wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Moleculen - W1-4

Total questions: 60

Worksheet time: 37mins

Name
Class
Date
1.

In welke erlenmeyer zijn de cohesiekrachten (aantrekkingskrachten) tussen de deeltjes het grootst?

a)

LINKS

b)

MIDDEN

c)

RECHTS

d)

OVERAL HETZELFDE

2.

In welke erlenmeyer bewegen de deeltjes?

a)

LINKS

b)

MIDDEN

c)

RECHTS

d)

IN ALLEMAAL

e)

IN GEEN ENKELE

3.

Wat is de aggregatietoestand?

a)
vast
b)

vloeibaar

c)

gas

4.

Wat is de aggregatietoestand?

a)
vast
b)

vloeibaar

c)

gas

5.

Welke faseovergang zie je hier?

a)

verdampen

b)

sublimeren

c)

stollen

d)

smelten

6.

De faseovergang van vloeibaar naar vast is ...

a)

stollen

b)

verdampen

c)

smelten

d)

condenseren

7.

Welke faseovergang zie je hier?

a)

stollen

b)

sublimeren

c)

verdampen

d)

desublimeren

8.

Welke faseovergang zie je hier?

a)

stollen

b)

smelten

c)

condenseren

d)

rijpen

9.
vaste stoffen kunnen .......
a)

smelten en sublimeren

b)
smelten en stollen
c)
stollen en vervluchtigen
d)
vervluchtigen en rijpen
10.

Wat gebeurt er met de moleculen tijdens het condenseren van een stof?

Duid alle juiste antwoorden aan.

a)

De moleculen verkleinen

b)

De moleculen gaan sneller bewegen

c)

De moleculen gaan trager bewegen

d)

De ruimte tussen de deeltjes verkleint

e)

De ruimte tussen de deeltjes vergoot

11.

Welke twee uitspraken zijn juist?

a)

water krimpt als het bevriest

b)

water zet uit als het bevriest

c)

zilver zet uit als het stolt

d)

zilver krimpt als het stolt

e)

Er is geen verandering in volume wanneer stoffen worden afgekoeld

12.

Wanneer kan je zo'n situatie aantreffen?

a)

In de zomermaanden, wanneer er te veel ruimte tussen de sporen is voorzien.

b)

In de zomermaanden, wanneer er te weinig ruimte tussen de sporen is voorzien.

c)

In de wintermaanden, wanneer er te veel ruimte tussen de sporen is voorzien.

d)

In de wintermaanden, wanneer er te weinig ruimte tussen de sporen is voorzien.

13.

Dit verschijnsel heeft te maken met ...

a)

aggregatietoestanden en faseovergangen

b)

uitzetten en krimpen

c)

stofomzettingen

d)

zuivere stoffen en mengsels

14.
Hoeveel atomen heeft deze molecule? H2O
a)
1
b)
3
c)
4
15.

Hier zie je water in de ...

a)

vaste fase

b)

vloeibare fase

c)

gasvormige fase

16.
Gassen kunnen ook uit zetten
a)
waar
b)
niet waar
c)

geen idee

17.

Duid de correcte stelling aan.

a)

Een vloeistof is goed samendrukbaar aangezien er relatief veel lege ruimte tussen de deeltjes zit.

b)

Een vloeistof is goed samendrukbaar aangezien er relatief weinig lege ruimte tussen de deeltjes zit.

c)

Een vloeistof is niet goed samendrukbaar aangezien er relatief veel lege ruimte tussen de deeltjes zit.

d)

Een vloeistof is niet goed samendrukbaar aangezien er relatief weinig ruimte tussen de deeltjes zit.

18.

lucht krimpt als het afkoelt

a)

waar

b)

niet waar

19.

Voor welke faseovergangen moet je energie TOEVOEGEN?

a)

smelten

b)

stollen

c)

verdampen

d)

sublimeren

e)

condenseren

20.

Welke faseovergang zie je hier?

a)

bevriezen

b)

sublimeren

c)

verdampen

d)

condenseren

21.

Als je water van 16°C verwarmt tot 88°C dan zal het uitzetten.

a)

waar

b)

niet waar

c)

geen idee

22.
een vloeistof heeft een vaste vorm
a)
niet waar
b)
soms
c)
waar
d)
weet niet
23.

Welke aggregatietoestand zoeken we?

"Het is samendrukbaar en vervormbaar."

a)

vast

b)

vloeibaar

c)

gas

24.

Tussen de moleculen van een gas zit lucht

a)

juist

b)

onjuist

25.

Als een voorwerp uitzet, wordt het volume groter.

a)

soms

b)

vaak

c)

altijd

d)

nooit

26.

water kent zijn kleinste volume op ...

a)

-20°C

b)

0°C

c)

4°C

d)

30°C

27.

