Welk soort motief wordt hier beschreven?

Ik ben DJ omdat ik de extra centjes goed kan gebruiken.

a)

persoonlijk motief

b)

maatschappelijk motief

c)

economisch motief

4.

Hoe heten de moeilijkheden waarom mensen tegengehouden worden om een onderneming te starten?

Bv: werkdruk, angst om te falen, financiële onzekerheid...

(a)  

5.

Welke beroepen zijn vrije beroepen?

a)

Huisarts

b)

Kinesist

c)

Leraar

d)

Notaris

6.

Welke bedrijfssector is

een vliegtuig

a)

hout

b)

transport

c)

textiel

d)

ICT

7.

Welke bedrijfssector is

bouwonderneming

a)

hout

b)

constructie

c)

textiel

d)

metaal

8.

Welke bedrijfssector is

Engie/Electrabel/Luminus

a)

chemie

b)

constructie

c)

energie

d)

metaal

9.

Dit behoort tot de:

a)

primaire sector

b)

secundaire sector

c)

tertiaire sector

d)

quartaire sector

10.

Dit behoort tot de:

a)

primaire sector

b)

secundaire sector

c)

tertiaire sector

d)

quartaire sector

11.

Dit behoort tot de:

a)

primaire sector

b)

secundaire sector

c)

tertiaire sector

d)

quartaire sector

12.

Dit behoort tot de:

a)

primaire sector

b)

secundaire sector

c)

tertiaire sector

d)

quartaire sector

13.

Welke stakeholder wordt er voorgesteld voor een DJ?

De DJ zelf.

a)

interne stakeholder

b)

externe stakeholder

c)

interface stakeholder

14.

Welke stakeholder wordt er voorgesteld voor een DJ?

De trouwers bij een trouwfeest.

a)

interne stakeholder

b)

externe stakeholder

c)

interface stakeholder

15.

Welke stakeholder wordt er voorgesteld voor een DJ?

SABAM.

a)

interne stakeholder

b)

externe stakeholder

c)

interface stakeholder

16.

Welk begrip betekent het volgende:

Dit gebruiken ondernemers om de verkoop van een product te stimuleren. Ze proberen daarbij zo goed mogelijk te voldoen aan de behoeften en problemen van de klant.

(a)  

17.

Welke "P" gaat over hoeveel een product kost?

a)

product

b)

prijs

c)

promotie

d)

plaats

18.

Welke "P" gaat over wat een onderneming aanbiedt in zijn winkel?

a)

product

b)

prijs

c)

promotie

d)

plaats

19.

Welke "P" gaat over de ligging van een winkel?

a)

product

b)

prijs

c)

promotie

d)

plaats

20.

Welke "P" gaat over de reclame?

a)

product

b)

prijs

c)

promotie

d)

plaats

21.

Welke "C" verteld iets over het product?

a)

consumentenoplossing

b)

consumentenkosten

c)

consumentengemak

d)

consumentencommunicatie

22.

Welke "C" verteld iets over de prijs?

a)

consumentenoplossing

b)

consumentenkosten

c)

consumentengemak

d)

consumentencommunicatie

23.

Welke "C" verteld iets over de plaats?

a)

consumentenoplossing

b)

consumentenkosten

c)

consumentengemak

d)

consumentencommunicatie

24.

Welke "C" verteld iets over de promotie?

a)

consumentenoplossing

b)

consumentenkosten

c)

consumentengemak

d)

consumentencommunicatie

25.

Wat is een ondernemingsplan?
Kies alle juiste opties.

a)

= businessplan

b)

hierin wordt de doelgroep bepaald

c)

hierin wordt de beste leverancier bepaald

d)

= financieel plan

26.

Als je bedrijf verlies maakt, dan...

a)

zijn je kosten groter dan je opbrengsten

b)

zijn je kosten kleiner dan je opbrengsten

c)

zijn je kosten gelijk aan je opbrengsten

27.

Als je bedrijf winst maakt, dan...

a)

zijn je kosten groter dan je opbrengsten

b)

zijn je kosten kleiner dan je opbrengsten

c)

zijn je kosten gelijk aan je opbrengsten

28.

Het resultaat bereken je door:

a)

opbrengsten + kosten

b)

opbrengsten - kosten

c)

opbrengsten . kosten

d)

kosten - opbrengsten

29.

Welk sociaal statuut raad je deze starter aan?

Je wilt als zelfstandige een extra centje bijverdienen, bovenop je loon.

a)

zelfstandig in bijberoep

b)

zelfstandig in hoofdberoep

c)

een eenmanszaak

d)

een vennootschap

30.

Welk sociaal statuut raad je deze starter aan?

Je wilt als zelfstandige voor eigen rekening werken.

a)

zelfstandig in bijberoep

b)

zelfstandig in hoofdberoep

c)

een eenmanszaak

d)

een vennootschap

31.

Welk juridisch statuut raad je deze starter aan?

Je wilt als zelfstandige geen onderscheid hebben tussen je privé vermogen en je vermogen van je onderneming.

a)

zelfstandig in bijberoep

b)

zelfstandig in hoofdberoep

c)

een eenmanszaak

d)

een vennootschap

32.

Welk juridisch statuut raad je deze starter aan?

Je wilt als zelfstandige geen risico nemen als je failliet gaat dat ze aan je persoonlijk vermogen komen.

a)

zelfstandig in bijberoep

b)

zelfstandig in hoofdberoep

c)

een eenmanszaak

d)

een vennootschap

33.

