wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

KNS 48-100

Total questions: 53

Worksheet time: 27mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de functie van deze man?

a)

burgemeester

b)

minister-president

2.

Is discriminatie toegestaan in Nederland?

a)

ja

b)

nee

3.

Hebben vrouwen in Nederland méér rechten dan mannen of dezelfde rechten?

a)

dezelfde rechten als mannen

b)

meer rechten dan mannen

4.

Mogen vrouwen in Nederland zelf kiezen met wie ze willen trouwen?

a)

ja

b)

nee

5.

Is het discrimineren van homoseksuelen strafbaar of toegestaan in Nederland?

a)

strafbaar

b)

toegestaan

6.

Heeft Nederland één staatsgodsdienst of zijn er veel godsdiensten?

a)

Er is één staatsgodsdienst

b)

Er zijn veel godsdiensten

7.

Zijn de kranten, radio en televisie vrij in hun mening in Nederland?

a)

ja

b)

nee

8.

Heeft Nederland veel televisiekanalen of is er één staatstelevisie?

a)

Er is één staatstelevisie

b)

Er zijn veel televisiekanalen

9.

Is homoseksualiteit toegestaan of strafbaar in Nederland?

a)

strafbaar

b)

toegestaan

10.

Is wapenbezit zonder vergunning toegestaan of strafbaar in Nederland?

a)

strafbaar

b)

toegestaan

11.

Is vrouwenbesnijdenis toegestaan of strafbaar in Nederland?

a)

strafbaar

b)

toegestaan

12.

Is het slaan van vrouwen toegestaan of strafbaar in Nederland?

a)

strafbaar

b)

toegestaan

13.

Hebben alle mensen in Nederland hetzelfde geloof?

a)

ja

b)

nee

14.

Welke taal spreken de mensen in Nederland?

a)

Duits

b)

Nederlands

15.

Is het belangrijk om snel Nederlands te leren?

a)

ja

b)

nee

16.

Wat leert u in de Nederlandse taalles?

a)

alle Europese talen

b)

de Nederlandse taal

17.

Moet u voor een taalcursus betalen?

a)

ja

b)

nee

18.

Wie betaalt de taalcursus?

a)

De school betaalt

b)

Ik betaal zelf

19.

Gaan in Nederland alleen kinderen naar school of ook volwassenen?

a)

alleen kinderen

b)

kinderen en volwassenen

20.

Worden verjaardagen in Nederland gevierd?

a)

ja

b)

nee

21.

Wat doen Nederlanders meestal als ze bij iemand op bezoek gaan?

a)

Ze gaan zomaar naar binnen

b)

Ze maken meestal een afspraak

22.

Opa’s en oma’s in Nederland, wonen die bij hun kinderen of wonen ze apart?

a)

Ze wonen apart

b)

Ze wonen bij hun kinderen

23.

Is het voor het leren van de taal goed om met kinderen naar de Nederlandse televisie te kijken?

a)

ja

b)

nee

24.

Wie is in Nederland verantwoordelijk voor wat kinderen doen?

a)

de ouders

b)

de school

25.

Hoe oud zijn de meeste kinderen in Nederland als ze naar school gaan?

a)

vier jaar

b)

vijf jaar

26.

Vanaf welke leeftijd is onderwijs verplicht in Nederland?

a)

vier jaar

b)

vijf jaar

27.

Tot welke leeftijd is onderwijs verplicht in Nederland?

a)

twaalf jaar

b)

achttien jaar

28.

Leren kinderen als ze spelen?

a)

ja

b)

nee

29.

Wie kiest in Nederland de school voor het kind?

a)

de gemeente

b)

de ouders

30.

Zijn er in Nederland op school aparte klassen voor jongens en voor meisjes?

a)

ja

b)

nee

31.

Dragen kinderen in Nederland op school een uniform?

a)

ja

b)

nee

32.

Wat kan deze jongen doen met een computer?

a)

alleen spelen

b)

spelen en leren

33.

Voortgezet onderwijs, is dat voor kinderen vanaf vier jaar of vanaf twaalf jaar?

a)

vanaf vier jaar

b)

vanaf twaalf jaar

34.

Gaan alle kinderen vanaf twaalf jaar naar hetzelfde soort onderwijs, of zijn er twee richtingen?

a)

Er is één soort

b)

Er zijn twee richtingen

35.

Tot welke leeftijd moeten kinderen in Nederland naar school?

a)

zestien jaar

b)

achttien jaar

36.

Vanaf welke leeftijd mogen jongeren hun eigen keuzes maken?

a)

vanaf zestien jaar

b)

vanaf achttien jaar

37.

Is het verplicht om uzelf te verzekeren tegen ziektekosten?

a)

ja

b)

nee

38.

Wie betaalt in Nederland uw verzekering tegen ziektekosten?

a)

de gemeente

b)

mijn partner

39.

Als u ziek wordt, waar kan u in Nederland dan het beste eerst naartoe gaan?

a)

naar de huisarts

b)

naar het ziekenhuis

40.

Waar haalt men in Nederland medicijnen op recept?

a)

bij de apotheek

b)

bij de drogist

41.

Waar gaat u in Nederland in een noodgeval naartoe?

a)

naar de drogist

b)

naar het ziekenhuis

42.

Waar werken de meeste specialisten?

a)

bij de huisartsenpost

b)

in het ziekenhuis

43.

Voor wie is het consultatiebureau?

a)

voor grote kinderen

b)

voor kleine kinderen

44.

Wie werken er in Nederland?

a)

alleen mannen

b)

mannen en vrouwen

45.

Wanneer moet u werk gaan zoeken, zo snel mogelijk of later?

a)

zo snel mogelijk

b)

later

46.

Waar is in Nederland steeds minder werk te vinden?

a)

in de industrie

b)

in de zorg

47.

Waar is in Nederland veel werk te vinden?

a)

in de landbouw

b)

in de zorg

48.

Waar is het in Nederland gemakkelijker om werk te vinden?

a)

in de beveiliging

b)

in de landbouw

49.

Hoe vindt u in Nederland gemakkelijker werk, via de krant of via familie?

a)

via de krant

b)

via familie

50.

Waar kunt u zich in Nederland inschrijven als u werk zoekt?

a)

bij een school

b)

bij een uitzendbureau

51.

Geeft men elkaar in Nederland bij een sollicitatiegesprek eerst een hand of gaat men direct zitten?

a)

Men gaat direct zitten

b)

Men geeft elkaar eerst een hand

52.

Krijgt u in Nederland een uitkering of moet uw partner voor u zorgen?

a)

Ik krijg een uitkering

b)

Mijn partner moet voor mij zorgen

53.

Is het leven in Nederland duur of goedkoop?

a)

duur

b)

goedkoop