wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H2 TSE 1

Total questions: 99

Worksheet time: 59mins

Name
Class
Date
1.

Wanneer de bloedsomloop stilvalt, kan het hart door een verpleegkundige worden gereanimeerd. Een menselijk hart bestaat uit verschillende weefsels. Hieronder staan twee eigenschappen van een menselijk hart:

  1. - Het hart pompt bloed rond
  2. - Het hart bestaat uit cellen

Welke van deze eigenschappen is een emergente eigenschap op het niveau orgaan?

a)

Geen van beide eigenschappen

b)

Alleen eigenschap 1

c)

Alleen eigenschap 2

d)

Beide eigenschappen

2.
Welk onderdeel heeft een dierlijke cel niet?
a)
Kern
b)
Celmembraan
c)
Celwand
d)
Cytoplasma
3.
Wat is de juiste volgorde van groot naar klein?
a)
Organenstelsel - Organisme - Weefsel - Cellen
b)
Organisme - Organenstelsel - Weefsel - Cellen
c)
Organisme - Organenstelsel - Organen - Weefsel - Cellen
d)
Organenstelsel- Organisme - Organen
4.

Een groep organen die samen een bepaalde functie hebben is een ......

a)

Cel

b)

Weefsel

c)

Orgaan

d)

Organenstelsel

e)

Organisme

5.

De stevigheid van dierlijke cellen ontstaat door stevige celwanden. Juist of onjuist?

a)

Juist

b)

Onjuist

6.

Wat is het verschil tussen het ruw ER en het glad ER?

a)

Er is geen verschil tussen beiden

b)

Plantaardige cellen hebben een ruw ER, dierlijke cellen hebben een glad ER.

c)

Het glad ER maakt eiwitten aan, het ruw ER verpakt ze in blaasjes

d)

Op de buitenkant van het ruw ER zitten ribosomen, op het glad ER niet.

7.

Wat zijn de twee belangrijkste verschillen tussen een plantaardige cel en een dierlijke cel?

a)

Plantaardige cellen hebben een celwand en chloroplasten, terwijl dierlijke cellen dat niet hebben.

b)

Plantaardige cellen hebben een celkern en een grote vacuole, terwijl dierlijke cellen dat niet hebben.

c)

Plantaardige cellen hebben geen mitochondriën en cytoplasma, terwijl dierlijke cellen dat wel hebben.

d)

Er zijn geen verschillen tussen beiden.

8.

Benoem het celorganel met nummer 4

a)

Golgi complex

b)

Vacuole

c)

Mitochondrie

d)

ER

9.

Kijk naar de afbeelding. Wat wordt aangegeven met nummer 2?

a)

Celmembraan

b)

Chloroplast

c)

Ruw endoplasmatisch reticulum

d)

Mitochondrium

10.

Bekijk de afbeelding. Wat is de functie van onderdeel 4?

a)

Eiwitsynthese

b)

Transport van stoffen

c)

Regeling stofwisseling

d)

Energie vrijmaken

11.

In welke plastiden vindt de fotosynthese plaats?

a)

In de chloroplasten

b)

In de leukoplasten

c)

In de chromoplasten

d)

In de zetmeelkorrels

12.

Wat doen lysosomen?

a)

maken eiwitten

b)

kunnen moleculen afbreken

c)

is een onderdeel van het celmembraan

d)

zet DNA om in RNA

13.

Wat zijn organellen?

a)

Het zelfde als een orgaan, zoals een lever of hart

b)

Dit zijn de organen van een plant

c)

een groep cellen met dezelfde vorm en functie

d)

de delen van een cel die een eigen functie hebben

14.

Het organisme op de afbeelding doet aan fotosynthese, is ééncellig en bevat een celkern. Dit organisme is een..

a)

Dier

b)

Plant

c)

Bacterie

d)

Schimmel

15.

Ecologie kun je bestuderen op verschillende niveaus. In welk rijtje staan ze op de juiste manier van klein naar groot?

a)

Individu - levensgemeenschap - populatie - ecosysteem

b)

Individu - populatie - ecosysteem - levensgemeenschap

c)

Individu - populatie - levensgemeenschap - ecosysteem

d)

Populatie - individu - levensgemeenschap - ecosysteem

16.

Biologen bestuderen eigenschappen op verschillende niveaus in de biologie. Op elk hoger organisatieniveau verschijnen nieuwe eigenschappen die (a)   eigenschappen worden genoemd.

17.

