wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Nederlands is tof!

Total questions: 20

Worksheet time: 7mins

Name
Class
Date
1.

Staan er fouten in deze zin of niet?
'Dat is jou huis, toch?'

a)

Helemaal juist!

b)

Ik zie een fout!

2.

Kies:
'Deze quiz is echt/egt moeilijk.'

a)

echt

b)

egt

3.

Staan er fouten in deze zin of niet?
'Dat is echt de slegste mop ooit.'

a)

Helemaal juist!

b)

Ik zie een fout!

4.

Staan er fouten in deze zin of niet?
'Het is bijna Paasvakantie!'

a)

Helemaal juist!

b)

Ik zie een fout!

5.

Staan er fouten in deze zin of niet?
'Kom, we gaan gauw naar huis.'

a)

Helemaal juist!

b)

Ik zie een fout!

6.

Staan er fouten in deze zinnen of niet?
'Ik zocht op het web naar een foto van een spin.
Liefst wou ik eentje van een spin zonder een spinnenweb,
maar dat bleek bijzonder moeilijk.'

a)

Helemaal juist!

b)

Ik zie een fout!

7.

Een meervoud van 'blad' is:

a)

bladeren

b)

blaadjes

8.

Kies:
'Is dat u/uw koffer, meneer?'

a)

u

b)

uw

9.

Kies:
'Ik ga zowieso/sowieso/zowiezo naar de training straks.'

a)

zowieso

b)

sowieso

c)

zowiezo

10.

Kies:
'Oh nee, een giftige paddestoel/paddenstoel!'

a)

paddenstoel

b)

paddestoel

11.

Kies:

'Het deeg moet nu reizen/rijzen.'

a)

reizen

b)

rijzen

12.

Kies:

'Mama drinkt nooit wijn/wein.'

a)

wijn

b)

wein

13.

Kies:

'We moeten onmiddelijk/onmiddellijk vertrekken.'

a)

onmiddelijk

b)

onmiddellijk

14.

Kies:

'Ik beantwoorde/beantwoordde de e-mail.'

a)

beantwoordde

b)

beantwoorde

15.

Kies:

'Mevrouw Gielis vind/vindt/vint jullie allemaal geweldig!'

a)

vind

b)

vindt

c)

vint

16.

Kies:

Gisteren loop/liep ik 10 kilometer en daarna ga/ging ik douchen.'

a)

loop/ga

b)

loop/ging

c)

liep/ging

d)

liep/ga

17.

Kies:

'Ik biedde/bood mijn excuses aan.'

a)

biedde

b)

bood

18.

Welke zin is juist?

a)

De leerling van 3A was blij: 'Eindelijk, de laatste vraag!'

b)

De leerling van 4A zuchtte: 'Ik ben de quiz beu'.

19.

Kies:

'Hij heeft het boek al gelezen/geleest/gelezen.'

a)

gelezen

b)

geleest

c)

gelozen

20.

Kies:

'De kinderen speelde/speelden buiten.'

a)

speelde

b)

speelden