wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

1 KGT Waarneming en gedrag

Total questions: 78

Worksheet time: 36mins

Name
Class
Date
1.

Het knorren van je maag omdat je honger hebt is een voorbeeld van een ....

a)

Uitwendige prikkel

b)

Inwendige prikkel

2.

Het op rood springen van een stoplicht waardoor je gaat remmen is een voorbeeld van een....

a)

Uitwendige prikkel

b)

Inwendige prikkel

3.

Je ziet de reclameborden van de pizzeria en krijgt trek. Dit is een voorbeeld van een ...

a)

Sleutelprikkel

b)

Supernormale prikkel

c)

Uitwendige prikkel

d)

Inwendige prikkel

4.

Je ziet hier een voorbeeld van...

a)

Aangeboren gedrag

b)

Aangeleerd

gedrag

5.

Je ziet hier een voorbeeld van...

a)

Aangeboren gedrag

b)

Aangeleerd

gedrag

6.

Alles wat een dier doet is gedrag, behalve stil slapen.

a)

Goed

b)

Fout

7.

Jonge vogels sperren in reactie op

a)

Zien van ouders

b)

Honger

c)

Honger en zien van ouders

d)

broertjes en zusjes die sperren

8.

Honger en angst zijn voorbeelden van inwendige prikkels bij mensen.

a)

Goed

b)

Fout

9.

De hond ligt verdrietig in de mand.

a)

Goede biologische beschrijving

b)

Foute biologische beschrijving

10.

De kat ligt stil bij de baas op schoot en spint zacht.

a)

Goede biologische beschrijving

b)

Foute biologische beschrijving

11.

Gedrag ontstaat doordat dieren reageren op inwendige en uitwendige prikkels

a)

Goed

b)

Fout

12.

Jonge dieren leren door te spelen

a)

Goed

b)

Fout

13.

Je hebt leren schrijven door

a)

Imiteren en oefenen

b)

Imiteren

c)

Beloning en straf

d)

Inzicht

14.

De zuigreflex bij een baby is een voorbeeld van

a)

Aangeboren gedrag

b)

Een reflex

c)

Beide

15.

Reflexen zijn snelle reacties die bewust gebeuren

a)

Goed

b)

Fout

16.

De meeste reflexen beschermen je lichaam tegen beschadigingen en vergroten de kans op overleven

a)

Goed

b)

Fout

17.

Voorbeelden van verbaal gedrag zijn: lichaamshouding, geuren, kleuren en bewegingen

a)

Goed

b)

Fout

18.

Wat is een zintuig?

a)

Een orgaan waarmee je prikkels opvangt

b)

Een orgaan waarmee je impulsen opvangt

c)

Een onderdeel van de hersenen

d)

Een cel die impulsen vervoert door het lichaam

19.

Welke zintuigen zitten in de huid?

a)

Tast, druk, warmte, koude en pijn

b)

Tast, druk, warmte, koude en gehoor

c)

Warmte, koude, zicht en pijn

d)

Smaak en reuk

20.

Welk deel van een zintuig maakt impulsen wanneer het prikkels opvangt?

a)

De tastknopjes

b)

De zintuigcellen

c)

De zenuwcellen

d)

De impulscellen

21.

Uit welke delen bestaat het centrale zenuwstelsel?

a)

Alle zenuwcellen van het lichaam

b)

De hersenen en het ruggenmerg

c)

Alle zintuigen van het lichaam

d)

Alle zenuwcellen en spieren van het lichaam

22.

Wat is de functie van talgklieren?

a)

Zweet produceren om het lichaam af te koelen

b)

Talg produceren om haren en hoornlaag soepel te houden

c)

Talg produceren om bacteriën op de huid te doden

d)

Prikkels opvangen

23.

Welke lagen heeft de huid, van buiten naar binnen

a)

Opperhuid - lederhuid - onderhuids bindweefsel

b)

Opperhuid - onderhuids bindweefsel - lederhuid

c)

Lederhuid - onderhuids bindweefsel - opperhuid

d)

Onderhuids bindweefsel - lederhuid - opperhuid

24.

Op welke prikkel reageren tastknopjes in de huid?

a)

Zachte aanraking

b)

Harde aanraking

c)

Warmte en koude

d)

Pijn

25.

