wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

lijdend voorwerp en meewerkend voorwerp

Total questions: 47

Worksheet time: 24mins

Name
Class
Date
1.

Welke vraag geeft als antwoord het lijdend voorwerp (LV)?

a)

Wie of wat doet iets?

b)

Aan wie of voor wie + WWG + onderwerp ?

c)

Wie of wat + WWG + onderwerp ?

d)

Wat zijn de werkwoorden in de zin?

2.

Welke vraag geeft als antwoord het meewerkend voorwerp (MV)?

a)

Wie of wat + WWG + onderwerp ?

b)

Wat zijn de werkwoorden in de zin?

c)

Wie of wat doet iets?

d)

Aan wie / voor wie + WWG onderwerp + lijdend voorwerp?

3.

Wat is het lijdend voorwerp (LV) in deze zin?

Het meisje maakte een tekening voor haar moeder.

a)

het meisje

b)

een tekening

c)

maakte

d)

voor haar moeder

4.

Wat is het lijdend voorwerp (LV) in deze zin?

De bakker bakte het brood voor de buurvrouw.

a)

het brood

b)

bakte

c)

voor de buurvrouw

d)

de bakker

5.

Wat is het lijdend voorwerp (LV) in deze zin?

De burgemeester opende op maandag de bibliotheek.

a)

op maandag

b)

de burgemeester

c)

de bibliotheek

d)

opende

6.

Wat is het lijdend voorwerp (LV) in deze zin?

De boer heeft vanmorgen zijn koeien gemolken.

a)

zijn koeien

b)

vanmorgen

c)

heeft gemolken

d)

de boer

7.

Wat is het meewerkend voorwerp (MV) in deze zin?

De kinderen maken een tekening voor de juf.

a)

maken

b)

de kinderen

c)

voor de juf

d)

een tekening

8.

Wat is het meewerkend voorwerp (MV) in deze zin?

Het jongetje heeft zijn vriendje een snoepje gegeven.

a)

heeft gegeven

b)

zijn vriendje

c)

het jongetje

d)

een snoepje

9.

Wat is het meewerkend voorwerp (MV) in deze zin?

In de zomer spelen de kinderen aan het water.

a)

in de zomer

b)

de kinderen

c)

aan het water

d)

geen MV

10.

Wat is het meewerkend voorwerp (MV) in deze zin?

De slager geeft ze een stukje worst.

a)

ze

b)

een stukje worst

c)

de slager

d)

geen MV

11.

Wat is het lijdend voorwerp (LV) in deze zin?

Vorige zaterdag heeft mijn vader jullie weggebracht.

a)

vorige zaterdag

b)

mijn vader

c)

jullie

d)

geen LV

12.

Wat is het meewerkend voorwerp (MV) in deze zin?

Zijn vriendin heeft het mij verteld.

a)

mij

b)

het

c)

zijn vriendin

d)

geen MV

13.

Wat is het meewerkend voorwerp (MV) in deze zin?

De agent heeft mijn zus betrapt.

a)

geen MV

b)

mijn zus

c)

de agent

d)

betrapt

14.

Wat is het lijdend voorwerp (LV) in deze zin?

Ik heb mij vanmorgen vergist.

a)

ik

b)

vanmorgen

c)

geen LV

d)

mij

15.

Wat is het meewerkend voorwerp (MV) in deze zin?

Dat is voor mij te moeilijk.

a)

dat

b)

geen MV

c)

te moeilijk

d)

voor mij

16.

Heeft jullie hond een stamboom?

a)

onderwerp

b)

persoonsvorm

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

17.

Nee hoor, hij plast gewoon tegen elke boom die hij ziet.

a)

onderwerp

b)

persoonsvorm

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

18.

Een eendagsvlieg vliegt door het bos.

a)

onderwerp

b)

persoonsvorm

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

19.

Ze kan nog net een spinnenweb ontwijken.

a)

onderwerp

b)

persoonsvorm

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

20.

"Wacht maar!" schreeuwt de spin hem na.

a)

onderwerp

b)

persoonsvorm

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

21.

"Morgen krijg ik je wel."

a)

onderwerp

b)

persoonsvorm

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

22.

"Wedden van niet," roept de eendagsvlieg terug.

a)

onderwerp

b)

persoonsvorm

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

23.

Een oudere vrouw vraagt aan een jongen op straat: "Hou oud ben je?"

a)

onderwerp

b)

persoonsvorm

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

24.