Op welk organisatieniveau onderzoek je in de biologie als je op het niveau van de foto aan het onderzoeken bent?

a)

Molecuul

b)

Cel

c)

Weefsel

d)

Orgaan

18.

Kijk naar de afbeelding. Wat wordt aangegeven met nummer 2?

a)

Celmembraan

b)

Chloroplast

c)

Ruw endoplasmatisch reticulum

d)

Mitochondrium

19.

Bekijk de afbeelding. Wat is de functie van onderdeel 4?

a)

Eiwitsynthese

b)

Transport van stoffen

c)

Regeling stofwisseling

d)

Energie vrijmaken

20.

In welke plastiden vindt de fotosynthese plaats?

a)

In de chloroplasten

b)

In de leukoplasten

c)

In de chromoplasten

d)

In de zetmeelkorrels

21.

Het celmembraan bestaat uit een dubbele laag van ...

(a)  

22.

Een wetenschapper wil de invloed van aspirine op de bloeddruk bepalen. Hij beschikt over twee gelijke groepen proefpersonen. De proefpersonen van de ene groep krijgen een aspirinetabletje (opgelost in een glas water) waarna ze de oplossing moeten opdrinken. Wat moet de controlegroep toegediend krijgen?

a)

Niks

b)

Een glas water

c)

Een glas water met opgelost een vergelijkbaar tabletje zonder aspirine

d)

Een vergelijkbaar tabletje zonder aspirine

23.
Manfred onderzoekt en benoemt alle waterdiertjes in de vijver om hier vervolgens een voedselweb van te maken.
Is dit een beschrijvend of een hypothesetoetsend onderzoek?
a)
Beschrijvend
b)
Hypothesetoetsend
24.

Wanneer je een skelet van een kip bestudeert ben je bezig op het niveau van een.,,,

a)

Weefsel

b)

Orgaan

c)

Orgaanstelsel

d)

Organisme

25.
Heeft een bacterie een celkern?
a)
Ja
b)
Nee
26.

Op welk plaatje is een dierlijke cel te zien?

a)
b)
c)
d)
27.

Wat is tussencelstof?

a)

een stof die door cellen in een weefsel worden uitgescheiden, maar geen onderdeel meer uit maken van dat weefsel

b)

een weefsel

c)

een stof die door cellen in een weefsel worden uitgescheiden, maar nog wel onderdeel uit maken van dat weefsel

d)

de orgaantjes van een cel

28.

Welke onderdelen hebben een plantencel wel maar een dierlijke cel niet? (er zijn meer antwoorden goed)

a)

celmembraan

b)

bladgroenkorrels

c)

celwand

d)

mitochondriën

e)

vacuole

29.

In een aardappel zitten bladgroenkorrels

a)

Waar

b)

Niet waar

30.

In de groene delen van een plant kan fotosynthese plaatsvinden.

a)

Waar

b)

Niet waar

31.

Alléén een dierlijke cel heeft een celmembraan.

a)

Waar

b)

Niet waar

32.

Wat zijn organellen?

a)

Het zelfde als een orgaan, zoals een lever of hart

b)

Dit zijn de organen van een plant

c)

een groep cellen met dezelfde vorm en functie

d)

de delen van een cel die een eigen functie hebben

33.

Wat is de functie van de mitochondriën?

a)

dit zijn organellen die zorgen voor de energievoorziening in een cel

b)

dit zijn de organellen die helpen bij het maken van eiwitten

c)

dit zijn de organellen die voor de fotosynthese zorgen

d)

hierin ligt het DNA opgeslagen

34.

Welke hoort er NIET bij de plastiden?

a)

zetmeelkorrels

b)

suikerkorrels

c)

bladgroenkorrels

d)

kleurstofkorrels

35.

De celwand is een onderdeel van de cel.

a)

Waar

b)

Niet waar

36.

De ribosomen helpen de cel bij het maken van eiwitten.

a)

Waar

b)

Niet waar

37.

Welk onderdeel van de cel zie je hier?

a)

De cel

b)

Plastide

c)

Mitochondrium

d)

Vacuole

38.

welk soort dierlijk weefsel zie je hier?

a)

botweefsel

b)

spierweefsel

c)

zenuwweefsel

39.

Kijk goed naar de afbeelding. Welk orgaan is nummer 4?

a)

borstwervel

b)

long

c)

hart

d)

rib

40.

Kijk goed naar de afbeelding. Welk orgaan is nummer 7?

a)

nier

b)

maag

c)

aorta

d)

lever

41.

