wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Ak bijles

Total questions: 46

Worksheet time: 30mins

Name
Class
Date
1.

Erosie is.........

a)

afschuren en uitschuren van hard gesteente

b)

kracht die van binnenaf de aardkorst verandert

c)

kracht die van buitenaf de aardkorst verandert.

d)

plooien

2.

Wat is een gletsjer?

a)

IJsmassa in het hooggebergte die langzaam naar beneden schuift

b)

IJsmassa in het laagland die langzaam verder schuift.

c)

IJsmassa in het hooggebergte die snel naar beneden schuift.

3.

Zet in goede volgorde van het begin van de stroming

a)

Middenloop, benedenloop, bovenloop

b)

Bovenloop, middenloop, benedenloop

c)

Bovenloop, benedenloop, middenloop

d)

Benedenloop, middenloop, bovenloop

4.

Je ziet op de afbeelding een meander. In welk deel van de rivier komt deze niet voor?

a)

Bovenloop

b)

Middenloop

c)

Benedenloop

5.

Bij welk gedeelte van de rivier hoort deze afbeelding

a)

Benedenloop

b)

Middenloop

c)

Bovenloop

6.

Op de afbeelding staan er twee kringlopen. Je ziet letter A en B in de afbeelding staan. Welke kringloop hoort bij welke letter?

a)

A: lange waterkringloop B: korte waterkringloop

b)

A: korte waterkringloop B: lange waterkringloop

7.

Goed of fout: in de bovenloop van de rivier ontstaat sedimentatie.

a)

Goed

b)

Fout

8.

Stel dat punt A van de rivier op 4000 meter hoogte ligt en punt B ligt op 2000 meter hoogte. Wat is dan het verval?

a)

2000 meter

b)

0,5 meter per kilometer

c)

2 meter per kilometer

d)

1000 meter

9.

Het verleggen van dijken om de rivier meer ruimte te geven.

(a)  

10.

Een ingreep zodat bij hoogwater de stroomsnelheid van de rivier door hoge kribben niet vertraagd wordt en het water sneller wordt afgevoerd.

(a)  

11.

Programma van Rijkswaterstaat, waterschappen, gemeenten en provincies waarbij de rivieren veiliger worden.

(a)  

12.

Het laatste deel van de rivier tot de monding.

(a)  

13.

Het bovenste gedeelte van de rivier, vanaf de bron.

(a)  

14.

De hoeveelheid rivierwater die een bepaald punt passeert, uitgedrukt in kubieke meter per seconde.

(a)  

15.

De verdeling van de hoeveelheid neerslag over een bepaalde periode.

(a)  

16.

Wat hoort er bij 2?

(a)  

17.

Het verval per kilometer.

(a)  

18.

Lage dijk dichtbij de rivier.

(a)  

19.

Het gebied tussen de beide winterdijken dat bestaat uit zomerbed en uiterwaard.

(a)  

20.

Waar vindt erosie en sedimentatie plaats in de rivier?

a)

binnenbocht = sedimentatie, buitenbocht = erosie

b)

buitenbocht = erosie, binnenbocht = erosie

c)

binnenbocht = sedimentatie, buitenbocht = sedimentatie

d)

binnenbocht = erosie, buitenbocht = sedimentatie

21.
De korte waterkringloop is...
a)
De kringloop van de zee naar de bomen
b)
De kringloop van de zee naar bron van de rivier
c)
De kringloop van de rivier naar de bomen
d)
De kringloop boven de zee
22.
Welke kringloop is dit?
a)
korte waterkringloop
b)
lange waterkringloop
c)
stikstofkringloop
d)
korte en lange waterkringloop
23.
Welk woord hoort bij 4
a)
infiltratie
b)
grondwater
c)
ondergrondse rivier
d)
verdamping
24.
Welk woord hoort bij 7
a)
regen
b)
mist
c)
hagel
d)
neerslag
25.
Welk woord hoort bij 8
a)
verdamping
b)
condensatie
c)
infiltratie
d)
evaporatie
26.
Welk woord hoort bij 5
a)
infiltratie
b)
verdamping
c)
grondwater
d)
mist
27.
Welk woord hoort bij 3
a)
infiltratie
b)
grondwater
c)
ondergrondse rivier
d)
evaporatie
28.
Welk woord hoort bij 2
a)
regen
b)
sneeuw
c)
neerslag
d)
verdamping
29.
Welk woord hoort bij 1
a)
verdamping
b)
wind
c)
condensatie
d)
neerslag
30.

Waar of niet waar: In het buitendijks gebied wonen de mensen.

a)

Waar.

b)

Niet waar.

31.

Wat hoort er bij 4?

(a)  

32.

Het paarse stroomgebied is van de rivier de....

a)

Waal

b)

IJssel

c)

Nederrijn

d)

Maas

33.

Is dit een voorbeeld van een

a)

Bovenloop

b)

Middenloop

c)

Benedenloop

34.

Wat laat deze grafiek zien?

a)

Regiem

b)

Debiet

c)

Regiem en debiet

d)

Piekafvoer

35.

In de bovenloop is het verval ...... (1) en het debiet ..... (2)

a)

1=klein

2=klein

b)

1=groot

2=klein

c)

1=klein

2=groot

d)

1=groot

2=groot

36.

In de bovenloop is de stroomsnelheid: (a)  

37.

Op deze afbeelding zie je een: (a)  

38.

Een lus in de rivier noem je een:

(a)  

39.

Hier zie je de vorming van een (a)  

40.

Een polder is een door dijken omgeven stuk land waarin de waterstand kunstmatig kan worden geregeld. Welke polder kan inklinken?

a)

Zeepolders

b)

Veenpolder

c)

Droogmakerijen

d)

Kleipolders

41.

Wat wordt er onder de pijl weergegeven?

a)

Binnendijks gebied

b)

Buitendijks gebied

42.

Op de foto zie je een voorbeeld van een:

a)

dam

b)

dijkring

c)

primaire waterkering

d)

secundaire waterkering

43.

De zeespiegel zal stijgen a.g.v. het:

a)

natuurlijk broeikaseffect

b)

versterkt broeikaseffect

44.
Door verstedelijking neemt de vertragingstijd af, het water doet er langer over om de rivier te bereiken.
a)
Juist
b)
Onjuist
45.

Wat is GEEN soort polder

a)

Veenpolder

b)

Zeepolder

c)

Droogmakerij

d)

Nederpolder

46.

De waterbalans is hier ongelijk. Er verdampt meer water dan er aan neerslag valt.

a)

Juist

b)

Onjuist