De jongen antwoordt: "Negen jaar."

a)

onderwerp

b)

persoonsvorm

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

25.

"Aha! En wat wil je later graag worden?"

a)

onderwerp

b)

persoonsvorm

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

26.

"Tien jaar", zegt de jongen.

a)

onderwerp

b)

persoonsvorm

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

27.

Waarom ligt een haas zo snel in bed?

a)

onderwerp

b)

persoonsvorm

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

28.

Hij hoeft maar twee tanden te poetsen.

a)

onderwerp

b)

persoonsvorm

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

29.

Hij zegt: "Wie zichzelf dom vindt, gaat staan."

a)

onderwerp

b)

persoonsvorm

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

30.

Na enkele minuten ... Tim staat recht.

a)

onderwerp

b)

persoonsvorm

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

31.

De leraar vraagt aan Tim: "Denk je echt dat je dom bent?"

a)

onderwerp

b)

persoonsvorm

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

32.

Tim antwoordt: "Neen, maar ik vond het zo zielig dat u de enige was die rechtstaat!"

a)

onderwerp

b)

persoonsvorm

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

33.

Wat is het meewerkend voorwerp in deze zin?

De leraar mocht de geslaagden hun diploma overhandigen.

a)

de leraar

b)

de geslaagden

c)

hun diploma

d)

Er is geen meewerkend voorwerp.

34.

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?


Op tv maakte de generaal de staatsgreep bekend aan het volk?

a)

op tv

b)

de generaal

c)

de staatsgreep

d)

aan het volk

35.

Wat is het meewerkend voorwerp in deze zin?

Vertelde de leider zijn scouts vannacht een spookverhaal?

a)

de leider

b)

zijn scouts

c)

een spookverhaal

d)

Er is geen meewerkend voorwerp.

36.

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?


De gevraagde brochure zullen wij u vandaag nog toesturen.

a)

de gevraagde brochure

b)

wij

c)

u

d)

vandaag

37.

Wat is het meewerkend voorwerp in deze zin?


Om drie uur geeft de bondscoach de pers zijn opstelling door.

a)

om drie uur

b)

de bondscoach

c)

de pers

d)

zijn opstelling

38.

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?


Zou u mij een bord spaghetti willen opscheppen?

a)

u

b)

mij

c)

een bord spaghetti

d)

willen opscheppen

39.

Wat is het lijdend voorwerp in de volgende zin?


Waarom heeft niemand dat aan jou verteld?

a)

waarom

b)

niemand

c)

dat

d)

aan jou

40.

Wat is het lijdend voorwerp in onderstaande zin?

Mijn neefje van zes jaar oud wordt altijd door zijn oppas naar de hockeytraining gebracht.

a)

mijn neefje van zes jaar oud

b)

door zijn oppas

c)

naar de hockeytraining

d)

Er is geen lijdend voorwerp.

41.

Zoek het lijdend voorwerp:

Kleding kopen mijn vriendinnen altijd in de uitverkoop.

a)

kleding

b)

mijn vriendinnen

c)

vriendinnen

d)

uitverkoop

42.

Waar of niet waar?


In het zinnetje 'Hij heeft de hele middag gelezen' is ‘de hele middag’ een lijdend voorwerp.

a)

waar

b)

niet waar

43.
In welke zin staat een meewerkend voorwerp?
a)
De zangeres werd eerste tijdens de show.
b)
Ze juichte en sprong een gat in de lucht.
c)
De jury gaf haar de meeste stemmen van allemaal.
d)
Ze ging een schitterende carrière tegemoet. 
44.

(Benoem het onderstreepte zinsdeel) In de zomervakantie laden we onze kampeerspullen in de auto.

a)

Werkwoordelijk gezegde

b)

Onderwerp

c)

Lijdend voorwerp

d)

Meewerkend voorwerp

45.

(Benoem het onderstreepte zinsdeel) Ik heb haar nog nooit met vettig haar zien lopen.

a)

Werkwoordelijk gezegde

b)

Onderwerp

c)

Lijdend voorwerp

d)

Meewerkend voorwerp

46.

Welke zinsdelen komen niet voor in de schuingedrukte zin?

In deze boeken staat wel iets beschreven over Erasmus.

a)

O

b)

LV

c)

MV

d)

LV en MV

47.

Zoek het onderwerp

Niemand was bij de intocht van Sinterklaas onder de indruk van de rode Pieten.

a)

de intocht van Sinterklaas

b)

de rode Pieten

c)

de indruk

d)

niemand