wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Serie- en parallelschakelingen met stroomsterkte

Total questions: 80

Worksheet time: 48mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de juiste volgorde van de stroom?

a)

B --> C --> F --> E --> D --> A

b)

B --> C --> D --> A

EN

B --> C --> F --> E --> D --> A

c)

B --> C --> D --> A

EN

A --> D --> E --> F --> C --> B

d)

A --> D --> C en E --> F --> B

2.

Dit is een...

a)

Serieschakeling

b)

Parallelschakeling

c)

Gemengde schakeling

3.

Je maakt een serieschakeling met twee gelijke lampjes. Wanneer je een extra lampje (ook gelijk aan de eerste twee lampjes) parallel zet aan het tweede lampje....

a)

wordt het eerste lampje feller

b)

wordt het tweede lampje feller

c)

gaan alle lampjes even fel branden

d)

gebeurt er niks (het derde lampje blijft uit)

4.

Je maakt een serieschakeling met één lampje. Vervolgens zet je een identiek lampje parallel aan het eerste lampje. Wat gebeurt er?

a)

De lampjes branden even fel. Er gebeurt niks met de felheid van het eerste lampje.

b)

Het eerste lampje brandt feller. Deze stond namelijk al aan.

c)

De lampjes branden even fel, maar wel minder fel dan bij één lampje.

5.

Wat gebeurt er met de stroomsterkte in een serieschakeling als je een extra lampje toevoegt?

a)

De stroomsterkte neemt toe

b)

De stroomsterkte blijft hetzelfde

c)

De stroomsterkte neemt af

6.

Alle lampjes in de schakeling zijn gelijk. Kies de juiste antwoorden.

a)

De ampèremeters die in serie staan met de lampjes geven allemaal dezelfde waarde aan

b)

Alle ampèremeters geven dezelfde waarde aan.

c)

De ampèremeter van het middelste lampje geeft 0 A aan, omdat deze na het lampje is geschakeld

d)

De bovenste ampèremeter geeft de totale stroomsterkte aan

e)

Door de onderste lampjes en ampèremeters loopt geen stroom omdat de stroom de kortste weg neemt

7.

De lampjes in de afbeelding zijn gelijk aan elkaar. Door welk lampje gaat de meeste stroom?

a)

L1

b)

L2

c)

L3

d)

Door elk lampje gaat evenveel stroom

8.

Dit is een...

a)

Serieschakeling

b)

Parallelschakeling

c)

Gemengde schakeling

9.

Ampèremeter 2 (A2) meet een stroom van 320 mA. In vergelijking met A2 is de stroom die ampèremeter 1 (A1) meet

a)

Hoger

b)

Lager

c)

Gelijk

d)

0 A

10.

In deze schakeling zijn de lampjes gelijk aan elkaar. Hoeveel ampère meet ampèremeter 2, wanneer ampèremeter 1 op 1,2 A staat?

a)

0,6 A

b)

1,2 A

c)

0 A

d)

2,4 A

11.

Je wilt L1 minder fel laten branden. Je duwt de schuif van de schuifweerstand richting...

a)

A

b)

B

c)

C

d)

Niks. Je kan L1 niet minder fel laten branden.

12.

De ampèremeter geeft 0,021 A aan. Je duwt de schuif richting A. De ampèremeter geeft nu....

a)

Minder stroom aan.

b)

Meer stroom aan.

c)

Hetzelfde aantal A aan.

13.

A1 geeft 0,4 A aan.

A2 geeft 0,15 A aan.

Hoeveel A geeft A3 aan?

(Geef alleen het getal zonder eenheid met eventueel een komma)

(a)  

14.

Alle lampjes zijn in deze schakeling gelijk. Zet de stroommeters op volgorde van hoeveel A ze aangeven van klein naar groot.

a)

A1 -- A2 -- A3

b)

A2 -- A3 -- A1

c)

A3 -- A2 -- A1

d)

A1 -- A3 -- A2

e)

A3 -- A1 -- A2

15.

