wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

ha4 Water - inleiding op hoofdstuk BtNL

Total questions: 71

Worksheet time: 2hrs 36mins

Name
Class
Date
1.

Een polder is een door dijken omgeven stuk land waarin de waterstand kunstmatig kan worden geregeld. Welke polder kan inklinken?

a)

Zeepolders

b)

Veenpolder

c)

Droogmakerijen

d)

Kleipolders

2.
Waterbeheer waarbij alleen de voorraad vernieuwbaar water wordt gebruikt.
a)
Waterbalans
b)
Vernieuwbaarwater
c)
Duurzaamwaterbeheer
d)
Grondwater
3.

Wat is GEEN soort polder

a)

Veenpolder

b)

Zeepolder

c)

Droogmakerij

d)

Nederpolder

4.

Klaarmaken voor klimaatverandering noemen we

a)

Klimaatadaptatie

b)

Dynamisch kustbeheer

c)

Territoriale soevereiniteit

d)

Zandsuppletie

5.

Wat voor soort polder zie je hier?

a)

Veenpolder

b)

Zeepolder

c)

Droogmakerij

d)

Nederpolder

6.

Waarvoor dienen de sloten op de afbeelding

a)

De sloten voeren het water naar de zee toe.

b)

De sloten voeren het water af, waardoor de grondwaterstand verlaagd wordt.

7.
De korte waterkringloop is...
a)
De kringloop van de zee naar de bomen
b)
De kringloop van de zee naar bron van de rivier
c)
De kringloop van de rivier naar de bomen
d)
De kringloop boven de zee
8.

Hoeveel procent van het waarde op aarde is zoet?

a)

2,5%

b)

12,5%

c)

17,5%

d)

20,5%

9.

Wat is nuttige neerslag?

a)

De hoeveelheid water die de mens kan gebruiken.

b)

Het verschil tussen neerslag en verdamping.

c)

Neerslag dat zoet water bevat.

d)

Irrigatiewater voor de landbouw.

10.

Wat is geen oorzaak voor de toename van overstromingen?

a)

Minder infiltratie door ontbossing en verstening.

b)

Broeikaseffect: het warmer worden van het klimaat.

c)

Bodemdaling door het oppompen van grondwater.

d)

Beleid: ruimte voor de rivieren maken.

11.

Wat laat de afbeelding zien?

a)

Drainage

b)

Beregening

c)

Geulirrigatie

d)

Druppelirrigatie

12.

Wat is verzilting?

a)

Toename van het zoutgehalte in irrigatiewater.

b)

Toename van vegetatie op zoute bodems.

c)

Toename van het zoutgehalte in de bodem en het water.

d)

Toename van het zoutgehalte in neerslag.

13.

Een polder is een door dijken omgeven stuk land waarin de waterstand kunstmatig kan worden geregeld. Welke polder kan inklinken?

a)

Zeepolders

b)

Veenpolder

c)

Droogmakerijen

d)

Kleipolders

14.

Wat wordt er onder de pijl weergegeven?

a)

Binnendijks gebied

b)

Buitendijks gebied

15.

Welk woord hoort bij 8 (rechts in de wolk)

a)

verdamping

b)

condensatie

c)

infiltratie

d)

evaporatie

16.

Welk begrip hoort bij: De hoeveelheid water die een gebied binnenkomt en uitgaat.

a)

Waterkringloop

b)

Nuttige neerslag

c)

Fossiel water

d)

waterbalans

17.
Welk begrip hoort bij: Water in de grond dat stamt uit eerdere tijden.
a)
Aquifer
b)
Fossielwater
c)
Oppervlaktewater
d)
Grondwater
18.
IJsmassa’s vormen een onderdeel van de kringloop van het water.
a)
Juist 
b)
Onjuist
19.
De uiterwaarden horen bij het buitendijkse gebied.
a)
Juist
b)
Onjuist
20.

Beregening is..

a)

wateraanvoer via kanaaltjes of sloten

b)

wateraanvoer via geperforeerde buis vlak onder de grond

c)

wateraanvoer via een buizenstelsel met sproeiers

21.

Welke van de volgende begrippen is niet-vernieuwbaar water

a)

Neerslag

b)

Grondwater

c)

Fossiel water

d)

Oppervlakte water

22.

Men weet weinig over het verband tussen kustveiligheid, zeespiegelstijging en bodemdaling.


Welk begrip past bij deze zin?

a)

overstromingsbesef

b)

overstromingsrisico

c)

overstromingsrisicobewustzijn

d)

overstromingsschade

23.

Wat is te zien op deze kaart?

a)

bodemdaling

b)

dijkringen

c)

overstromingsgebieden

d)

zwakke schakels

24.

Op de foto zie je een voorbeeld van een:

a)

dam

b)

dijkring

c)

primaire waterkering

d)

secundaire waterkering

25.

.......zorgen voor bescherming tegen het water, beheersing van het grondwaterpeil en voor de waterkwaliteit.

a)

gemeenten

b)

provincies

c)

waterkeringen

d)

waterschappen

26.

