wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

De industriële samenleving Voor of na?

Total questions: 50

Worksheet time: 38mins

Name
Class
Date
1.

Je ziet hier een afbeelding van de haven van Liverpool.
Is deze afbeelding van voor of na de industriële revolutie?

a)

De tijd voor de industrialisatie

b)

De tijd na de industrialisatie

2.

Je ziet hier een afbeelding van de haven van Liverpool.
Welke sector zie je hier?

a)

Landbouw (primair)

b)

Industrie/nijverheid (secundair)

c)

Diensten (tertiair)

3.

Je ziet hier een familie de oogst van het land halen
Is deze afbeelding van voor of na de industriële revolutie?

a)

voor

b)

na

4.

Je ziet hier een familie de oogst van het land halen
Welke sector zie je hier?

a)


Landbouw (primair)

b)

Industrie/nijverheid (secundair)

c)

Diensten (tertiair)

5.

Een stierenfokker uit 1812
Is deze afbeelding van voor of na de industriële revolutie?

a)

voor

b)

na

6.

Een stierenfokker uit 1812
Welke sector zie je hier?

a)

Landbouw (primair)

b)

Industrie/nijverheid (secundair)

c)

Diensten (tertiair)

7.

Je ziet een wever die bezoek ontvang, schilderij uit 1652.
Is deze afbeelding van voor of na de industriële revolutie?

a)

voor

b)

na

8.

Je ziet een wever die bezoek ontvang, schilderij uit 1652.
Welke sector zie je hier?

a)

Landbouw (primair)

b)

Industrie/nijverheid (secundair)

c)

Diensten (tertiair)

9.

Grootste werkende waterrad, pompt water weg uit de steenkolenmijn.
Is deze afbeelding van voor of na de industriële revolutie?

a)

voor

b)

na

10.

Grootste werkende waterrad, pompt water weg uit de steenkolenmijn.
Welke sector zie je hier?

a)

Landbouw (primair)

b)

Industrie/nijverheid (secundair)

c)

Diensten (tertiair)

11.

De schoorstenen van de stad Manchester van afstand in 1852.
Is deze afbeelding van voor of na de industriële revolutie?

a)

voor

b)

na

12.

De schoorstenen van de stad Manchester van afstand in 1852.
Welke sector zie je hier?

a)

Landbouw (primair)

b)

Industrie/nijverheid (secundair)

c)

Diensten (tertiair)

13.

Haven van Amsterdam in 1630
Is deze afbeelding van voor of na de industriële revolutie?

a)

voor

b)

na

14.

Boten maken in de haven van Amsterdam in 1630
Welke sector zie je hier?

a)

Landbouw (primair)

b)

Industrie/nijverheid (secundair)

c)

Diensten (tertiair)

15.

Een boer rond 1955 aan het stro laden.
Is deze afbeelding van voor of na de industriële revolutie?

a)

voor

b)

na

16.

Een boer rond 1955 aan het stro laden.
Welke sector zie je hier?

a)

Landbouw (primair)

b)

Industrie/nijverheid (secundair)

c)

Diensten (tertiair)

17.

Schoenenfabriek begin 20e eeuw.
Is deze afbeelding van voor of na de industriële revolutie?

a)

voor

b)

na

18.

Schoenenfabriek begin 20e eeuw.
Welke sector zie je hier?

a)

Landbouw (primair)

b)

Industrie/nijverheid (secundair)

c)

Diensten (tertiair)

19.

Haven in Amsterdam
Is deze afbeelding van voor of na de industriële revolutie?

a)

voor

b)

na

20.

Handelaren in de haven in Amsterdam
Welke sector zie je hier?

a)

Landbouw (primair)

b)

Industrie/nijverheid (secundair)

c)

Diensten (tertiair)

21.

Welke sector is tegenwoordig de grootste sector in Nederland?

a)

Primair

b)

secundair

c)

tertiaire

22.

Welke sector is tegenwoordig de kleinste sector in Nederland?

a)

Primair

b)

secundair

c)

tertiaire

23.

Welke sectoren waren voor de industriële revolutie het grootst?

a)

Primair

b)

secundair

c)

tertiaire

24.

De overgang naar een samenleving waarin de industrie een belangrijk middel van bestaan is.

a)

Sociale kwestie

b)

Industrialisatie

c)

Nachtwakersstaat

d)

Plan van de Arbeid

25.
In welk land begonnen ze als eerste met het bouwen van fabrieken?
a)
Nederland
b)
Duitsland
c)
Frankrijk
d)
Groot-Brittannië
26.
Wat was een gevolg van de industrialisatie?
a)
bevolkingsafname
b)
armoede
c)
bevolkingsgroei
27.
Door het gebruik van machines in de fabrieken nam de landbouwproductie toe.
a)
onjuist
b)
juist
28.

Waarom trekken fabriekseigenaren zich in de 19e eeuw niks aan van stakende arbeiders?

a)

Er zijn nog geen wetten om de arbeiders te beschermen

b)

Ze zijn de baas

c)

Ze doen lekker wat ze willen

29.

Welk land volgde na het Verenigd Koninkrijk de industriële revolutie?

a)

Frankrijk

b)

België

c)

Duitsland

d)

Nederland

30.
Waarom stonden de eerste fabrieken bij water; rivieren enz?
a)
Omdat ze via waterkracht de machines in de fabrieken aandreven. 
b)
Zo hadden ze meteen genoeg vers drinkwater. 
c)
Omdat ze het water gebruikte om elektriciteit op te wekken. 
d)
Omdat ze met de waterkracht stoommachines maakte. 
31.