Alle lampjes zijn in deze schakeling gelijk. Zet de stroommeters op volgorde van hoeveel A ze aangeven van klein naar groot.

a)

A1 -- A2 -- A3

b)

A2 -- A3 -- A1

c)

A3 -- A2 -- A1

d)

A1 -- A3 -- A2

e)

A3 -- A1 -- A2

16.

Twee gelijke lampjes staan parallel aan elkaar. Wanneer we deze lampjes in serie zetten met elkaar zal de lichtsterkte van de lampjes:

a)

Afnemen

b)

Toenemen

c)

Gelijk blijven

17.

Een ........... weerstand zorgt voor een ....... stroomsterkte en daarmee een ....... lichtsterkte.

Wat moet er op de puntjes? (in juiste volgorde)

a)

kleine -- kleine -- lage

b)

grote -- grote -- hoge

c)

grote -- grote -- lage

d)

grote -- kleine -- lage

18.

Wat gebeurt er met de totale stroomsterkte in een parallelschakeling als je een extra lampje parallel toevoegt?

a)

De totale stroomsterkte neemt toe

b)

De totale stroomsterkte blijft hetzelfde

c)

De totale stroomsterkte neemt af

19.

Als de weerstand in een schakeling wordt verdubbeld, wat gebeurt er dan met de stroomsterkte?

a)

De stroomsterkte wordt gehalveerd

b)

De stroomsterkte verdubbelt

c)

De stroomsterkte blijft hetzelfde

20.

Je hebt een serieschakeling met drie lampjes. Als je één lampje uit de schakeling haalt en de draden weer met elkaar verbind, wat gebeurt er dan met de andere lampjes? (er blijft nog steeds een gesloten stroomkring)

a)

De andere lampjes branden feller

b)

De andere lampjes blijven even fel branden

c)

De andere lampjes gaan minder fel branden

21.

Je hebt een serieschakeling met drie lampjes. Als je één lampje losdraait, wat gebeurt er dan met de andere lampjes?

a)

De andere lampjes branden feller

b)

De andere lampjes blijven even fel branden

c)

De andere lampjes gaan minder fel branden

d)

De andere lampjes gaan uit

22.

Je draait L3 los. Hierdoor gaat deze lamp uit. Wat gebeurt er nog meer?

a)

L2 gaat nu uit. L1 en L4 gaan feller branden.

b)

L2 gaat nu uit. L1 en L4 gaan minder fel branden.

c)

L1 en L2 gaan uit. L4 gaat feller branden.

d)

Alle andere lampjes gaan ook uit.

e)

L2 gaat nu uit. L1 gaat minder fel branden, L4 gaat juist feller branden.

23.

Alle lampjes zijn gelijk aan elkaar. Door L3 gaat een stroom van 200 mA. Hoeveel stroom gaat er door L1?

a)

200 mA

b)

2 A

c)

200 A

d)

600 mA

24.

Alle lampjes zijn gelijk aan elkaar. Door L3 gaat een stroom van 400 mA. Hoeveel stroom gaat er door L4?

a)

1,2 A

b)

400 mA

c)

800 mA

d)

200 mA

e)

12000 mA

25.

Alle lampjes zijn gelijk aan elkaar. Door L4 gaat een stroom van 2,4 A. Hoeveel stroom gaat er door L2?

a)

2,4 A

b)

0,8 A

c)

80 mA

d)

1,2 A

e)

800 A

26.

Een ampèremeter geeft 0,07 A aan. Dit is hetzelfde als:

a)

700 mA

b)

7 mA

c)

70 mA

d)

0,7 mA

27.

In een parallelschakeling lopen (naast de totale stroom) vier stromen. Die noemen we stroom (I) 1 t/m 4. (dus I1, I2, I3 en I4)

I1 = 0,3 A

I2 = 200 mA

I3 = 0,9 A

I4 = 600 mA

Wat is de totale stroomsterkte in deze schakeling?

a)

2,0 A

b)

0,2 A

c)

0,3 A

d)

1,6 A

e)

4,2 A

28.