Bij een groeiende bevolking en een toename van de economische waarde van gebouwen en goederen, stijgt de/ het......................in een gebied.

a)

overstromingsrisico

b)

overstromingsrisicobewustzijn

c)

overstromingskans

d)

overstromingsschade

27.

Het grootste overstromingsgevaar dreigt bij .....................................en extra hoog water op zee.

a)

noordwesterstorm

b)

noordoosterstorm

c)

zuidwesterstorm

d)

zuidoosterstorm

28.

De zeespiegel zal stijgen a.g.v. het:

a)

natuurlijk broeikaseffect

b)

versterkt broeikaseffect

29.

In welk gebied komt de MINSTE kustafslag voor?

a)

deltagebied in Zeeland

b)

kust langs Noord-Holland

c)

kust langs Zuid-Holland

d)

Waddenzee

30.

In welk gebied kent een positieve zandbalans?

a)

deltagebied in Zeeland

b)

kust langs Noord-Holland

c)

kust langs Zuid-Holland

d)

Waddenzee

31.

Op de kaart zie je de locatie van het bouwwerk in Zeeland die het hoge water vanaf zee nauwelijks de Oosterschelde in laat gaan. Dit is een:

a)

dam

b)

dijkring

c)

stormvloedkering

d)

zeegat

32.

In welke gebieden is er een grote kans op overstromingen?

a)

Laag gelegen rivier- en kustgebieden

b)

Hoog en laag gelegen riviergebieden

c)

Kustgebieden en droge gebieden

d)

Gebieden waar veel herbossing is

33.

Wat is een piekafvoer?

a)

Het hoge afvoer van een rivier

b)
Een term die wordt gebruikt voor de temperatuur van het water.
c)
Een punt waar geen waterafvoer plaatsvindt.
d)
Een laag punt in de waterafvoer van een rivier of beek.
34.

Wat is het effect van slib op grond?

a)
Verbetering van waterkwaliteit
b)
Toename van biodiversiteit
c)

De grond wordt vruchtbaarder

d)
Vermindering van luchtvervuiling
35.

Waar zorgt slib voor op de bodem van de rivier?

a)
Verbeterde waterkwaliteit
b)
Zuurstofrijke omgeving
c)
Verhoogde biodiversiteit
d)

De rivier wordt minder diep

36.

Wat is een gevolg van ontbossing?

a)
Verhoging van CO2-opname
b)
Toename van biodiversiteit
c)

Ontstaan van modderstromen

d)
Geen effect op het klimaat
37.

Herbossing is niet een perfecte oplossing, waar komt dat door?

a)

Bodem houden een winterslaap

b)

Er is geen plek voor bodem

c)

Het duurt lang voordat bomen groot genoeg zijn

d)

Bodem zijn te duur

38.

Wat beschermt mensen tegen overstromingen?

a)

Duinen

b)

Dijken

c)

Polders

d)

Weilanden

39.

Waar kan een orkaan ontstaan?

a)
Boven koude oceanen in polaire gebieden.
b)
In woestijngebieden met hoge temperaturen.
c)
In bergachtige regio's met veel neerslag.
d)

Boven zeewater dat warmer is dan 27 graden

40.

In welke gebieden is de piekafvoer het grootst?

a)

Gebied met veel akkers

b)

Bebouwde gebieden waar bomen zijn gekapt

c)

Gebieden met veel natuur

d)

Bebouwde gebieden met veel bomen

41.
Bij welk gedeelte van de waterkringloop horen bomen?
a)
Korte kringloop
b)
Lange kringloop
42.
Welk woord hoort bij 2
a)
regen
b)
sneeuw
c)
neerslag
d)
verdamping
43.
Welk woord hoort bij 8
a)
verdamping
b)
condensatie
c)
infiltratie
d)
evaporatie
44.

Welke is geen opslag van zoet water?

a)

Gletsjer

b)

Grondwater

c)

Meer

d)

Zee

45.

Als water eindeloos circuleert, kan het dan zijn dat ik hetzelfde water heb gedronken als een dinosaurus?

a)

Ja

b)

Nee

46.

Welke stelling is juist?


Stelling I: Gebieden met veel neerslag hebben nooit een tekort aan zoet water.


Stelling II: Gebieden met weinig neerslag kunnen toch over voldoende zoet water beschikken.

a)

I is juist, II is onjuist.

b)

I is onjuist, II is juist.

c)

C Beide zijn juist.

d)

Beide zijn onjuist.

47.

Waar is de grootste hoeveelheid zoet water opgeslagen?

a)

In de atmosfeer

b)

In meren

c)

In rivieren

d)

In ijskappen en gletsjers

48.

De bron van een rivier ligt op het hoogste punt van het stroomgebied van een rivier.

a)

Juist

b)

Onjuist

49.
Door erosie
a)
worden dalen dieper en breder.
b)
worden bergen hoger.
c)
worden bergen lager.
d)
worden gletsjers groter en langer.
50.

