Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

overview nask

Total questions: 53

Worksheet time: 30mins

Name
Class
Date
1.

De faseovergang van gas naar vast heet

(a)  

2.

De faseovergang van gas naar vloeibaar heet

(a)  

3.

Een thermometer meet:

a)

hoe warm het aanvoelt

b)

de temperatuur van de omgeving

4.

Waar kun je het beste de luchttemperatuur meten?

a)

in de zon

b)

dicht bij de grond

c)

1,5 m boven de grond, in een wit geschilderd kastje

d)

1,5 km boven de grond

5.

Hoe wordt de luchttemperatuur door weerkundigen gemeten?

a)

1,5 meter boven de grond, in een wit geschilderd kastje waar de lucht niet doorheen kan waaien

b)

1,5 meter boven de grond, in een wit geschilderd kastje waar de lucht wel doorheen kan waaien

c)

1,5 kilometer boven de grond, in een wit geschilderd kastje waar de lucht niet doorheen kan waaien

d)

1,5 kilometer boven de grond, in een wit geschilderd kastje waar de lucht wel doorheen kan waaien

6.

Vul in.

Als de temperatuur stijgt, zet de vloeistof in de (a)   van de thermometer uit.

7.

In de afbeelding wordt met de pijl aangegeven:

a)

stijgbuis

b)

reservoir

c)

schaalverdeling

8.

Hoe wordt een vloeistofthermometer afgelezen?

a)

Je kijkt waar de vloeistof begint. Dit punt vergelijk je met het cijfer op de stijgbuis.

b)

Je kijkt waar de vloeistof begint. Dit punt vergelijk je met het cijfer op het reservoir.

c)

Je kijkt waar de vloeistof eindigt. Dit punt vergelijk je met het cijfer op de schaalverdeling.

d)

Je kijkt waar de vloeistof eindigt. Dit punt vergelijk je met het cijfer op het reservoir.

9.

Wat is de Celsiusschaal?

a)

een schaal om aan te geven hoe hoog de vloeistof in de stijgbuis kan komen

b)

een schaalverdeling in graden Celsius die wordt gebruikt op thermometers

c)

een schaal om te bepalen of het koud is

d)

een schaalverdeling die het temperatuurverschil aangeeft

10.

Wat is graden Celsius?

a)

een schaalverdeling die wordt gebruikt op thermometers

b)

de eenheid van temperatuur

c)

de afstand op een thermometer die één graad temperatuursverhoging aangeeft

11.

Kies het juiste antwoord.

Een digitale thermometer bevat ....... vloeistof die uitzet en inkrimpt als de temperatuur stijgt of daalt.


a)

geen

b)

wel

12.

Peter heeft twee thermometers met exact dezelfde lengte. Op thermometer A is de afstand tussen 0 °C en 10 °C gelijk aan 5,0 cm.Op thermometer B is de afstand tussen 0 °C en 10 °C gelijk aan 10 cm.

Welke thermometer heeft het grootste meetbereik?

a)

Thermometer A

b)

Thermometer B

c)

Beide thermometers hebben een even groot meetbereik

d)

Dat kun je met deze gegevens niet weten.

13.

Een thermometer heeft een meetbereik van 20 °C tot 130 °C.

De afstand tussen het streepje bij 5 °C en 10 °C is 2 cm.

Hoeveel cm is de afstand tussen het streepje van 20°C en het streepje bij 130 °C?

a)

38

b)

40

c)

42

d)

44

14.

Keran heeft op een thermometer zonder schaalverdeling het nulpunt (0 °C) en het honderdpunt (100 °C) aangegeven. De twee streepjes staan 12 cm uit elkaar.

Hoeveel centimeter ligt het streepje van –20 °C onder het streepje van 0 °C?

a)

2,4

b)

2,0

c)

20

d)

1,8

15.

Bilal en Evi hebben zin in thee. Ze koken water in een fluitketel. Als het water in de fluitketel gaat koken, is vlak na de tuit (uitstroomopening) de eerste vier centimeter niets te zien.

            Na deze vier centimeter is duidelijk een wolkje zichtbaar.

In welke fase is het water de eerste vier centimeter na de tuit van de fluitketel?

(a)  

16.

Bilal en Evi hebben zin in thee. Ze koken water in een fluitketel. Als het water in de fluitketel gaat koken, is vlak na de tuit (uitstroomopening) de eerste vier centimeter niets te zien.

            Na deze vier centimeter is duidelijk een wolkje zichtbaar.

In welke fase is het water in het wolkje?

(a)  

17.

Bilal en Evi hebben zin in thee. Ze koken water in een fluitketel. Als het water in de fluitketel gaat koken, is vlak na de tuit (uitstroomopening) de eerste vier centimeter niets te zien.

            Na deze vier centimeter is duidelijk een wolkje zichtbaar.

In welke fase is het water in het wolkje?

(a)  

18.

De moleculen in een vloeistof hebben een vaste plaats.

a)

Waar

b)

Niet waar

19.

De moleculen van een vloeistof trekken elkaar aan.

a)

Waar

b)

Niet waar

20.

      Een druppel water heeft een vast volume.

a)

Waar

b)

Niet waar

21.

Als de temperatuur stijgt, gaan de moleculen minder hevig trillen.

a)

Waar

b)

Niet waar

22.

In een zuivere stof zijn alle moleculen van dezelfde soort.

a)

Waar

b)

Niet waar

23.

    Een kristalrooster ontstaat als moleculen op een regelmatige manier gestapeld worden.

a)

Waar

b)

Niet waar

24.

