wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Schrijven NT2 B1

Total questions: 61

Worksheet time: 39mins

Name
Class
Date
1.

Wat zijn voegwoorden?

a)

Dat zijn woorden waarmee je zinnen aan elkaar voegt.

b)

Voegwoorden zijn woorden die een zin vragend maken.

2.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


Wij repareren uw fiets .... u boodschappen doet!

a)

intussen

b)

terwijl

c)

want

3.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


Kampioen zullen zij niet worden, … er een wonder gebeurt.

a)

tenzij

b)

indien

c)

doordat

4.

Wat is het voegwoord?


Zodra het startschot klinkt, starten de schaatsers.

a)

klinkt

b)

starten

c)

zodra

5.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


We gaan volgende week op vakantie, ........ oma die week geopereerd wordt.

a)

tenzij

b)

omdat

c)

zodra

d)

dus

6.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


Ik doe er niet aan mee, ........ ik het zaakje niet vertrouw.

a)

mits

b)

dus

c)

omdat

d)

hoewel

7.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


........ het nu mag of niet, we doen het!

a)

Dus

b)

Echter

c)

Of

d)

Zolang

8.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


Ik ben voor niemand bang, ........ kom maar op!

a)

want

b)

en

c)

maar

d)

dus

9.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


We stoppen met voetballen, ........ de bal is lek.

a)

want

b)

hoewel

c)

maar

d)

indien

10.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


Lees eerst de gebruiksaanwijzing …. u het apparaat in gebruik neemt.

a)

voordat

b)

als

c)

nadat

11.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


........ de voorraad strekt, kun je je spaarpunten inwisselen.

a)

Of

b)

Als

c)

Echter

d)

Zolang

12.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


Ik doe er niet aan mee, ........ ik het zaakje niet vertrouw.

a)

mits

b)

dus

c)

omdat

d)

hoewel

13.

___ de computer stuk was, is ons werkstuk niet af.

a)

Opdat

b)

Doordat

c)

Zodat

14.

Het fietspad was glad, ___ alle fietsers moesten afstappen.

a)

zodat

b)

omdat

c)

doordat

d)

opdat

15.

Hij leert hard, ___ hij een voldoende haalt.

a)

omdat

b)

doordat

c)

opdat

16.

Ik spreek af, ___ ik hem aardig vind.

a)

doordat

b)

zodat

c)

opdat

d)

omdat

17.

Vul het juiste verwijswoord in.

Waar heb je het zakje snoep neergelegd, die / dat Dex gisteren heeft gekocht?

a)

die

b)

dat

18.

Kies het juiste verwijswoord.

Tim heeft de jas van Noortje meegenomen. Deze / Dit moet hij straks aan hem / haar teruggeven.

a)

Deze, hem

b)

Deze, haar

c)

Dit, hem

d)

Dit, haar

19.

Kies het juiste verwijswoord.

De spelers moeten terugkomen op hun / zijn besluit om uit deze / dit team te stappen.

a)

hun, deze

b)

hun, dit

c)

zijn, deze

d)

zijn, dit

20.

Kies het juiste verwijswoord.

De koffiekopjes staan nog op dit / deze tafeltje. Wil jij hem / ze even opruimen?

a)

dit, hem

b)

deze, hem

c)

dit, ze

d)

deze, ze

21.

Kies het juiste verwijswoord.

Het paard die / dat op stal staat, is van mijn tante. Hij / Het heeft al aan veel wedstrijden meegedaan.

a)

die, Hij

b)

dat, Hij

c)

die, Het

d)

dat, Het

22.

Kies het juiste verwijswoord.

Het meisje dat / die daar loopt, zit bij mij in de klas. Hij / Zij kan goed voetballen.

a)

dat, Hij

b)

die, Hij

c)

dat, Zij

d)

die, Zij

23.

Vul het juiste verwijswoord in.

Waar heb je de zak snoep neergelegd, die / dat Dex gisteren heeft gekocht?

a)

die

b)

dat

24.

Kies het juiste verwijswoord.