Waar liggen de zintuigcellen van het reukzintuig?

a)

Voor in de neus, bij de neusvleugels

b)

Bovenin de neusholte

c)

Tegen het gehemelte in je mond

d)

Achterin de keelholte

26.

Wat is de functie van het neusslijmvlies?

a)

Stof en ziekteverwekkers tegenhouden

b)

Geurstoffen opvangen

c)

Neusharen soepel maken

d)

Impulsen maken

27.

Hoeveel smaken kan een mens proeven met de tong?

a)

5

b)

4

c)

6

d)

3

28.

Waarom proef je je eten minder goed als je verkouden bent?

a)

Het reukzintuig wordt geblokkeerd door snot

b)

Er liggen te veel bacteriën op je tong

c)

Je krijgt traanogen

d)

Je tong maakt minder impulsen

29.

Waar liggen de zintuigcellen van het gehoorzintuig?

a)

In de oorschelp

b)

Tegen het trommelvlies

c)

In de gehoorzenuw

d)

In het slakkenhuis

30.

Wat is de functie van de Buis van Eustachius?

a)

Zorgen dat de druk rondom het trommelvlies gelijk blijft zodat het goed kan trillen

b)

Zorgen dat er geen bacteriën vanuit de keelholte naar de trommelholte kunnen

c)

Trillingen doorgeven van de oorschelp naar het trommelvlies

d)

Impulsen vanuit het oor doorgeven aan de hersenen

31.

Welk zintuig hoort bij het werkwoord "zien"?

a)

Het gezichtszintuig

b)

Het zienzintuig

c)

Het kijkzintuig

d)

Het oogzintuig

32.

Wat is de functie van de ooglens?

a)

Zorgen dat licht goed (scherp) op het netvlies valt

b)

Licht opvangen en impulsen maken

c)

Zorgen dat de pupil groter en kleiner kan worden

d)

Inzoomen en uitzoomen

33.

Waar in het oog liggen de zintuigcellen?

a)

Op het harde oogvlies

b)

Op het vaatvlies

c)

Op het netvlies

d)

Op de iris

34.

Als je vanuit een donkere ruimte naar een lichte ruimte loopt, welke spiertjes in de iris spannen zich dan aan?

a)

De kringspieren

b)

De lengtespieren

c)

Er zitten geen spieren in de iris

d)

Zowel de kringspieren als de lengtespieren

35.

Aangeboren of aangeleerd?

a)

Aangeboren

b)

Aangeleerd

36.

Aangeboren of aangeleerd?

a)

Aangeboren

b)

Aangeleerd

37.

Aangeboren of aangeleerd?

a)

Aangeboren

b)

Aangeleerd

38.

Aangeboren of aangeleerd?

a)

Aangeboren

b)

Aangeleerd

39.

Aangeboren of aangeleerd?

a)

Aangeboren

b)

Aangeleerd

40.

Aangeboren of aangeleerd?

a)

Aangeboren

b)

Aangeleerd

41.

Aangeboren of aangeleerd?

a)

Aangeboren

b)

Aangeleerd

42.

Aangeboren of aangeleerd?

a)

Aangeboren

b)

Aangeleerd

43.

Aangeboren of aangeleerd?

a)

Aangeboren

b)

Aangeleerd

44.

Aangeboren of aangeleerd?

a)

Aangeboren

b)

Aangeleerd

45.

Aangeboren of aangeleerd?

a)

Aangeboren

b)

Aangeleerd

46.

Aangeboren of aangeleerd?

a)

Aangeboren

b)

Aangeleerd

47.

Aangeboren of aangeleerd?

a)

Aangeboren

b)

Aangeleerd

48.

Aangeboren of aangeleerd?

a)

Aangeboren

b)

Aangeleerd

49.

Aangeboren of aangeleerd?

a)

Aangeboren

b)

Aangeleerd

50.

Aangeboren of aangeleerd?

a)

Aangeboren

b)

Aangeleerd

51.

Aangeboren of aangeleerd?

a)

Aangeboren

b)

Aangeleerd

52.

Aangeboren of aangeleerd?

a)

Aangeboren

b)

Aangeleerd

53.