Waarom overlijden er veel minder mensen in het laatste gedeelte van de 19e eeuw

a)

beter onderwijs

b)

Betere hygiene

c)

Medische vooruitgang

d)

meer sociale wetten

32.

Wat is verstedelijking/urbanisatie?

a)

Er komen meer steden

b)

Steden werden moderner

c)

Er komt meer werk in de steden

d)

Het groter worden van de steden

33.
Wat wordt bedoeld met:
'de verzorgingsstaat' ?
a)
De staat waarin oude mensen worden verzorgd door de overheid
b)
Land waarvan de overheid zorgt voor burgers die het financieel moeilijk hebben
c)
Een staat die uitsluitend bestaat uit mensen die zorg nodig hebben
34.
Wat is de 'wederopbouw'?
a)
Periode na de WOI waarin de schade van de  loopgravenoorlog werd hersteld 
b)
Periode voor de WOII waarin de oorlogsschade werd hersteld
c)
Periode na de WOII waarin de oorlogsschade werd hersteld
d)
Het opnieuw opbouwen van een militaire macht van Duitsland na de  WOII
35.
Welke wet voerde Willem Drees na de WOII in om de inkomsten van bejaarden te garanderen.
a)
De AOW (Algemene Ouderdoms Wet) waarmee iedereen na zijn 65ste een pensioen kreeg
b)
De WAO (Wet op Algemene Ouderdom) waarmee iedereen na zijn 65ste een pensioen kreeg
c)
De WAO (Wet Arbeids Ongeschiktheid) die ervoor zorgen dat gehandicapte bejaarden toch inkomsten kregen
36.
Waarom verloor Amsterdam in de 19e eeuw haar functie als belangrijkste haven van Nederland? 
a)
Vervoer ging steeds meer met de trein en niet met een schip
b)
Er stond te weinig wind op de Zuiderzee waardoor de schepen voor Pampus gingen liggen
c)
Door de komst van grote (stoom)schepen werd Amsterdam slecht bereikbaar.
37.

In dit jaar stortte de economie in elkaar en begon de wereldcrisis

a)

1929

b)

1919

c)

1914

d)

1933

38.
Wat was een gevolg van de industrialisatie?
a)
bevolkingsafname
b)
armoede
c)
bevolkingsgroei
39.

Waarom trekken fabriekseigenaren zich in de 19e eeuw niks aan van stakende arbeiders?

a)

Er zijn nog geen wetten om de arbeiders te beschermen

b)

Ze zijn de baas

c)

Ze doen lekker wat ze willen

40.
De arbeiders in arbeiderswijken werden niet zo oud omdat?
a)
Ze zo ongezond aten. 
b)
De luchtkwaliteit slecht was en de hygiene in de wijk slecht waren. 
c)
Ze roekeloos leefde. 
41.
Waardoor braken er epidemieën uit? 
a)
Door ratten. 
b)
Door de slechte hygiene in de arbeiderswijken. 
c)
Doordat ze zo ongezond aten. 
d)
Ziektes uit Z-Amerika die de ontdekkingsreizigers met zich mee brachten. 
42.

Waarom overlijden er veel minder mensen in het laatste gedeelte van de 19e eeuw

a)

beter onderwijs

b)

Betere hygiene

c)

Medische vooruitgang

d)

meer sociale wetten

43.

Wat is geen voorbeeld van een sociale wet?

a)

Arbeidsongeschiktheid

b)

Ongevallenwet

c)

Een uitkering

d)

het rookverbod

44.

Deze sector werd na de industriele revolutie steeds groter in Nederland

a)

Landbouw

b)

Industrie

c)

Diensten

45.

Wat is een vakbond?

a)

Organisatie van werkgevers die hoog in de ranglijst staan

b)

Een groep werknemers die protesteren

c)

organisatie van werknemers die hogere lonen en betere arbeidsomstandigheden willen

46.

Het kinderwetje van Van Houten

a)

1874

b)

1901

c)

1917

d)

1919

47.
Bij welke politieke stroming hoort deze afbeelding?
a)
Feminisme
b)
Socialisme
c)
Confessionelen
d)
Liberalen
48.

In 1874 schrijft Samuel van Houten het Kinderwetje. Daar staat in dat:

a)

Kinderen niet meer in fabrieken en werkplaatsen mogen werken

b)

Kinderen tot 12 jaar leerplichtig zijn

c)

Vrouwen niet meer dan 4 kinderen mogen krijgen

d)

Kinderen alleen veilig werk mogen doen

49.

Wat is de betekenis van aanpassingspolitiek

a)

Niet meer geld uitgeven dan dat er binnenkomt

b)

Bezuinigen

c)

Aanpassen aan de economie: stimuleringsmaatregelen nemen

d)

Koopkracht stimuleren: Uitkeringen en salarissen verhogen

50.

De aanpassingspolitiek leidde tot grote werkloosheid. Wat deed de regering daaraan?

a)

De regering liet geld bijdrukken

b)

De uitkeringen van de steuntrekkers werd een beetje verhoogd

c)

Werklozen moesten het leger in

d)

Er kwamen werkverschaffingsprojecten