Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

2HV T6 Ecologie B1-6

Total questions: 40

Worksheet time: 22mins

Name
Class
Date
1.

Een regenbui is een...

a)

Abiotische factor

b)

Biotische factor

2.

Roodborstjes vormen samen met hun voedsel, de rupsen, een populatie.

a)

Juist

b)

Onjuist

3.

Een roodborstje bouwt een nest in een boom. Voor een roodborstje is nestgelegenheid een ... factor.

a)

Abiotische

b)

Biotische

4.

Wat is een juist voorbeeld van een levensgemeenschap?

a)

Roodborstjes samen met hun voedsel (rupsen) in een bos.

b)

Alle populaties samen op de Veluwe (natuurgebied).

c)

Alle abiotische en biotische factoren op de Veluwe (natuurgebied).

d)

Alle individuen van dezelfde soort die samenleven in een bos.

5.

Wat is een juist voorbeeld van een ecosysteem?

a)

Alle abiotische factoren (water, rots, bodem, etc.) in een bos.

b)

Alle populaties samen op de Veluwe (natuurgebied).

c)

Alle abiotische en biotische factoren op de Veluwe (natuurgebied).

d)

Alle individuen van dezelfde soort die samenleven in een bos.

6.

Selecteer de biotische factoren.

a)

De bacteriën in het water.

b)

Het plastic op de grond.

c)

Zuurstof in de lucht.

d)

De poep van een koe.

e)

Het skelet van een vogel.

7.

Wat is de juiste volgorde van GROOT naar KLEIN?

a)

Ecosysteem - levensgemeenschap - populatie - individu

b)

Levensgemeenschap - populatie - ecosysteem - individu

c)

Individu - populatie - levensgemeenschap - ecosysteem

d)

Ecosysteem - populatie - levensgemeenschap - individu.

8.

De tweede schakel in een voedselketen kan...

a)

Alleen een plant zijn

b)

Alleen een dier zijn

c)

Zowel een plant of een dier zijn

9.

Wat is een goed voorbeeld van reducenten?

a)

Parasieten en schimmels.

b)

Bacteriën en afvaleters

c)

Schimmels en bacteriën

d)

Parasieten en afvaleters.

10.

De eerste schakel is ALTIJD een...

a)

Plant (producent)

b)

Plant (consument)

c)

Dier (producent)

d)

Dier (consument)

11.

Afvaleters is een ander woord voor reducenten.

a)

Juist

b)

Onjuist

12.

Welke van deze dieren behoren tot de consumenten van de 1e orde?

a)

Alleen de haas.

b)

Alleen de vos.

c)

De wezel en de vos.

d)

Alle drie behoren daartoe.

13.

Kijk naar de afbeelding. Hoe lang is in dit voedselweb de langst mogelijke voedselketen?

a)

3 schakels

b)

4 schakels

c)

5 schakels

14.

De muis is...

a)

Producent

b)

Consument van de 1e orde

c)

Consument van de 2e orde

15.

De adelaar is in dit voedselweb consument van de...

a)

2e orde

b)

3e orde

c)

4e orde

16.

Selecteer volgens het voedselweb alle planteneters.

a)

Hert

b)

Muis

c)

Kikker

d)

Sprinkhaan

e)

Slang

17.

Selecteer volgens het voedselweb alle vleeseters.

a)

Adelaar

b)

Muis

c)

Kikker

d)

Hert

e)

Slang

18.

Een alleseter...

a)

Eet alle planten in zijn leefomgeving.

b)

Eet zowel planten als dieren.

c)

Eet alle dieren in zijn leefomgeving.

d)

Eet letterlijk alles.

19.

Het klimaat wordt bepaald door...

a)

Alleen abiotische factoren.

b)

Alleen biotische factoren.

c)

Zowel abiotische- als biotische factoren.

20.

De populatiegrootte is afhankelijk van...

a)

Alleen biotische factoren.

b)

Alleen abiotische factoren.

c)

Zowel van abiotische- als biotische factoren.

21.

De grootte van de populatie schommelt rond een evenwichtsvoorwaarde. Hoe noemen we dat?

a)

Biologische standaard

b)

Biologisch evenwicht

c)

Populatie standaard

d)

Populatie evenwicht

22.

Welke organismen zorgen in de koolstofkringloop voor de vorming van glucose?

a)

Dieren

b)

Planten

c)

Schimmels

d)

Bacteriën

23.

