wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

kijker 2 taalwijs (4de lj)

Total questions: 50

Worksheet time: 50mins

Name
Class
Date
1.

Klik op het tegengestelde?

snel

a)

vlug

b)

langzaam

c)

snel

2.

Klik op het synoniem.

heel warm

a)

koud

b)

heet

c)

zon

3.

Klik op het synoniem.

snel lopen

a)

rennen

b)

springen

c)

wandelen

4.

Klik op het synoniem.

praten

a)

roepen

b)

spreken

c)

zingen

5.

Klik op het synoniem.

aardig

a)

boos

b)

lief

c)

planten

6.

Klik op het synoniem.

schip

a)

auto

b)

fiets

c)

boot

7.

Klik op het synoniem.

huilen

a)

school

b)

wenen

c)

lachen

8.

Klik op het synoniem.

gooien

a)

aanraken

b)

werpen

c)

drinken

9.

Klik op het synoniem.

meisje

a)

meid

b)

jongen

c)

juf

10.

Klik op het tegengestelde.

meisje

a)

meid

b)

jongen

c)

meester

11.

Klik op het tegengestelde.

koud

a)

ijs

b)

winter

c)

warm

12.

Klik op het tegengestelde.

groot

a)

klein

b)

muis

c)

reus

13.

Klik op het tegengestelde.

laag

a)

hoog

b)

blij

c)

laat

14.

Klik op het tegengestelde.

dik

a)

boos

b)

beleefd

c)

dun

15.

Klik op het tegengestelde.

vroeg

a)

zwaar

b)

ongezond

c)

laat

16.

Klik op het tegengestelde.

afwezig

a)

te laat

b)

aanwezig

c)

klas

17.

Zoek het onderwerp.
Harry gaat voor het eerst zwemmen.

a)

Harry

b)

zwemmen

c)
gaat
d)
eerst
18.

Zoek het onderwerp.
De uil bezorgt een brief.

a)
een brief
b)
de uil
c)
bezorgt
d)
een
19.

Zoek het onderwerp.
Eet de juf graag snoep? 

a)
eet
b)

de juf

c)
snoep
d)
graag
20.

Zoek de persoonsvorm.
De muis loopt weg van de kat. 

a)

de muis

b)

loopt

c)

weg

d)

de kat

21.

Zoek de persoonsvorm.
Lea zit in de derde klas.

a)

derde

b)

Lea

c)

zit

d)

klas

22.

Zoek de persoonsvorm.
Ziva mag morgen terug zwemmen.

a)

zwemmen

b)

mag

c)

Ziva

d)

morgen

23.

Zoek de persoonsvorm.
Loopt het luipaard heel snel?

a)

het

b)

snel

c)

het luipaard

d)

loopt

24.

Zoek het onderwerp.
De lieve kat slaapt op de stoel.

a)

kat

b)

slaapt

c)

de lieve kat

d)

stoel

25.

Is het enkelvoud of meervoud?
De directeur zingt een mooi lied.

a)

enkelvoud

b)

meervoud

26.

Is het enkelvoud of meervoud?
De klasdeuren vliegen open door de wind.

a)

enkelvoud

b)

meervoud

27.

Is het enkelvoud of meervoud?
Kikkers springen ver.

a)

enkelvoud

b)

meervoud

28.

Is het enkelvoud of meervoud?
Fara tekent een prachtig huis.

a)

enkelvoud

b)

meervoud

29.

Is het enkelvoud of meervoud?
Jullie zwemmen goed.

a)

enkelvoud

b)

meervoud

30.

Is het enkelvoud of meervoud?
De hond blaft naar de kat.

a)

enkelvoud

b)

meervoud

31.

Is het tegenwoordige tijd (nu) of verleden tijd (vroeger)?
De vogel vliegt naar de boom.

a)

tegenwoordige tijd (nu)

b)

verleden tijd (vroeger)

32.

Is het tegenwoordige tijd (nu) of verleden tijd (vroeger)?
Ik knipte gisteren mijn haar.

a)

tegenwoordige tijd (nu)

b)

verleden tijd (vroeger)

33.

Is het tegenwoordige tijd (nu) of verleden tijd (vroeger)?
Lio zwaait naar mama.

a)

tegenwoordige tijd (nu)

b)

verleden tijd (vroeger)

34.

Is het tegenwoordige tijd (nu) of verleden tijd (vroeger)?
De jongen liep snel naar het bos.

a)

tegenwoordige tijd (nu)

b)

verleden tijd (vroeger)

35.

Duid alle lidwoorden aan.

a)

de

b)

op

c)

het

d)

een

e)

in

36.

rode, donkere, hoge, dunne, spannende, ...

Dit zijn ...

a)

bijvoeglijke naamwoorden

b)

zelfstandige naamwoorden

c)

werkwoorden

d)

lidwoorden

37.

bossen, water, wandeling, voedsel, vlinder, ...

Dit zijn ...

a)

bijvoeglijke naamwoorden

b)

zelfstandige naamwoorden

c)

werkwoorden

d)

lidwoorden

38.

jongen, boom, nest, voedsel, ...

Dit zijn ...

a)

zelfstandige naamwoorden

b)

bijvoeglijke naamwoorden

c)

werkwoorden

d)

lidwoorden

39.

kruipen, zwemmen, zijn, springen, klimmen, vliegen, ...

Dit zijn ...

a)

zelfstandige naamwoorden

b)

bijvoeglijke naamwoorden

c)

werkwoorden

d)

lidwoorden

40.

Welk woord is een bijvoeglijk naamwoord?

a)

dansen

b)

ik

c)

doos

d)

grote

41.

Welk woord is een zelfstandig naamwoord?

a)

beestjes

b)

groot

c)

donker

d)

wonen

42.

Welk woord is GEEN lidwoord?

a)

een

b)

twee

c)

de

d)

het

43.

Welk woord is een werkwoord?

a)

nest

b)

blauw

c)

donker

d)

wonen

44.

Duid alle werkwoorden aan.

a)

nijlpaard

b)

de

c)

kijken

d)

zwemmen

e)

vliegen

45.

Duid alle bijvoeglijke naamwoorden aan.

a)

grote

b)

het

c)

kameleon

d)

lieve

e)

kruipen

46.

Duid alle zelfstandige naamwoorden aan.

a)

boom

b)

een

c)

water

d)

drinken

e)

nest

47.

De neusaap heeft een lange neus.

lange is ...

a)

een zelfstandig naamwoord

b)

een werkwoord

c)

een bijvoeglijk naamwoord

d)

een lidwoord

48.

De ijsvogel vliegt in de lucht.

vliegt is ...

a)

een zelfstandig naamwoord

b)

een lidwoord

c)

een werkwoord

d)

een bijvoeglijk naamwoord

49.

De luiaard is heel traag.

de is ...

a)

een lidwoord

b)

een zelfstandig naamwoord

c)

een werkwoord

d)

een bijvoeglijk naamwoord

50.

Een nijlpaard is een gevaarlijk dier.

dier is ...

a)

een werkwoord

b)

een zelfstandig naamwoord

c)

een lidwoord

d)

een bijvoeglijk naamwoord