wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

De grote marketing quiz

Total questions: 31

Worksheet time: 16mins

Name
Class
Date
1.

 wat zijn juiste termen van de SWOT analyse?

a)

kansen, bedreigingen, sterktes, zwaktes

b)

sterktes, zwaktes, groei, krimp

2.

wat zijn de 3 juiste termen van het marketingproces

a)
Analyse, Execute, Monitor
b)
Research, Develop, Evaluate
c)
Analyse, Plan, Implement
3.

welke 5 fasen heb je in het marketing proces

a)
advertising, sales, distribution, promotion, and pricing
b)
research, execution, monitoring, adjustment, and evaluation
c)
product development, branding, customer service, market research, and sales
d)
analysis, planning, implementation, control, and review
4.

wat zijn de 6 correcte termen van het DESTEP model

a)
Demographic, Economic, Social, Technological, Ecological, and Political
b)
Economic, Educational, Societal, Technological, Environmental, and Psychological
c)
Geographical, Ethical, Societal, Technological, Environmental, and Psychological
d)
Historical, Educational, Spiritual, Technological, Environmental, and Psychological
5.

wat zijn de fasen van het aankoopbeslissingsproces

a)
Breakfast, lunch, dinner, dessert
b)
Sleeping, eating, exercising, working
c)
Reading, writing, speaking, listening
d)
Need recognition, information search, evaluation of alternatives, purchase decision, post-purchase behavior
6.

welke zit in de piramide van masloff

a)
sociale behoeften
b)
waardering
c)
veiligheid
d)
zelfontplooiing
7.

wat is een correcte ondernemersvorm

a)
eenmanschap
b)
coöperatie
c)
eenmansbedrijf
d)

eenmanszaak

8.

is bij sprake van een dienst, product of non-profit bij een apple iphone

a)
product
b)
organization
c)
charity
d)
service
9.

fysiek product, uitgebreid product of, totaal product? bij een iphone

a)

uitgebreid product

b)
virtueel product
c)

totaal product

d)
fysiek product
10.

als apple een nieuwe telefoon introduceert in welke fase van het produclevenscyclus zit deze dan?

a)
Afnamefase
b)
Volwassenheidsfase
c)
Groeifase
d)
Introductiefase
11.

bij welke is sprake van een fabrikantenmerk?

a)
Puma
b)
Adidas
c)
Reebok
d)
Nike
12.

bij welke is er sprake van diepte in het assortiment

a)
Bij een smal assortiment met weinig producten binnen dezelfde categorie.
b)
Bij een assortiment met producten van verschillende categorieën.
c)
Bij een breed assortiment met veel verschillende producten binnen dezelfde categorie.
d)
Bij een assortiment met producten van dezelfde categorie maar weinig variatie.
13.

wat is een voorbeeld van een specialty good?

a)
Timex horloge
b)
Swatch horloge
c)
Rolex horloge
d)
Casio horloge
14.

wanner is er sprake van kannibalisatie?

a)
Er is sprake van kannibalisatie wanneer een nieuw product de verkoop van een bestaand product van hetzelfde bedrijf vermindert.
b)
Er is sprake van kannibalisatie wanneer een bedrijf nieuwe producten ontwikkelt zonder rekening te houden met de bestaande producten.
c)
Kannibalisatie treedt op wanneer een bedrijf zijn producten verkoopt tegen een lagere prijs dan de concurrentie.
d)
Kannibalisatie gebeurt wanneer een bedrijf zijn producten promoot via sociale media.
15.

wanneer is er sprake van crossselling?

a)
Wanneer een bedrijf een product gratis weggeeft aan een klant
b)
Wanneer een bedrijf aan een klant een ander product of dienst probeert te verkopen dan waar de klant oorspronkelijk voor kwam.
c)
Wanneer een klant een product retourneert aan een bedrijf
d)
Wanneer een bedrijf een product verkoopt aan een andere onderneming
16.

bij welke distributiestrategie is er sprake van pushstrategie?

a)
Producten worden alleen verkocht via online kanalen
b)
Producten worden alleen gepromoot via mond-tot-mondreclame
c)
Producten worden alleen verkocht aan groothandels
d)
Producten worden actief gepromoot naar tussenpersonen of eindgebruikers zonder dat zij hier zelf om gevraagd hebben.
17.

bij welke situatie is er sprake van intensieve distributie?