Welk eindproduct ontstaat bij de verbranding van energierijke stoffen?

a)

Zuurstof

b)

Glucose

c)

Koolstofdioxide

d)

Water

24.

Welke schakel zou weggehaald kunnen worden zonder dat de kringloop stopt?

a)

Planten

b)

Dieren

c)

Bacteriën en schimmels

25.

Bij welk voorbeeld is er het meest sprake van concurrentie tussen soorten?

a)

Wanneer er een overvloed aan voedsel is.

b)

Wanneer de abiotische factoren niet optimaal zijn.

c)

Wanneer de verschillende soorten andere behoeften hebben.

26.

Welke manieren zorgen ervoor dat de concurrentie tussen soortgenoten kan worden verminderd? Kruis aan!

a)

Rangorde in een groep

b)

Terretorium afbakenen

c)

Paarvorming met één partner voor het leven

d)

Groepen dieren in een kleiner gebied plaatsen

e)

Meer nakomelingen krijgen

27.

Organisme 1 profiteert van organisme 2. Organisme 2 verliest niks, maar wint ook niks.

Welke vorm van symbiose wordt hier omschreven?

a)

Mutualisme

b)

Parasitisme

c)

Commensalisme

28.

Organisme 1 leeft ten koste van organisme 2. Welke vorm van symbiose wordt hier omschreven?

a)

Mutualisme

b)

Parasitisme

c)

Commensalisme

29.

'dieren inzetten voor begrazing'

Welke vorm van natuurbeheer wordt er genoemd?

a)

Bosbeheer

b)

Faunabeheer

c)

Waterbeheer

d)

Agrarisch natuurbeheer

30.

'wilde zwijnen afschieten'

Welke vorm van natuurbeheer wordt er genoemd?

a)

Bosbeheer

b)

Faunabeheer

c)

Waterbeheer

d)

Agrarisch natuurbeheer

31.

Hoe heet het proces bij pijl 7?

(a)  

32.

In de afbeelding zie je de koolstofkringloop.

Hoe heet het proces bij pijl 7?

(a)  

33.

In de afbeelding zie je de koolstofkringloop.

Wat gebeurd er bij pijl 9?

a)

Verbranding door schimmels en bacterien

b)

Afbreken van dode organismen door schimmels en bacterien

c)

Eten van energierijk plantaardige voedsel

d)

Verbranding door dieren

34.

In de afbeelding zie je de koolstofkringloop.

Wat gebeurd er bij pijl 4?

a)

Verbranding door schimmels en bacterien

b)

Afbreken van dode organismen door schimmels en bacterien

c)

Eten van energierijk plantaardige voedsel

d)

Verbranding door dieren

35.

In de afbeelding zie je de koolstofkringloop.

Waar zit de CO2 die je bovenaan de kringloop zit staan?

a)

In de lucht

b)

In de grond

c)

In de zee

d)

In de planten

e)

In de dieren

36.

plant --> rups --> vogel --> roofvogel

Wat zou er gebeuren met de voedselketen als alle rupsen verdwijnen?

a)

De plantenpopulatie zou afnemen

b)

De vogels die rupsen eten zouden minder voedsel hebben

c)

Er zou niets veranderen

d)

De plantenpopulatie zou toenemen

e)

De roofvogels die de vogels eten zouden uiteindelijk minder voedsel hebben.

37.

Kruis de juiste voedselketen(s) aan.

a)

Gras → Konijn → Vos

b)

Plankton ⭠ Vis ⭠ Mens

c)

Eik → Rups → Koolmees → Havik

d)

Vlierbes → Merel → Regenworm

e)

Sprinkhaan → Kikker → Slang

38.

Wat is een producent in een voedselketen?

a)

Een dier dat planten eet

b)

Een organisme dat zelf voedsel maakt door fotosynthese

c)

Een dier dat vlees eet

d)

Een organisme dat dood materiaal afbreekt

39.

Wat is een consument in een voedselketen?

a)

Een plant die fotosynthese uitvoert

b)

Een dier dat andere organismen eet

c)

Een schimmel die dood organisch materiaal afbreekt

d)

Een mineraal dat door planten wordt opgenomen

e)

Een dier dat dood organisch materiaal afbreekt naar anorganisch materiaal

40.

Hoe kan vervuiling door mensen invloed hebben op een voedselketen?

a)

Het heeft geen effect

b)

Het kan alleen de producenten beïnvloeden

c)

Het kan alle schakels in de voedselketen beïnvloeden

d)

Het kan alleen de consumenten beïnvloeden