Een digitale thermometer bevat een schaalverdeling met een wijzer.

a)

Waar

b)

Niet waar

25.

Het kookpunt van een stof is een stofeigenschap.

a)

Waar

b)

Niet waar

26.

Ivo heeft op een thermometer zonder schaalverdeling het nulpunt (0 °C) en het honderdpunt (100 °C) aangegeven. De twee streepjes staan 12 cm uit elkaar. Als Ivo zijn zelfgemaakte thermometer in water van onbekende temperatuur plaatst, stijgt de alcohol in de stijgbuis tot 5,4 cm boven 0 °C.

Wat is de temperatuur van het water?

(a)  

27.

Je wilt een thermometer voorzien van het nulpunt.

Wat heb je nodig om het nulpunt te bepalen?

a)

Smeltend ijs

b)

Lauw water

c)

kokend water

28.

Een stof heeft verschillende fasen. Welke van de uitspraken gaat over een gas?

a)

In deze fase hebben de moleculen een vaste plaats.

b)

In deze fase is de afstand tussen moleculen erg groot.

c)

In deze fase heeft de stof een vaste vorm.

d)

In deze fase heeft de stof een vast volume.

29.

De faseovergang van vast naar gas heet (a)  

30.

In de winter komen er buiten soms "wolkjes" uit je mond.

a)

Dit zijn wolkjes rijp.

b)

Dit zijn wolkjes waterdamp.

c)

Dit zijn wolkjes condens.

d)

Dit zijn wolkjes ijskristallen.

31.

In welke fase is de onderlinge aantrekkingskracht tussen de moleculen het grootst?

a)

gas

b)

vloeibaar

c)

vast

d)

overal hetzelfde

32.

De temperatuur van een stof ligt tussen het smeltpunt en het kookpunt.

De fase is nu

a)

vast

b)

vloeibaar

c)

gas

d)

kun je niet weten

33.

Is dit een zuivere stof of een mengsel?

a)

Mengsel

b)

Zuivere stof

34.

Welke fase is weergegeven bij B?

(a)  

35.

Welke faseovergang is weergegeven met e?

a)

smelten

b)

stollen

c)

vervluchtigen

d)

rijpen

36.
de temperatuur van smeltend ijs is
a)
veranderlijk
b)
constant 0 graad celcius
c)
constant 0 fahrenheit
d)
constand 100 graad celcius
37.
vloeistoffen zetten meer uit dan vaste stoffen
a)
waar
b)
niet waar
c)
maakt niet uit
38.
Gassen kunnen ook uit zetten
a)
waar
b)
niet waar
c)
maakt niet uit
39.

Bereken het verschil tussen 2 graden celsius en 9 graden celsius.

a)
7 graden
b)
5 graden
c)
9 graden
d)

11 graden

40.

Bereken het verschil tussen -2 graden celsius en 9 graden celsius.

a)
11 graden celsius
b)
7 graden celsius
c)
-11 graden celsius
d)
-7 graden celsius
41.

Bereken het verschil tussen -2 graden celsius en -9 graden celsius.

a)

-7 graden celsius

b)

7 graden celsius

c)
11 graden celsius
d)
-11 graden celsius
42.

Bereken het verschil tussen 14 graden celsius en 23 graden celsius.

a)

10 graden celsius

b)
7 graden celsius
c)
11 graden celsius
d)

9 graden celsius

43.

Bereken het verschil tussen -14 graden celsius en 23 graden celsius.

a)

-37 graden celsius

b)
9 graden celsius
c)

37 graden celsius

d)
14 graden celsius
44.

Bereken het verschil tussen -14 graden celsius en -23 graden celsius.

a)
9 graden
b)
-9 graden
c)
37 graden
d)
-37 graden
45.

Vandaag is het 23 graden celsius en gisteren was het 17 graden celsius. Hoeveel warmer is het vandaag dan gisteren?

a)

4 graden

b)
5 graden
c)

6 graden

d)

7 graden

46.

Het is vandaag -1 graden celsius. Morgen is het ... graden celsius. Het wordt morgen 4 graden celsius warmer dan vandaag.

(a)  

47.

Je weet dat je een mengsel hebt wanneer de stof een ... heeft.

a)

smeltpunt

b)

smelttraject

c)

kleur

d)

meerdere atomen

48.

Deze stof is duidelijk zuiver omdat

a)

Hij een smeltpunt heeft

b)

Hij meerdere fasen heeft

c)

Hij begint als vaste stof

d)

Een rechte lijn heeft op het smeltpunt

49.

bij deze stoffen

a)

Is links is zuiver en rechts niet

b)

zijn beide zuiver

c)

Is rechts zuiver en links niet

d)

Zijn beide niet zuiver

50.

Bij een stolpunt gaat een stof

a)

van gas naar vast

b)

van vloeibaar naar vast

c)

van vloeibaar naar gas

d)

van vast naar gas

51.

Dit is

a)

een stoltraject van een zuivere stof

b)

een smelttraject van een zuivere stof

c)

een stoltraject van een onzuivere stof

d)

een smelttraject van een onzuivere stof

52.

De moleculen trillen op hun plaats. Bij welke fase hoort deze beschrijving?

a)

Gas

b)

Vast

c)

Vloeibaar

d)

Opgelost

53.

Welke fase worden hier afgebeeld van links naar rechts?

a)

vast-vloeibaar-gas

b)

gas-vloeibaar-vast

c)

vast-gas-vloeibaar

d)

Uit deze afbeelding kan ik geen fase aflezen