Font size
WorksheetsSchrijven NT2 B1
Total questions: 61
Worksheet time: 39mins
Wat zijn voegwoorden?
Dat zijn woorden waarmee je zinnen aan elkaar voegt.
Voegwoorden zijn woorden die een zin vragend maken.
Welk voegwoord moet worden ingevuld?
Wij repareren uw fiets .... u boodschappen doet!
intussen
terwijl
want
Welk voegwoord moet worden ingevuld?
Kampioen zullen zij niet worden, … er een wonder gebeurt.
tenzij
indien
doordat
Wat is het voegwoord?
Zodra het startschot klinkt, starten de schaatsers.
klinkt
starten
zodra
Welk voegwoord moet worden ingevuld?
We gaan volgende week op vakantie, ........ oma die week geopereerd wordt.
tenzij
omdat
zodra
dus
Welk voegwoord moet worden ingevuld?
Ik doe er niet aan mee, ........ ik het zaakje niet vertrouw.
mits
dus
omdat
hoewel
Welk voegwoord moet worden ingevuld?
........ het nu mag of niet, we doen het!
Dus
Echter
Of
Zolang
Welk voegwoord moet worden ingevuld?
Ik ben voor niemand bang, ........ kom maar op!
want
en
maar
dus
Welk voegwoord moet worden ingevuld?
We stoppen met voetballen, ........ de bal is lek.
want
hoewel
maar
indien
Welk voegwoord moet worden ingevuld?
Lees eerst de gebruiksaanwijzing …. u het apparaat in gebruik neemt.
voordat
als
nadat
Welk voegwoord moet worden ingevuld?
........ de voorraad strekt, kun je je spaarpunten inwisselen.
Of
Als
Echter
Zolang
Welk voegwoord moet worden ingevuld?
Ik doe er niet aan mee, ........ ik het zaakje niet vertrouw.
mits
dus
omdat
hoewel
___ de computer stuk was, is ons werkstuk niet af.
Opdat
Doordat
Zodat
Het fietspad was glad, ___ alle fietsers moesten afstappen.
zodat
omdat
doordat
opdat
Hij leert hard, ___ hij een voldoende haalt.
omdat
doordat
opdat
Ik spreek af, ___ ik hem aardig vind.
doordat
zodat
opdat
omdat
Vul het juiste verwijswoord in.
Waar heb je het zakje snoep neergelegd, die / dat Dex gisteren heeft gekocht?
die
dat
Kies het juiste verwijswoord.
Tim heeft de jas van Noortje meegenomen. Deze / Dit moet hij straks aan hem / haar teruggeven.
Deze, hem
Deze, haar
Dit, hem
Dit, haar
Kies het juiste verwijswoord.
De spelers moeten terugkomen op hun / zijn besluit om uit deze / dit team te stappen.
hun, deze
hun, dit
zijn, deze
zijn, dit
Kies het juiste verwijswoord.
De koffiekopjes staan nog op dit / deze tafeltje. Wil jij hem / ze even opruimen?
dit, hem
deze, hem
dit, ze
deze, ze
Kies het juiste verwijswoord.
Het paard die / dat op stal staat, is van mijn tante. Hij / Het heeft al aan veel wedstrijden meegedaan.
die, Hij
dat, Hij
die, Het
dat, Het
Kies het juiste verwijswoord.
Het meisje dat / die daar loopt, zit bij mij in de klas. Hij / Zij kan goed voetballen.
dat, Hij
die, Hij
dat, Zij
die, Zij
Vul het juiste verwijswoord in.
Waar heb je de zak snoep neergelegd, die / dat Dex gisteren heeft gekocht?
die
dat
Kies het juiste verwijswoord.
De meisjes dat / die daar lopen, zitten bij mij in de klas. Hun / Zij kunnen goed voetballen.
dat, Hun
die, Hun
dat, Zij
die, Zij
mol?
woning?
haring?
bal?
(Een essay is een soort opstel)
Wat is het verkleinwoord van lila?
lilatje
lilaatje
lila'tje
Welk verkleinwoord is FOUT?
pannetje
druifje
appeltje
pizzatje
Welk verkleinwoord is FOUT?
koffietje
theetje
gebakje
schotelje
Wat is de meervoudsvorm van fotograaf?
Fotograven
Fotografen
Wat is juist?
Bacteriën
Bacterieën
Welke meervoudsvormen zijn goed gespeld?
Runderen
Cafees
Euro's
Sprays
Wat is verkleed voor woord in de volgende zin?
'De kinderen zijn verkleed.'
Voltooid deelwoord
Bijvoeglijk naamwoord
Wat is verklede voor woord in de volgende zin?
'De verklede kinderen.'
Bijvoeglijk naamwoord
Voltooid deelwoord
Kies het juiste bijvoeglijk naamwoord.
'De ... (stranden) vakantiegangers.'
Gestrandde
Gestrande
Kies het juiste bijvoeglijk naamwoord.
'Het ... (braden) stukje vlees.'
gebraden
gebrade
Kies het juiste bijvoeglijk naamwoord.
'Het ... (katoen) shirt.'
katoene
katoenen
... (vinden) je het ook zo raar om niet op school te zijn?
vind
vindt
Ik ben ... (vragen) om extra te komen werken.
gevraagdt
gevraagd
gevraagt
Let op: verleden tijd
Hij ... (stichten) de brand uit wraak.
stichtte
stichte
De student ... (bevinden) zich aan de andere kant van de wereld.
bevindt
bevind
Let op: verleden tijd.
De harde knal ... (leiden) tot veel huilende kinderen.
Leide
Leidde
... (worden) je moeder morgen 50?
wordt
word
