Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Taalverzorging 2_4.2 Spelling komma

Total questions: 14

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.

Maar goed ik vond het dus een heel erg mooie film.

a)

Maar goed ik vond het, dus een heel erg mooie film.

b)

Maar goed ik vond het dus, een heel erg mooie film.

c)

Maar goed, ik vond het dus een heel erg mooie film.

d)

Maar goed ik vond het dus een heel, erg mooie film.

2.

Melissa komt ook mee naar de stad hoewel ze eerst nog even de hond moet uitlaten.

a)

Melissa komt ook mee naar de stad hoewel, ze eerst nog even de hond moet uitlaten.

b)

Melissa komt ook mee naar de stad, hoewel ze eerst nog even de hond moet uitlaten.

c)

Melissa komt ook mee, naar de stad hoewel ze eerst nog even de hond moet uitlaten.

d)

Melissa komt ook mee naar de stad hoewel ze eerst nog even, de hond moet uitlaten.

3.

Wat er op televisie op radio en op internet wordt beweerd is lang niet altijd helemaal waar.

a)

Wat er op televisie op radio, en op internet wordt beweerd is lang niet altijd helemaal waar.

b)

Wat er op televisie, op radio en op internet wordt beweerd is lang niet altijd helemaal waar.

c)

Wat er op televisie, op radio en op internet, wordt beweerd is lang niet altijd helemaal waar.

d)

Wat er op televisie op radio en op internet, wordt beweerd is lang niet altijd helemaal waar.

4.

Een nijlpaard heeft in de onderkaak twee heel lange scherpe hoektanden.

a)

Een nijlpaard heeft in de onderkaak twee heel lange, scherpe hoektanden.

b)

Een nijlpaard heeft in de onderkaak twee heel, lange scherpe hoektanden.

c)

Een nijlpaard heeft in de onderkaak twee, heel lange scherpe hoektanden.

d)

Een nijlpaard heeft in de onderkaak, twee heel lange scherpe hoektanden.

5.

Weet je ik weet nog steeds niet of ik zal meegaan naar het feest Daan.

a)

Weet je, ik weet nog steeds niet of ik zal meegaan, naar het feest Daan.

b)

Weet je ik weet nog steeds niet, of ik zal meegaan naar het feest, Daan.

c)

Weet je, ik weet nog steeds niet of ik zal meegaan naar het feest, Daan.

d)

Weet je, ik weet nog steeds niet, of ik zal meegaan naar het feest Daan.

6.

Omdat ik na een week nog niets van mijn bestelling heb gehoord heb ik zelf het bedrijf gebeld.

a)

Omdat ik na een week nog niets van mijn bestelling heb gehoord heb, ik zelf het bedrijf gebeld.

b)

Omdat ik na een week nog niets van mijn bestelling heb, gehoord heb ik zelf het bedrijf gebeld.

c)

Omdat ik na een week nog niets van mijn bestelling heb gehoord, heb ik zelf het bedrijf gebeld.

d)

Omdat ik na een week, nog niets van mijn bestelling heb gehoord heb ik zelf het bedrijf gebeld.

7.

Hé ik heb precies dezelfde sportschoenen in het rood.

a)

Hé ik heb precies, dezelfde sportschoenen in het rood.

b)

Hé, ik heb precies dezelfde sportschoenen in het rood.

c)

Hé ik heb, precies dezelfde sportschoenen in het rood.

d)

Hé ik heb precies dezelfde sportschoenen, in het rood.

8.

We zouden nog langsgaan bij Willem de collega van mijn vader maar hij was niet thuis.

a)

We zouden nog langsgaan bij Willem, de collega, van mijn vader maar hij was niet thuis.

b)

We zouden nog langsgaan, bij Willem de collega van mijn vader, maar hij was niet thuis.

c)

We zouden nog langsgaan bij Willem, de collega van mijn vader maar hij was, niet thuis.

d)

We zouden nog langsgaan bij Willem, de collega van mijn vader, maar hij was niet thuis.

9.

Gebruik een komma tussen ​ (a)   die van plek kunnen wisselen.

Choose from the below words
bijvoeglijke naamwoorden
bijwoorden
zelfstandige naamwoorden
voegwoorden
10.

Zet komma's tussen de delen van een ​ (a)   .

Choose from the below words
opsomming
verkleinende trap
11.

Voor ​ (a)   of ​ schrijf je geen komma.

Choose from the below words
omdat
en / of
12.

Voor een ​ ​ (a)   , aanhef of uitroep aan het eind van de zin schrijf je een komma.

Choose from the below words
naam
zelfstandig naamwoord
werkwoord
13.

Voor een ​ (a)   zet je een komma, behalve voor en, of en dat.

Choose from the below words
zelfstandig naamwoord
bijwoord
voegwoord
14.

In een ​ (a)   noem je een zaak of persoon nog eens, maar dan met andere woorden.

Bijvoorbeeld: de heer Jacobsen, met die blonde haren, steekt de weg over.

Choose from the below words
aanhef
bijstelling
uitroep