Waardoor is een celmembraan selectief-permeabel en niet semi-permeabel?

a)

Omdat in water oplosbare stoffen via eiwitten in het celmembraan kunnen diffunderen

b)

Omdat in water oplosbare stoffen via fosfolipiden in het celmembraan kunnen diffunderen

c)

Omdat in water oplosbare stoffen door osmose via eiwitten in het celmembraan getransporteerd kunnen worden

d)

Omdat in vet oplosbare stoffen door osmose via eiwitten in het celmembraan getransporteerd kunnen worden

42.

Een bepaalde cel wordt achtereenvolgens in drie verschillende keukenzoutoplossingen gelegd en bij dezelfde vergroting getekend (zie afbeelding). In welke figuur heeft de getekende cel de grootste stevigheid?

a)

1

b)

2

c)

3

43.

Aan mondingen van rivieren kan het bij vloed voorkomen dat zoetwaterplanten worden overspoeld met zeewater. Daardoor neemt de turgor van de cellen van deze planten af. De daling van de turgor

wordt hoofdzakelijk veroorzaakt doordat de cellen van deze planten in zeewater...

a)

water verliezen

b)

water opnemen

c)

zouten afgeven

d)

zouten opnemen

44.

Een leerling bestudeert met zijn microscoop cellen van een rok van een ui in een druppel gedestilleerd water. Daarna wil hij intacte rode bloedcellen bestuderen. Hij moet de rode bloedcellen in een druppel van een zoutoplossing met een bepaalde concentratie leggen en niet in een druppel gedestilleerd water. Waarom is dit verschil in behandeling nodig?

a)

Omdat cellen van een ui geen celmembraan hebben en rode bloedcellen wel

b)

omdat de osmotische waarde van de cellen van een ui hoger is dan die van rode bloedcellen

c)

omdat rode bloedcellen in gedestilleerd water opzwellen en vervolgens knappen en cellen van een ui niet

d)

omdat rode bloedcellen in gedestilleerd water een te grote hoeveelheid zouten door e celmembraan naar buiten laten gaan en cellen van een ui niet

45.

Uit een aardappel worden enkele staafjes gesneden. De staafjes zijn even lang en even dik. Ze worden in verschillende suikeroplossingen gelegd. Een dag later wordt de lengte van de staafjes gemeten. Het resultaat hiervan is weergegeven in het diagram van de afbeelding. Ook de lengte van de staafjes voor de proef is in het diagram weergegeven. Bij welke van de in het diagram aangegeven suikerconcentraties is de turgor van de aardappelcellen het hoogst?

a)

Bij concentratie P

b)

Bij concentratie Q

c)

Bij concentratie R

d)

Bij concentratie S

46.

Deze afbeelding is een voorbeeld van...

a)

osmose

b)

diffusie

c)

geleide diffusie

d)

actief transport

47.

De afbeelding geeft verschillende moleculen weer die in en uit de cel bewegen. Op welke manier beweegt molecule C uit de cel?

a)

actief transport

b)

diffusie

c)

Natrium-Kalium pomp

d)

osmose

48.

Wanneer Joris verlepte sla in water legt, merkt hij dat de sla opnieuw fris en knapperig wordt. Verklaar zijn waarneming.

a)

De cellen van de sla nemen water op door actief transport.

b)

De cellen van de sla nemen zout op door diffusie

c)

De cellen van de sla nemen water op door osmose

d)

De cellen van de sla geven water af door osmose

49.

Na een heerlijk lang bad blijken je vingers verschrompeld. Dit is een voorbeeld van...

a)

actief transport

b)

diffusie

c)

osmose

50.

Tijdens een experiment wordt een dialyseslang ( = semi-permeabel membraan) gevuld met een waterige oplossing die 3% zetmeel en 3% glucose bevat. Daarna wordt deze in een beker met gedemineraliseerd water gelegd (zie afbeelding). Na 3 uur wordt er een waarneming gedaan. Welke uitspraak past bij deze waarneming?

a)

Zetmeel moleculen verplaatsen zich doorheen de dialyseslang naar de beker.

b)

De concentratie aan zetmeel en glucose is gelijk, zowel in de dialyseslang als in de beker.

c)

Water verplaatst zich via osmose van de beker doorheen de dialyseslang.

d)

Water verplaatst zich via diffusie doorheen de dialyseslang naar de beker.

51.