a)
Wanneer een product alleen beschikbaar is in één specifieke winkel.
b)
Wanneer een product slechts online verkrijgbaar is.
c)
Wanneer een product beschikbaar is in zoveel mogelijk verkooppunten.
d)
Wanneer een product enkel te koop is tijdens speciale evenementen.
18.

waar is er sprake van distributiespreiding?

a)
Distributiespreiding treedt op wanneer de waarden van een dataset gelijkmatig over het bereik van mogelijke waarden zijn verdeeld.
b)
Distributiespreiding verwijst naar de mediaan van een dataset.
c)
Distributiespreiding heeft geen invloed op de dataset.
d)
Distributiespreiding treedt op wanneer de waarden van een dataset ongelijkmatig verdeeld zijn.
19.

bij welke beweging in de bedrijfskolom is er sprake van parallellisatie?

a)
productiebeweging
b)
marketingbeweging
c)
financieringsbeweging
d)
distributiebeweging
20.

waar is er sprake van concurrentie georiënteerde prijststrategie?

a)
Detailhandel, horeca, telecomsector
b)
Onderwijssector
c)
Automotive industrie
d)
Bouwsector
21.

wat is een voorbeeld van psychologische prijsstelling?

a)

1,-

b)

1.01 in plaats van 1.00

c)

0.99 cent in plaats van 1 euro

22.

in welk voorbeeld is er sprake van een abbonementsmodel?

a)
YouTube
b)

instagram

c)

tiktok

d)
Netflix
23.

wat is seizoenskorting?

a)
A type of fruit
b)
Seasonal discount offered by businesses during specific seasons or times of the year.
c)
A new technology trend
d)
A popular TV show
24.

bij welke is er sprake van een non-profit organisatie

a)
Een overheidsinstantie
b)
Een goed doel zoals een liefdadigheidsinstelling of een stichting
c)
Een start-up met investeerders
d)
Een winstgevend bedrijf
25.

wanneer is er sprake van een dienst

a)
Er is sprake van een dienst wanneer er een prestatie wordt verricht in ruil voor een vergoeding.
b)
Er is sprake van een dienst wanneer er geen ruil plaatsvindt.
c)
Er is sprake van een dienst wanneer er geen prestatie wordt verricht.
d)
Er is sprake van een dienst wanneer er geen vergoeding wordt gegeven.
26.

wanneer bevind een product zich in de groeifase

a)
Wanneer het product nog in de ontwikkelingsfase zit.
b)
Wanneer de verkoop begint te stijgen na de introductie op de markt.
c)
Wanneer de verkoop begint te dalen na de introductie op de markt.
d)
Wanneer er geen vraag meer is naar het product.
27.

wat is een naamloos vennootschap

a)
Een naamloos vennootschap is een vennootschap waarvan het kapitaal verdeeld is in aandelen die alleen door familieleden kunnen worden overgedragen.
b)
Een naamloos vennootschap is een vennootschap waarvan het kapitaal verdeeld is in aandelen die vrij overdraagbaar zijn.
c)
Een naamloos vennootschap is een vennootschap waarvan het kapitaal verdeeld is in aandelen die beperkt overdraagbaar zijn.
d)
Een naamloos vennootschap is een vennootschap waarvan het kapitaal verdeeld is in obligaties die vrij overdraagbaar zijn.
28.

wat is een besloten vennootschap

a)
Een besloten vennootschap is een type bedrijfsvorm in Nederland zonder aandelen.
b)
Een besloten vennootschap is een type bedrijfsvorm in Nederland met aandelen die niet vrij verhandelbaar zijn.
c)
Een besloten vennootschap is een type bedrijfsvorm in België met aandelen die vrij verhandelbaar zijn.
d)
Een besloten vennootschap is een type bedrijfsvorm in Duitsland met onbeperkte aandelen.
29.

wat is single channel distributie

a)
Selling products through multiple channels
b)
Selling products through no channels
c)
Selling products through online channels only
d)
Selling products through only one channel
30.

bij welke beweging in de bedrijfskolom is er sprake van specialisatie

a)
financieringsbeweging
b)
marketingbeweging
c)
distributiebeweging
d)
productiebeweging
31.

van welke beweging in de bedrijfskolom is er sprake van integratie

a)
Laterale integratie
b)
Horizontale integratie
c)
Diagonale integratie
d)
Verticale integratie