Aangeboren of aangeleerd?

a)

Aangeboren

b)

Aangeleerd

54.

Aangeboren of aangeleerd?

a)

Aangeboren

b)

Aangeleerd

55.

Er zijn vijf zintuigen. Welke zijn dit?

a)

Smaak, reuk, horen, spelen en voelen

b)

Smaak, reuk, voelen, horen en zien

c)

Smaak, lopen, voelen, horen en zien

d)

Smaak, reuk, eten, voelen en zien

56.

Als ik mij verbrand, dan moet ik

a)

Onder warm water houden

b)

Niets, het gaat vanzelf wel over

c)

Koelen onder een lauw warme kraan

d)

De regendans doen

57.

Welke prikkel hoort bij de ogen? En bij de oren?

a)

Smaken en warmte/kou

b)

Geluid en smaken

c)

Geluid en druk/aanraking

d)

Licht en geluid

58.

De huid bestaat uit twee lagen. Welke zijn dit?

a)

Hoornlaag en lederhuid

b)

Opperhuid en lederhuid

c)

Kiemlaag en lederhuid

d)

Hoornlaag en opperhuid

59.

Dankzij zweetklieren kan je lichaam afkoelen

a)

Juist

b)

Onjuist

60.

Wat is nummer 3?

a)

Zweetklier

b)

Bloedvat

c)

Talgklier

d)

Haarzakje

61.

Wat is de functie van talgklieren?

a)

Zweet produceren om het lichaam af te koelen

b)

Talg produceren om haren en hoornlaag soepel te houden

c)

Talg produceren om bacteriën op de huid te doden

d)

Prikkels ontvangen

62.

Welk nummer is de zweetklier?

a)

5

b)

8

c)

2

d)

3

63.

Beschermen tegen uitdroging is een van de functies van de huid

a)

Onjuist

b)

Juist

64.

Wat is nummer 6?

a)

Oorgang

b)

Het slakkenhuis

c)

Trommelvlied

d)

De buis van Eustachius

65.

Wat houdt het trommelvlies soepel?

a)

Oorsmeerkliertjes

b)

Oorschelp

c)

Gehoorgang

d)

Het slakkenhuis

66.

Met welk nummer is de gehoorzenuw aangegeven?

a)

1

b)

8

c)

6

d)

3

67.

Geluid is een?

a)

Zintuig

b)

Prikkel

c)

Waarneming

d)

Impuls

68.

Wat is nummer 6?

a)

Lens

b)

Blinde vlek

c)

Hoornvlies

d)

Gele vlek

69.

Met deze vlek kun je niets zien.

a)

Lege vlek

b)

Zenuw vlek

c)

Gele vlek

d)

Blinde vlek

70.

In welk nummer ontstaan er impulsen?

a)

1

b)

4

c)

8

d)

9

71.

Met dit deel van het oog kun je scherp zien.

a)

Iris

b)

Lens

c)

Harde oogvlies

d)

Pupil

72.

Iemand die dichtbij scherp ziet noem je

a)

Verziend

b)

Bijziend

73.

Waar staat de juiste volgorde van gebeurtenissen?

a)

Impuls-prikkel-hersenen

b)

Impuls-hersenen-prikkel

c)

Prikkel-impuls-hersenen

d)

Hersenen-prikkel-impuls

74.

Wat is een goed voorbeeld van een prikkel?

a)

Zien

b)

Horen

c)

Stoten

d)

Licht

75.

Wat is een goed voorbeeld van een prikkel?

a)

Zien

b)

Horen

c)

Stoten

d)

Licht

76.

Wat is de functie van de ooglens?

a)

Zorgen dat licht goed (scherp) op het netvlies valt

b)

Licht opvangen en impulsen maken

c)

Zorgen dat de pupil groter en kleiner kan worden

d)

Inzoomen en uitzoomen

77.

Waar in het oog liggen de zintuigcellen?

a)

Op het harde oogvlies

b)

Op het vaatvlies

c)

Op het netvlies

d)

Op de iris

78.

Wat is een zintuig?

a)

Een orgaan waarmee je prikkels opvangt

b)

Een orgaan waarmee je impulsen opvangt

c)

Een onderdeel van de hersenen

d)

Een cel die impulsen vervoert door het lichaam