Robin verstuift water over de groenten in de versafdeling zodat ze er 'frisser' uitzien. Dit is een voorbeeld van

a)

osmose

b)

diffusie

c)

actief transport

52.

Dit dialyse zakje ligt in een oplossing en vertoont ’turgor’. Waarmee zal het zakje dus gevuld zijn?

a)

met een hypertonische oplossing

b)

met een hypotonische oplossing

c)

met een isotonische oplossing

53.

Het celmembraan is opgebouwd uit een dubbele laag van ...

a)

Fosfolipiden

b)

Cholesterol

c)

Eiwitten

d)

Cellulose

54.

De staart van fosfolipiden is....

a)

Hydrofoob

b)

Hydrofiel

55.

De kop van fosfolipiden is....

a)

Hydrofoob

b)

Hydrofiel

56.

Door het celmembraan kunnen stoffen getransporteerd worden. Wanneer dit transport energie kost spreekt men van....

a)

Actief transport

b)

Passief transport

57.

Op de afbeelding wordt actief transport aangegeven met ...

a)

A

b)

B

58.

Actief transport gaat altijd via transporteiwitten in het celmembraan. Een stof wordt altijd verplaatst van een

a)

Hoge concentratie naar een lage concentratie

b)

Lage concentratie naar een hoge concentratie

59.

Diffusie van een stof gaat......, bijvoorbeeld bij vetachtige stoffen.

a)

Door de laag van fosfolipiden

b)

Via transporteiwitten

60.

Diffusie via transporteiwitten, verbruikt geen ATP. Dit noemt men.....

a)

Osmose

b)

Gefaciliteerde diffusie

c)

Diffusie

d)

Actief transport

61.

Wat is hydrofiel?

a)

Waterafstotend

b)

Trekt water aan

62.

Wat is hydrofoob?

a)

Waterafstotend

b)

Trekt water aan

63.

Wat is de functie van cholesterol in het celmembraan?

a)

Stabiliteit in het celmembraan

b)

Het bouwen van nieuwe fosfolipiden

c)

Levert energie in de cel

d)

Vormt transportblaasjes

64.

Deze afbeelding is een voorbeeld van _____.

a)

actief transport

b)

passief transport

c)

diffusie

d)

osmose

65.

Wat is het verschil tussen het ruw ER en het glad ER?

a)

Er is geen verschil tussen beiden

b)

Plantaardige cellen hebben een ruw ER, dierlijke cellen hebben een glad ER.

c)

Het glad ER maakt eiwitten aan, het ruw ER verpakt ze in blaasjes

d)

Op de buitenkant van het ruw ER zitten ribosomen, op het glad ER niet.

66.

Wanneer Joris verlepte sla in water legt, merkt hij dat de sla opnieuw fris en knapperig wordt. Verklaar zijn waarneming.

a)

De cellen van de sla nemen water op door actief transport.

b)

De cellen van de sla nemen zout op door diffusie

c)

De cellen van de sla nemen water op door osmose

d)

De cellen van de sla geven water af door osmose

67.

Uit een aardappel worden enkele staafjes gesneden. De staafjes zijn even lang en even dik. Ze worden in verschillende suikeroplossingen gelegd. Een dag later wordt de lengte van de staafjes gemeten. Het resultaat hiervan is weergegeven in het diagram van de afbeelding. Ook de lengte van de staafjes voor de proef is in het diagram weergegeven. Bij welke van de in het diagram aangegeven suikerconcentraties is de turgor van de aardappelcellen het hoogst?

a)

Bij concentratie P

b)

Bij concentratie Q

c)

Bij concentratie R

d)

Bij concentratie S

68.

Een leerling bestudeert met zijn microscoop cellen van een rok van een ui in een druppel gedestilleerd water. Daarna wil hij intacte rode bloedcellen bestuderen. Hij moet de rode bloedcellen in een druppel van een zoutoplossing met een bepaalde concentratie leggen en niet in een druppel gedestilleerd water. Waarom is dit verschil in behandeling nodig?

a)

Omdat cellen van een ui geen celmembraan hebben en rode bloedcellen wel

b)

omdat de osmotische waarde van de cellen van een ui hoger is dan die van rode bloedcellen

c)

omdat rode bloedcellen in gedestilleerd water opzwellen en vervolgens knappen en cellen van een ui niet

d)

omdat rode bloedcellen in gedestilleerd water een te grote hoeveelheid zouten door e celmembraan naar buiten laten gaan en cellen van een ui niet

69.