Waar vindt erosie en sedimentatie plaats in de rivier?

a)

binnenbocht = sedimentatie, buitenbocht = erosie

b)

buitenbocht = erosie, binnenbocht = erosie

c)

binnenbocht = sedimentatie, buitenbocht = sedimentatie

d)

binnenbocht = erosie, buitenbocht = sedimentatie

51.

Welke van de omschrijvingen kloppen bij de nummers in de legenda?

a)

1 Waterscheiding - 2 Stroomgebied - 3 Stroomstelsel

b)

1 Stroomstelsel - 2 Waterscheiding - 3 Stroomgebied

c)

1 Stroomgebied - 2 Stroomstelsel - 3 Waterscheiding

52.

Een pomp die de polder drooghoudt, is een ...... afwatering.

a)

Kunstmatige

b)

Natuurlijke

c)

Werkende

d)

Nederlandse

53.

Zoet en zout water gemengd noem je..... water

a)

kwel

b)

lek

c)

zee

d)

brak

54.

De N in N.A.P. staat voor?

a)

Nederlands

b)

Normaal

c)

Nieuw

d)

Neder

55.

Wat is oppervlaktewater? (kies er 2!)

a)

Gletsjers

b)

Meren

c)

Sloten

d)

Kraanwater

e)

Grondwater

56.

Hoog Nederland is al het gebied boven

a)

0m NAP

b)

+ 1M NAP

c)

+ 2M NAP

d)

-1M NAP

57.

Bekijk de bron: Waar staan de cijfers 1, 2 en 3 voor?

a)

1=zoet water, 2=brak water, 3 =zout water

b)

1=zout water, 2=zoet water, 3 =brak water

c)

1=brak water, 2=zout water, 3 =zoet water

58.

De totale verdamping (vanuit oceanen, zeeën en vanaf het landoppervlak) bedraagt volgens figuur 1 in totaal 577.000 km3.

Volgens deskundigen zal door het toenemende broeikaseffect deze verdamping in de toekomst

a)

dalen

b)

stijgen

c)

gelijk blijven

59.

De bron laat drie gebruikers van grondwater in Nederland zien. Waterleidingbedrijven en overige bedrijven gebruiken elk jaar ongeveer evenveel grondwater. De landbouw gebruikt in het ene jaar meer grondwater dan in het andere jaar.

Wat is een natuurlijke oorzaak hiervan?

a)

Geringe hoeveelheid neerslag in combinatie met veel zonuren en warmte

b)

Grote hoeveelheden neerslag

c)

Weinig zonuren gecombineerd met geringe hoeveelheid neerslag

60.

Waarom is in Nederland de nuttige neerslag in de zomer lager dan in de winter?

a)

in de zomer is er meer verdamping

b)

in de zomer is er minder neerslag

c)

in de winter is er meer neerslag

d)

in de zomer is er minder verdamping

61.

In Bangladesh zijn de inwoners ook tevreden met de lichte overstromingen. Hierdoor hebben de inwoners vers water, vruchtbaar slib en nieuw land.

a)

juist

b)

onjuist

62.

Door het versterkt broeikaseffect komen er steeds minder tropische orkanen voor.

a)

juist

b)

onjuist

63.

Turkije bouwt al decennia aan een serie stuwdammen in de rivieren de Eufraat en de Tigris. Het stroomgebied van de rivieren in Syrië en Irak wordt afhankelijk van Turkije. Dit heeft als gevolg:

a)

Syrië en Irak hebben hierdoor meer water tot hun beschikking.

b)

Turkije kan bepalen hoeveel water er wordt doorgelaten. Dit kan leiden tot conflicten

c)

Syrië en Irak hebben hierdoor meer energie tot hun beschikking.

64.

Juist of onjuist? Vooral op het Arabisch Schiereiland zijn veel ontziltinginstallaties te vinden.

a)

Juist

b)

Onjuist

65.

De bouw van een stuwdam in de benedenloop van een rivier veroorzaakt sneller een conflict tussen landen dan de bouw van een stuwdam in de bovenloop

a)

Juist

b)

Onjuist

66.

Waterschaarste neemt vooral toe door ...

a)

Groei wereldbevolking

b)

Klimaatverandering

c)

Zeespiegelstijging

d)

Groei welvaart

67.

De motor achter de waterkringloop is ....

a)

Het klimaat

b)

De wind

c)

De zon

d)

De maan

68.

Juist of onjuist. Voor het ontzilten van water (zoet water creëren van zout water) is veel energie nodig.

a)

Juist

b)

Onjuist

69.

Irrigeren in gebieden met een hoge verdamping leidt tot ....

a)

Ontbossing

b)

Verstening

c)

Verzilting

d)

Zeespiegelstijging

70.

Infiltratie is ...

a)

Water in de grond dat stamt uit eerdere tijden

b)

Daling van het grondoppervlak

c)

Het in de grond indringen van water

d)

Verhoogde afvoer van de rivier

71.

Het verschil tussen neerslag en verdamping noemen we ....

a)

Landijs

b)

Nuttige neerslag

c)

Waterbalans

d)

Aquifer