wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

BESTA voortplanting & genetica_Week 1_Week 2

Total questions: 22

Worksheet time: 12mins

Name
Class
Date
1.

In welk antwoord is het complementaire karakter van de stikstofbases in DNA goed weergegeven?

a)

C-G | A-T

b)

A-T | C-U

c)

G-T | A-C

d)

A-U | G-C

2.

Wat vormt een nucleotide?

a)

Fosfaatgroep en stikstofbase

b)

Fosfaatgroep, suikergroep en stikstofbase

c)

Twee complementaire stikstofbases

d)

Suikergroep en stikstofbase

3.

Zet op volgorde van klein naar groot

a)

DNA-genoom-celkern-chromosoom-cel

b)

Genoom-DNA-chromosoom-celkern-cel

c)

DNA-chromosoom-genoom-celkern-cel

d)

Genoom-chromosoom-celkern-genoom-cel

4.

Organismen waarbij het dominante gen tot uiting komt in het fenotype kunnen zowel homozygoot als heterozygoot zijn voor deze eigenschap.

a)

Deze stelling is juist

b)

Deze stelling is onjuist

c)

Ik weet het niet

5.

In DNA wordt de stikstofbase adenine (A) gekoppeld met:

a)

A

b)

T

c)

C

d)

G

6.

Het hele proces van overschrijven van DNA op mRNA en het uiteindelijke vormen van een functioneel eiwit noem je...

a)

transcriptie

b)

translatie

c)

eiwitsynthese

d)

exocytose

7.

De code voor een aminozuur noem je een codon en is ..... stikstofbasen lang

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

8.

Transcriptie is ...

a)

Het overschrijven van de mRNA-code op aminozuren

b)

Het overschrijven van de mRNA-code op DNA

c)

Het overschrijven van de DNA-code op mRNA

d)

Het overschrijven van de DNA-code op aminozuren

9.

Een gen bevat de code voor het maken van ....

a)

Een eiwit

b)

Een ribosoom

c)

Een nucleotide

d)

Een aminozuur

10.

Als het codon AUG is waarvoor codeert het dan?

a)

His

b)

Pro

c)

START

d)

STOP

11.

3. Bij de honden van één ras is het DNA volledig identiek.

a)

juist

b)

onjuist

12.

Welk molecuul draagt genetische informatie in een cel?

a)

Proteïne

b)

Koolhydraten

c)

tRNA

d)

DNA

13.

RNA is dubbelstrengs.

a)

Waar

b)

Niet waar

14.

De man heeft 22 homologe chromosomenparen.

a)

Waar

b)

Niet waar

15.

Heterozygoot zijn twee allelen van een erfelijke eigenschap die gelijk zijn.

a)

Waar

b)

Niet waar

16.

Welke stikstofbase komt NIET voor in RNA?

a)

Guanine

b)

Cytosine

c)

Adenine

d)

Thymine

17.

Welk codon is een stopcodon?

a)

UGU

b)

AUU

c)

UGA

d)

GUA

18.

Uit hoeveel strengen bestaat DNA?

a)

1 streng

b)

2 strengen

c)

23 strengen

d)

46 strengen

19.

Als een allel altijd tot uiting komt, noem je dit ...

a)

Dominant

b)

Recessief

c)

Heterozygoot

d)

Homozygoot

20.

Een nucleotidevolgorde is ...

a)

Een aminozuur

b)

Recept voor aminozuren

c)

Recept voor ribosomen

21.

Variaties in DNA-sequentie zorgen ervoor dat ribosomen verschillende eiwitten maken.

a)

Waar

b)

Niet waar

22.

Uit welk onderdeel is DNA NIET opgebouwd.

a)

Fosfaat

b)

Stikstof

c)

Gameten

d)

Suiker