wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Mavo3 Organen en cellen

Total questions: 36

Worksheet time: 19mins

Name
Class
Date
1.

Twee levenskenmerken zijn ademhalen en reageren op prikkels.

Welke levenskenmerken zijn er nog meer?

a)

Ademhalen

b)

Bewegen

c)

Proeven

d)

Ruiken

2.

Twee levenskenmerken zijn ademhalen en reageren op prikkels.

Welke levenskenmerken zijn er nog meer?

a)

Ademhalen

b)

Bewegen

c)

Proeven

d)

Ruiken

3.

Welk orgaan wordt met nummer 2 aangegeven?

a)

Lever

b)

Longen

c)

Maag

d)

Nieren

e)

Slokdarm

4.

Welk orgaan wordt met nummer 4 aangegeven?

a)

Lever

b)

Longen

c)

Maag

d)

Nieren

e)

Slokdarm

5.

Welk orgaan wordt met nummer 10 aangegeven?

a)

Lever

b)

Longen

c)

Maag

d)

Nieren

e)

Slokdarm

6.

Een ander woord voor gewone celdeling is ...

a)

meiose

b)

mitose

7.

In lichaamscellen komen chromosomen altijd ...

a)

enkel voor

b)

in paren voor

8.

In de afbeelding zie je een bepaalde type korrel.

Welke korrels zijn er in de afbeelding te zien?

a)

Bladgroenkorrels

b)

Kleurstofkorrels

c)

Zetmeelkorrels

9.

De Twellose pruimenboom kan tot 15 meter hoog worden. De bladeren zijn aan de bovenkant grasgroen en aan de onderkant blauwgroen door een waslaag. Bladcellen van deze boom bevatten 50 chromosomen. Aan de boom groeien pluimen met kleine mannelijke en vrouwelijke bloemen. Rijpe vruchten springen met een knal open, waardoor de zaden tot wel 15 meter ver worden weggeslingerd.

Hoeveel chromosomen bevat een stuifmeelkorrel van deze boom?

a)

25

b)

50

c)

100

10.

Welk orgaanstelsel is aangegeven met nummer 1?

a)

Ademhalingsstelsel

b)

Hersenstelsel

c)

Verteringsstelsel

d)

Zenuwstelsel

11.

Kijk goed naar de afbeelding. Welk orgaan is letter E?

a)

lever

b)

nier

c)

hart

d)

maag

12.
Welk orgaan wordt weergegeven met J?
a)
Lever
b)
Maag
c)
Alvleesklier
d)
Hart
13.
A. Tafel helemaal omlaag draaien en objectief 4x 
B. Tafel omhoog draaien met de grote schroef
C. Preparaat tussen de klemmen en lampje aan
D. Nauwkeurig scherpstellen met kleine schroef
E. Ongeveer scherpstellen met de grote schroef
Wat is de juiste volgorde?
a)
A - C - B - E - D
b)
A - B - C - D -E
c)
A - B - D -C -E
d)
B - A - C -E - D
14.

Wat is een gen?

a)

Een stukje van het DNA dat zorgt voor een specifieke erfelijke eigenschap.

b)

DNA

c)

Het membraan van de celkern.

d)

Een langgerekte dunne draad die voornamelijk bestaat uit DNA.

15.

Dit is een voorbeeld van een _____.

a)

cel

b)

weefsel

c)

orgaan

d)

orgaanstelsel

16.
Als ik kijk door een oculair van 10x en een objectief van 20x, dan heb ik een totale vergroting van 10 x 20 = 200x.
a)
Juist
b)
Onjuist
17.

Nummer 7 verwijst naar

a)

Objectief

b)

Lens

c)

Oculair

d)

Tubus

18.

Nummer 5 verwijst naar

a)

Condensor

b)

Diafragma

c)

Lampje

19.

Welk orgaanstelsel zie je op de afbeelding?

a)

Verteringsstelsel

b)

Beenderstelsel

c)

Spierenstelsel

d)

Bloedvatenstelsel

20.

De dunne darm is onderdeel van...

a)

Het verteringstelsel

b)

Het spierstelsel

c)

Het bloedvatenstelsel

d)

Het ademhalingsstelsel

21.

Geef aan wat het grootste is?

a)

Cellen

b)

Orgaanstelsel

c)

Orgaan

d)

Organisme

22.

Geef aan wat het kleinste is?

a)

Cellen

b)

Orgaanstelsel

c)

Orgaan

d)

Organisme

23.

Onderdeel 1 heet

a)

Cytoplasma

b)

Vacuole

c)

Kern

24.
wat veroorzaakt de gele kleur van de paprika?
a)
Plastiden
b)
Bladgroenkorrels
c)
Zetmeelkorrels
d)
Kleurstofkorrels
25.

Waar in een plantencel vind fotosynthese plaats?

a)

Celkern

b)

Cytoplasma

c)

Bladgroenkorrels

d)

Celwand

26.

De celkern is aangegeven met

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

e)

7

27.
Zie afbeelding. Is dit een plantaardige of een dierlijke cel?
a)
Dierlijke cel
b)
Plantaardige cel
28.
Wat is de juiste volgorde van groot naar klein bij de volgende begrippen:
orgaan - organisme - weefsel - orgaanstelsel - cel
a)
cel-orgaan-organisme-weefsel-orgaanstelsel
b)
organisme-orgaan-orgaanstelsel-weefsel-cel
c)
organisme-orgaanstelsel-orgaan-weefsel-cel
d)
cel-weefsel-orgaan-orgaanstelsel-organisme
29.

Wat is de juiste volgorde?

a)

1 - 2 - 3 - 4

b)

2 - 3 - 4 - 1

c)

3 - 1 - 2 - 4

d)

4 - 2 - 1 - 3

30.

Wat is een ander woord voor de meiose?

a)

Mitose

b)

Deling

c)

Reductiedeling

31.

Kan elke cel in het lichaam de meiose doen?

a)

ja

b)

nee

32.
a)

Dit is mitose

b)

Dit is meiose

33.

Nadat mitose heeft plaatsgevonden, zijn de nieuwe cellen:

a)

identiek

b)

half identiek en half verschillend

c)

verschillend

d)

allemaal gestrekt

34.
Waarom is mitose nodig?
a)
Voor de vorming van geslachtscellen
b)
Voor de vorming van chromosomen
c)
Voor de vervanging van afgestorven cellen
d)
Voor de celdeling
35.

Ratten en mensen zijn zoogdieren. De bouw van een celkern is bij alle zoogdieren in principe gelijk.

Van een bruine rat bevatten bepaalde cellen per kern in totaal 21 verschillende chromosomen.

Zijn deze cellen geslachtscellen of lichaamscellen? Of is dat niet te zeggen?

a)

geslachtscellen

b)

lichaamscellen

c)

dat is niet te zeggen

36.

Bij welk proces treedt bij de meeste dieren meiose op?

a)

bij de bevruchting

b)

bij de vorming van geslachtscellen

c)

bij ongeslachtelijke voortplanting

d)

bij de deling van bijvoorbeeld huidcellen