De meisjes dat / die daar lopen, zitten bij mij in de klas. Hun / Zij kunnen goed voetballen.

a)

dat, Hun

b)

die, Hun

c)

dat, Zij

d)

die, Zij

25.
Wat is het verkleinwoordje van
mol?
a)
mollen
b)
molletje
c)
moletje
d)
mooletje
26.
Wat is het verkleinwoordje van
woning?
a)
woningje
b)
woninkje
c)
wooninkje
d)
woningkje
27.
Wat is het verkleinwoordje van
haring?
a)
haringetje
b)
harinkje
c)
haarinkje
d)
haringkje
28.
Wat is het verkleinwoordje van
bal?
a)
baletje
b)
balletje
c)
baaletje
d)
ballletje
29.
Wat is het verkleinwoord van baby?
a)
babytje
b)
baby'tje
c)
babietje
30.
Wat is het verkleinwoord van essay?
(Een essay is een soort opstel)
a)
essay'tje
b)
essaytje
31.
Wat is het verkleinwoord van taxi?
a)
taxitje
b)
taxietje
c)
taxi'tje
32.
Wat is het juiste verkleinwoord van 'café'?
a)
caféetje
b)
cafétje
c)
cafeetje
d)
café'tje
33.
Wat is het juiste verkleinwoord van 'radio'?
a)
radio'tje
b)
radiootje
c)
radiotje
34.
Wat is het verkleinwoord van menu?
a)
menuutje
b)
menu'tje
c)
menutje
35.
Wat is het verkleinwoord van opa?
a)
opa'je
b)
opatje
c)
opa'tje
d)
opaatje
36.
Wat is het verkleinwoord van cd?
a)
cdtje
b)
cd'je
c)
cd'tje
d)
cdje
37.
Wat is het verkleinwoord van ?
a)
€'tje
b)
€tje
38.

Wat is het verkleinwoord van lila?

a)

lilatje

b)

lilaatje

c)

lila'tje

39.

Welk verkleinwoord is FOUT?

a)

pannetje

b)

druifje

c)

appeltje

d)

pizzatje

40.

Welk verkleinwoord is FOUT?

a)

koffietje

b)

theetje

c)

gebakje

d)

schotelje

41.
Het meervoud van cd is cds.
a)
Waar
b)
Niet waar
42.
Wat is het meervoud van piano?
a)
Pianos
b)
Piano's
43.
Wat is het meervoud van alinea?
a)
Alineas
b)
Alinea's
44.
Wat is het meervoud van dictee?
a)
Dictees
b)
Dictee's
45.
Eén repetitie, twee ...
a)
Repetitie's
b)
Repetities
46.
Wat is het mv van 'moeilijkheid'
a)
Moeilijkheiden
b)
Moeilijkheids
c)
Moeilijkheden
d)
Moeilijkheidens
47.
Eén winkelcentrum, twee ... 
a)
Winkelcentrums
b)
Winkelcentra
c)
Winkelcentra's
d)
Winkelcentrums/winkelcentra
48.

Wat is de meervoudsvorm van fotograaf?

a)

Fotograven

b)

Fotografen

49.

Wat is juist?

a)

Bacteriën

b)

Bacterieën

50.

Welke meervoudsvormen zijn goed gespeld?

a)

Runderen

b)

Cafees

c)

Euro's

d)

Sprays

51.

Wat is verkleed voor woord in de volgende zin?

'De kinderen zijn verkleed.'

a)

Voltooid deelwoord

b)

Bijvoeglijk naamwoord

52.

Wat is verklede voor woord in de volgende zin?

'De verklede kinderen.'

a)

Bijvoeglijk naamwoord

b)

Voltooid deelwoord

53.

Kies het juiste bijvoeglijk naamwoord.

'De ... (stranden) vakantiegangers.'

a)

Gestrandde

b)

Gestrande

54.

Kies het juiste bijvoeglijk naamwoord.

'Het ... (braden) stukje vlees.'

a)

gebraden

b)

gebrade

55.

Kies het juiste bijvoeglijk naamwoord.

'Het ... (katoen) shirt.'

a)

katoene

b)

katoenen

56.

... (vinden) je het ook zo raar om niet op school te zijn?

a)

vind

b)

vindt

57.

Ik ben ... (vragen) om extra te komen werken.

a)

gevraagdt

b)

gevraagd

c)

gevraagt

58.

Let op: verleden tijd

Hij ... (stichten) de brand uit wraak.

a)

stichtte

b)

stichte

59.

De student ... (bevinden) zich aan de andere kant van de wereld.

a)

bevindt

b)

bevind

60.

Let op: verleden tijd.

De harde knal ... (leiden) tot veel huilende kinderen.

a)

Leide

b)

Leidde

61.

... (worden) je moeder morgen 50?

a)

wordt

b)

word