Gaat onderstaand voorbeeld over de missie, visie of waarde van een onderneming?

DJ P... draait muziek op trouwfeesten.

a)

missie

b)

visie

c)

waarde

34.

Gaat onderstaand voorbeeld over de missie, visie of waarde van een onderneming?

DJ P... is gespecialiseerd in trouwfeesten. In de toekomst wilt hij enkel dit verzorgen.

a)

missie

b)

visie

c)

waarde

35.

Gaat onderstaand voorbeeld over de missie, visie of waarde van een onderneming?

DJ P... wilt het getrouwd koppel de mooiste avond van hun leven bezorgen.

a)

missie

b)

visie

c)

waarde

36.

Hoe heet het schema dat een overzicht geeft van een bedrijfsstructuur?

(a)  

37.

Wat is het volgend voorbeeld?

extra verpakking nodig

a)

Een voordeel voor de consument

b)

Een nadeel voor de consument

c)

Een voordeel voor de handelaar

d)

Een nadeel voor de handelaar

38.

Wat is het volgend voorbeeld?

veel keuze bieden

a)

Een voordeel voor de consument

b)

Een nadeel voor de consument

c)

Een voordeel voor de handelaar

d)

Een nadeel voor de handelaar

39.

Wat is het volgend voorbeeld?

overconsumptie

a)

Een voordeel voor de consument

b)

Een nadeel voor de consument

c)

Een voordeel voor de handelaar

d)

Een nadeel voor de handelaar

40.

Wat is het volgend voorbeeld?

tijdswinst

a)

Een voordeel voor de consument

b)

Een nadeel voor de consument

c)

Een voordeel voor de handelaar

d)

Een nadeel voor de handelaar

41.

Welke reclametechniek is dit?

De prijs van een funko pop van Groot is 14,99 euro.

a)

charm prising

b)

exact pricing

c)

sociale bewijskracht

d)

ankereffect

42.

Welke reclametechniek is dit?

De prijs van een funko pop van Groot is 14,99 euro gezakt naar 12,54 euro.

a)

charm prising

b)

exact pricing

c)

sociale bewijskracht

d)

ankereffect

43.

Welke reclametechniek is dit?

Review van R. Verhaeghe: De funko pop van Groot is werkelijk fantastisch! I love it!

a)

charm prising

b)

exact pricing

c)

sociale bewijskracht

d)

ankereffect

44.

Welke reclametechniek is dit?

Nog maar 2 funko pop's van Groot beschikbaar!

a)

exact prising

b)

sociale bewijskracht

c)

schaarste

d)

ankereffect

45.

Welke reclametechniek is dit?

Links staat de duurste Groot funko pop en rechts de goedkoopste.

a)

exact prising

b)

sociale bewijskracht

c)

schaarste

d)

ankereffect

46.

Welke zaken horen bij een groothandel?
Let op: er kunnen er meerdere zijn!

a)

verkoopt goederen

b)

verkoopt diensten

c)

verkoopt aan kleinhandel

d)

verkoopt aan de consument

47.

Welke zaken horen bij een kleinhandel?
Let op: er kunnen er meerdere zijn!

a)

verkoopt goederen

b)

verkoopt diensten

c)

= detailhandel

d)

verkoopt aan de consument

48.

Welke zaken horen bij een retailer?
Let op: er kunnen er meerdere zijn!

a)

verkoopt goederen

b)

verkoopt diensten

c)

verkoopt aan de groothandel

d)

verkoopt aan de consument

49.

Duid alle online verkoopkanalen aan.

a)

homeparty

b)

webshop

c)

apps

d)

fysieke winkel

50.

Duid alle offline verkoopkanalen aan.

a)

homeparty

b)

webshop

c)

automaat

d)

fysieke winkel

51.

Over welke keten gaat onderstaand voorbeeld?

Een landbouwer verkoopt zijn aardappelen in een automaat voor zijn boerderij.

a)

directe keten

b)

korte keten

c)

lange keten

52.

Over welke keten gaat onderstaand voorbeeld?

Een landbouwer verkoopt zijn aardappelen in de Colruyt.

a)

directe keten

b)

korte keten

c)

lange keten

53.

Over welke keten gaat onderstaand voorbeeld?

Een landbouwer verkoopt zijn aardappelen aan een groothandel die op zijn beurt aardappelen verkoopt aan een frituur.

a)

directe keten

b)

korte keten

c)

lange keten

54.

Goederen vanuit het buitenland naar België transporten heet:

(a)  

55.

Goederen vanuit België naar het buitenland transporten heet:

(a)  

56.

Juist of fout?

De vraag kent een dalend verloop.

a)

Juist

b)

Fout

57.

Juist of fout?

Het aanbod kent een dalend verloop.

a)

Juist

b)

Fout

58.

Vul aan.

Als het aanbod of de vraag stijgt. Dan verschuift de curve naar...

a)

Links

b)

Rechts

59.

Wat zijn de gevolgen?

De vraag stijgt en het aanbod blijft hetzelfde.

a)

De marktprijs stijgt

b)

De marktprijs daalt

c)

De evenwichtshoeveelheid daalt

d)

De evenwichtshoeveelheid stijgt

60.

Wat zijn de gevolgen?

Het aanbod stijgt en de vraag blijft hetzelfde.

a)

De marktprijs stijgt

b)

De marktprijs daalt

c)

De evenwichtshoeveelheid daalt

d)

De evenwichtshoeveelheid stijgt