In een parallelschakeling lopen (naast de totale stroom) vier stromen. Die noemen we stroom (I) 1 t/m 4. (dus I1, I2, I3 en I4)

I1 = 0,1 A

I2 = 1200 mA

I4 = 2800 mA

Itotaal = 4,2 A

Wat is de stroomsterkte 3 (I3) in deze schakeling?

a)

1100 mA

b)

100 mA

c)

0,3 A

d)

1600 mA

e)

4,2 A

29.

Deze lampjes zijn gelijk aan elkaar. We sluiten de schakelaar. Wat gebeurt er?

a)

Het onderste lampje gaat uit

b)

De totale stroom in de schakeling wordt groter

c)

Het onderste lampje gaat minder fel branden

d)

Beide lampjes gaan uit vanwege kortsluiting

e)

De stroom door beide lampjes is even groot dus branden de lampjes even fel.

30.

Krijg je zo kortsluiting?

a)

Ja

b)

Nee

31.

Krijg je zo kortsluiting?

a)

Ja

b)

Nee

32.

Krijg je zo kortsluiting?

a)

Ja

b)

Nee

33.

Krijg je zo kortsluiting?

a)

Ja

b)

Nee

34.

Krijg je zo kortsluiting?

a)

Ja

b)

Nee

35.

Alle lampjes zijn gelijk in deze schakeling. De ampèremeter meet de stroom door het onderste lampje. Je zet de ampèremeter op een andere plek in de schakeling.

Meet de ampèremeter overal in de schakeling dezelfde waarde?

a)

Ja

b)

Nee

36.

Hoeveel A geeft de meter aan? (geef alleen het getal zonder eenheid met eventueel een komma)

(a)  

37.

Hoeveel A geeft de meter aan? (geef alleen het getal zonder eenheid met eventueel een komma)

(a)  

38.

Mag ik het meetbereik aanpassen?

a)

Ja

b)

Nee

39.

Mag ik het meetbereik aanpassen?

a)

Ja

b)

Nee

40.

Hoeveel A geeft de meter aan? (geef alleen het getal zonder eenheid met eventueel een komma)

(a)  

41.

Hoeveel A geeft de meter aan? (geef alleen het getal zonder eenheid met eventueel een komma)

(a)  

42.

Hoeveel A geeft de meter aan? (geef alleen het getal zonder eenheid met eventueel een komma)

(a)  

43.

Hoeveel A geeft de meter aan? (geef alleen het getal zonder eenheid met eventueel een komma)

(a)  

44.

Hoeveel A geeft de meter aan? (geef alleen het getal zonder eenheid met eventueel een komma)

(a)  

45.

Mag ik het meetbereik aanpassen?

a)

Ja

b)

Nee

46.

De wijzer geeft een stroomsterkte onder de 0,0 A aan. Wat kan er aan de hand zijn?

a)

De plus en min zitten verkeerd aangesloten

b)

Er gaat een stroom van 0 A door de meter en de lamp

c)

De stroom is zo klein dat je deze niet kan meten met dit meetbereik

d)

De meter staat parallel aangesloten op de lamp

e)

De weerstand van de lamp is te klein

47.

Stroom gaat van.....

a)
  • + naar -

b)
  • - naar plus +

48.

Je maakt twee serieschakelingen:

Schakeling 1: twee lampjes

Schakeling 2: drie lampjes.

Wanneer alle lampjes gelijk zijn, bij welke schakeling zullen de lampjes feller branden?

a)

Schakeling 1

b)

Schakeling 2

c)

De lampjes branden even fel

49.

Je maakt twee serieschakelingen:

Schakeling 1: twee lampjes en een ampèremeter

Schakeling 2: drie lampjes en een ampèremeter

Wanneer alle lampjes gelijk zijn, bij welke schakeling zal de ampèremeter minder stroom meten?

a)

Schakeling 1

b)

Schakeling 2

c)

Beide ampèremeters geven evenveel stroom aan

50.

Je maakt drie parallelschakelingen met een ampèremeter die de totale stroom meet.