Welke uitspraak is juist bij deze foto?

a)

het water is verwarmd

de olie is afgekoeld

b)

ze zijn beiden afgekoeld

c)

het water is afgekoeld de olie is verwarmd

d)

ze zijn beiden opgewarmd

28.

laagjescocktail:

Welke uitspraak is juist?

a)

bovenaan: kleinste volume

onderaan: grootste volume

b)

bovenaan: kleinste massa

onderaan: grootste massa

c)

bovenaan: grootste massadichtheid

onderaan: kleinste massadichtheid

d)

bovenaan: kleinste massadichtheid

onderaan: grootste massadichtheid

29.

Bij het experiment met de bol van 's Gravesande, zet de bol uit als je hem verwarmt.

a)
waar
b)
niet waar
c)

Geen idee

30.

Op de foto zie je een:

a)

zuivere stof

b)

mengsel

31.

Hoeveel verschillende soorten deeltjes bevat dit mengsel?

a)

3

b)

1

c)

4

d)

2

32.

Dit laat een mengsel zien.

a)

Waar

b)

Niet Waar

33.

Wat is geen mengsel?

a)

Wijn

b)

Kraanwater

c)

Suiker

d)

Cola

34.

Dit is een deeltjesmodel van een ...?

a)

zuivere stof

b)

mengsel

35.

Goud is een

a)

Zuivere stof

b)

Mengsel

36.

Bij een chemische omzetting...

a)

Worden er nieuwe atomen gemaakt

b)

worden er nieuwe moleculen gemaakt

c)

verandert enkel de afstand tussen de moleculen

37.

Een chemische omzetting ...

a)

is meestal onomkeerbaar

b)

is wel omkeerbaar

c)

is hetzelfde als een faseovergang

38.

Het rotten van voedsel is een voorbeeld van...

a)

een faseovergang

b)

een atoom

c)

een chemische reactie

39.

Het bakken van vlees is een ...

a)

faseovergang

b)

stofomzetting

c)

geen van beiden

40.

Het maken van een sneeuwman

a)

faseovergang

b)

stofomzetting

c)

geen van beiden

41.

Warm kaarsvet verhard bij afkoeling. Dit is een voorbeeld van ...

a)

faseovergang

b)

stofomzetting

c)

geen van beiden

42.

Je ziet hier een voorbeeld van een ...

a)

faseovergang

b)

chemische omzetting

c)

geen van beiden

43.

Je ziet hier een voorbeeld van een ...

a)

faseovergang

b)

chemische omzetting

c)

geen van beiden

44.

Bij een faseovergang breken de moleculen op in kleinere stukken.

a)

juist

b)

fout

45.

Je mengt water en zout met elkaar.

a)

Dit is een chemische omzetting

b)

Dit is een faseovergang

c)

Dit is geen van beiden

46.

Bakpoeder en azijn worden gemengd met elkaar. Er ontstaat een gas (CO2).

a)

Dit is een chemische omzetting

b)

Dit is een faseovergang

c)

Dit is geen van beiden

47.

Kijk naar de afbeelding. Dit is een ...

a)

chemische omzetting

b)

faseovergang

c)

geen van de twee

48.

Tussen de moleculen zit lucht

a)

Juist

b)

Fout

49.

Moleculen zijn eigenlijk atomen die "samenhangen"

a)

juist

b)

fout

50.

Op de afbeelding zie je een ...

a)

samengestelde zuivere stof

b)

enkelvoudige zuivere stof

c)

mengsel van 2 soorten moleculen

d)

mengsel van één soort moleculen

51.

Op de afbeelding zie je een ...

a)

samengestelde zuivere stof

b)

enkelvoudige zuivere stof

c)

mengsel van twee moleculen

d)

mengsel van 4 moleculen

52.

Op de afbeelding zie je een ...

a)

Homogeen mengsel

b)

Heterogeen mengsel

c)

zuivere stof

d)

oplossing

53.

Op de afbeelding zie je een ...

a)

homogeen mengsel

b)

heterogeen mengsel

c)

samengestelde zuivere stof

54.

"Een ijsblokje van smelt in water."

a)

chemische reactie

b)

faseovergang

c)

oplossing

55.

Op de afbeelding zie je een...

a)

fysisch verschijnsel

b)

chemisch verschijnsel

c)

geen van beiden

d)

chemische reactie

56.

Op de afbeelding zie je ...

a)

fysisch verschijnsel

b)

chemische reactie

c)

een mengsel ontstaan

57.

Op de afbeelding zie je...

a)

fysisch verschijnsel

b)

chemische reactie

58.

Een enkelvoudige zuivere stof ...

a)

Bestaat uit één soort moleculen

b)

Bestaat uit één soort atomen

c)

Bestaat uit meerdere soorten moleculen

d)

Bestaat uit meerdere soorten atomen

59.

Een samengestelde zuivere stof ...

a)

Bestaat uit één soort moleculen

b)

Bestaat uit één soort atomen

c)

Bestaat uit meerdere soorten moleculen

d)

Bestaat uit meerdere soorten atomen

60.

Bij een homogeen mengsel...

a)

zie je niet dat het een mengsel is

b)

zie je duidelijk wel dat het een mengsel is

c)

Bestaat het uit een soort moleculen