Schakeling 1 heeft 2 lampjes parallel aan elkaar

Schakeling 2 heeft 3 lampjes parallel aan elkaar

Schakeling 3 heeft 4 lampjes parallel aan elkaar.

De lampjes zijn gelijk aan elkaar. Welke ampèremeter meet de grootste totale stroomsterkte?

a)

Schakeling 1

b)

Schakeling 2

c)

Schakeling 3

d)

Bij elke schakeling is de totale stroomsterkte gelijk.

51.

Je maakt drie parallelschakelingen met ampèremeters die in serie staan met elk lampje. Deze meet dus de stroom door elk individueel lampje.

Schakeling 1 heeft 2 lampjes parallel aan elkaar

Schakeling 2 heeft 3 lampjes parallel aan elkaar

Schakeling 3 heeft 4 lampjes parallel aan elkaar.

De lampjes zijn overal gelijk. Welke ampèremeter meet de grootste stroomsterkte?

a)

Schakeling 1

b)

Schakeling 2

c)

Schakeling 3

d)

Bij elke schakeling is de stroomsterkte door elk individueel lampje gelijk.

52.

Welke stof is een goede geleider?

a)

Koper

b)

Metaal

c)

IJzer

d)

Hout

e)

Plastic

53.

In de Formule 1 kan er soms een elektrisch probleem zijn met de auto. De monteurs van die auto moeten dan rubberen handschoenen aandoen. Waarom?

a)

Rubber houdt de warmte goed tegen van de auto

b)

Rubber is een goede isolator waardoor de monteurs geen schok krijgen

c)

Door rubber tegen een geleider (onder stroom) te houden haal je de elektriciteit weg

d)

Rubber is een goede geleider waardoor de stroom via het rubber wordt weggevoerd. Zo krijgen de monteurs geen elektrische schok

54.

Je maakt een schakeling met 4 gelijke lampjes. Wanneer je de stroom door elk lampje meet (door steeds een ampèremeter in serie met dat lampje te zetten) zie je dat de stroom door elk lampje gelijk is.

Wat voor soort schakeling heb je gemaakt?

a)

Een serieschakeling

b)

Een parallelschakeling

c)

Dit kan zowel een serie- als een parallelschakeling zijn

55.

Je maakt een schakeling met 5 (gelijke) lampjes. Wanneer je de stroom op verschillende plekken in jouw schakeling meet, zie je dat hier verschillen inzitten. Welke soort schakeling heb je gemaakt?

a)

Een serieschakeling

b)

Een parallelschakeling of gemengde schakeling

c)

Dat is niet te zeggen met deze informatie

56.

Welk symbool geeft een stroommeter aan?

a)

b)

c)

d)

57.

Welke kant is de pluskant van de spanningsbron?

a)

De linkerkant (lang verticaal streepje)

b)

De rechterkant (kort verticaal streepje)

c)

Dit kan je bij deze afbeelding niet zien. De gehele schakeling moet eerst getekend worden.

d)

De horizontale streepjes zijn beide de plus

58.

Bij een opdracht moet je een vierde lampje parallel zetten aan lampje 2 en 3. Welke schakeling moet je dan maken?

a)

b)

c)

d)

e)

59.

Bij lampjes 1, 2 en 3 gaat een stroom van 3 A door ieder individueel lampje. Door lampje 4 gaat een stroom van 4 A.

Zijn de lampjes gelijk aan elkaar? (Hebben ze evenveel weerstand?)

a)

Ja

b)

Nee

60.

Door lampje 1 gaat een stroom van 200 mA.

Door lampje 2 gaat een stroom van 350 mA.

Door lampje 3 gaat een stroom van 0,1 A.

Door lampje 4 gaat een stroom van 0,8 A.

Hoeveel stroom geeft de ampèremeter aan? (Geef je antwoord in mA, zonder de eenheid erachter te zetten. Geef dus alleen een getal)

(a)  

61.

De ampèremeter geeft 4,0 A aan. Door lampje 1 gaat 2x zoveel stroom als door de lampjes 2, 3 en 4.

De lampjes 2, 3 en 4 zijn gelijk aan elkaar. Hoeveel stroom gaat er door lampje 1?

a)

1 A

b)

1,6 A

c)

0,8 A

d)

2 A

e)

4,0 A

62.

Dit is een....

a)

Serieschakeling

b)

Parallelschakeling

63.

Dit is een...

a)

Serieschakeling

b)

Parallelschakeling

64.

In een huis zijn de lampen van verschillende kamers...

a)

in serie geschakeld met elkaar

b)

parallel geschakeld aan elkaar

65.

Je hebt een parallelschakeling met vier lampjes. Als je één lampje loskoppelt, wat gebeurt er dan met de andere lampjes?

a)

De andere lampjes branden feller

b)

De andere lampjes blijven even fel branden

c)

De andere lampjes gaan minder fel branden

d)

De andere lampjes gaan uit

66.

Gaan de lampjes branden als je schakeling zo aansluit?

a)

Ja

b)

Nee

67.

In de linker schakeling meet A1 een stroom van 1,2 A. Hoeveel A geeft A2 aan, wanneer je deze aansluit zoals te zien is in de rechter schakeling?

a)

1,2 A

b)

0,6 A

c)

0,0 A

d)

Veel meer ampère dan het grootste antwoord waaruit je kan kiezen

e)

2,4 A

68.

Kruis alle juiste antwoorden aan naar aanleiding van deze schakeling

a)

De spanningsbron is verkeerd getekend

b)

De ampèremeter meet de stroom door L2

c)

Op deze manier krijg je kortsluiting

d)

De stroom door L3 wordt gemeten door de ampèremeter

e)

De stroom door L1 en L3 is gelijk

69.

Hoeveel mA is 4,5 A?

(a)  

70.

Hoeveel A is 3400 mA?

(a)  

71.

Door een lampje waar 6 V aan spanning over staat loopt een stroom van 0,5 A. Wat is het vermogen van het lampje? (Eenheid hoef je niet in te vullen)

(a)  

72.

Er staat 230 V op een stopcontact. Door een stopcontact mag maximaal 16 A lopen. Wat is het maximale vermogen wat door het stopcontact geleverd kan worden?

a)

3680 W

b)

36 W

c)

3600 W

d)

4200 W

73.

Bij een spanning van 10 V is het vermogen van een lamp 30 W. Hoeveel stroom gaat er door het lampje?

a)

3 A

b)

5 A

c)

10 A

d)

30 A

74.

Zie de afbeelding: De voltmeter is goed aangesloten

a)

Ja, maar alleen de totale stroom wordt gemeten

b)

Nee, want er moet een lampje tussen

c)

Nee, want de meter meet nu niks

d)

Ja, nu wordt de spanning van de spanningsbron gemeten

75.

Is de meter zo goed aangesloten?

a)

Ja

b)

Nee

76.

Zie de afbeelding. De meter is zo goed aangesloten

a)

Ja, nu wordt de totale spanning gemeten

b)

Ja, nu wordt de spanning over het linker lampje gemeten

c)

Ja, nu wordt de spanning over het rechter lampje gemeten

d)

Nee, de meter is niet goed aangesloten.

77.

Zie de afbeelding. De voltmeter staat in serie met de lampjes

a)

Klopt!

b)

Klopt niet!

78.

Van welke componenten wordt de spanning nu gemeten? Er zijn meerdere keuzes mogelijk.

a)

Het onderste lampje

b)

De spanningsbron

c)

Beide bovenste lampjes bij elkaar in serie

d)

Het linker bovenste lampje dat in serie staat met het andere lampje

79.

Zie de afbeelding: De voltmeter staat verkeerd.

a)

Klopt, deze staat verkeerd

b)

Klopt niet. De voltmeter staat wel goed.

80.

Wat kun je allemaal meten aan deze schakeling? Er zijn meerdere antwoorden mogelijk.

a)

De spanning van de spanningsbron

b)

De stroom door alleen het onderste lampje

c)

De stroom door alleen het bovenste lampje

d)

De totale stroom

e)

De spanning over het onderste lampje