Een wetenschapper wil de invloed van aspirine op de bloeddruk bepalen. Hij beschikt over twee gelijke groepen proefpersonen. De proefpersonen van de ene groep krijgen een aspirinetabletje (opgelost in een glas water) waarna ze de oplossing moeten opdrinken. Wat moet de controlegroep toegediend krijgen?

a)

Niks

b)

Een glas water

c)

Een glas water met opgelost een vergelijkbaar tabletje zonder aspirine

d)

Een vergelijkbaar tabletje zonder aspirine

70.

In welke plastiden vindt de fotosynthese plaats?

a)

In de chloroplasten

b)

In de leukoplasten

c)

In de chromoplasten

d)

In de zetmeelkorrels

71.

Bekijk de afbeelding. Wat is de functie van onderdeel 4?

a)

Eiwitsynthese

b)

Transport van stoffen

c)

Regeling stofwisseling

d)

Energie vrijmaken

72.

Kijk naar de afbeelding. Wat wordt aangegeven met nummer 2?

a)

Celmembraan

b)

Chloroplast

c)

Ruw endoplasmatisch reticulum

d)

Mitochondrium

73.

Op welk organisatieniveau onderzoek je in de biologie als je op het niveau van de foto aan het onderzoeken bent?

a)

Molecuul

b)

Cel

c)

Weefsel

d)

Orgaan

74.

Ecologie kun je bestuderen op verschillende niveaus. In welk rijtje staan ze op de juiste manier van klein naar groot?

a)

Individu - levensgemeenschap - populatie - ecosysteem

b)

Individu - populatie - ecosysteem - levensgemeenschap

c)

Individu - populatie - levensgemeenschap - ecosysteem

d)

Populatie - individu - levensgemeenschap - ecosysteem

75.

Uit een aardappel worden enkele staafjes gesneden. De staafjes zijn even lang en even dik. Ze worden in verschillende suikeroplossingen gelegd. Een dag later wordt de lengte van de staafjes gemeten. Het resultaat hiervan is weergegeven in het diagram van de afbeelding. Ook de lengte van de staafjes voor de proef is in het diagram weergegeven. Bij welke van de in het diagram aangegeven suikerconcentraties is de turgor van de aardappelcellen het hoogst?

a)

Bij concentratie P

b)

Bij concentratie Q

c)

Bij concentratie R

d)

Bij concentratie S

76.

In het cytoplasma van een zenuwcel is de kalium concentratie (K+ ionen) veel hoger dan buiten de cel. Welk manier van transport maakt dit mogelijk?

a)

diffusie

b)

actief transport

c)

passief transport

d)

osmose

77.

In de afbeelding zie je een ader (blauw) langs de nierbuis afstromen (geel). De wanden van deze vaten zijn semi-permeabel. Alleen water kan erdoor. Welke pijl is de juiste weergave van de richting waarin de waterdeeltjes zich verplaatsen door osmose?

a)

Pijl A

b)

Pijl B

78.

Wat zijn organellen?

a)

Het zelfde als een orgaan, zoals een lever of hart

b)

Dit zijn de organen van een plant

c)

een groep cellen met dezelfde vorm en functie

d)

de delen van een cel die een eigen functie hebben

79.

Wat doen lysosomen?

a)

maken eiwitten

b)

kunnen moleculen afbreken

c)

is een onderdeel van het celmembraan

d)

zet DNA om in RNA

80.

Deze afbeelding is een voorbeeld van...

a)

osmose

b)

diffusie

c)

geleide diffusie

d)

actief transport

81.

Een celkern bevat de complete informatie voor alle erfelijke eigenschappen.

a)

Juist

b)

Onjuist

82.

Het organisme op de afbeelding doet aan fotosynthese, is ééncellig en bevat een celkern. Dit organisme is een..

a)

Dier

b)

Plant

c)

Bacterie

d)

Schimmel

83.
Een wetenschapper wil de invloed van aspirine op de bloeddruk bepalen. Hij beschikt over twee gelijke groepen proefpersonen. De proefpersonen van de ene groep krijgen een asparinetabletje (opgelost in een glas water) waarna ze de oplossing moeten opdrinken.
Wat moet de controlegroep toegediend krijgen?
a)
Niks
b)
Een glas water
c)
Een glaswater met opgelost een vergelijkbaar tabletje
d)
Een vergelijkbaar tabletje zonder asparine
84.
Heeft een bacterie een celkern?
a)
Ja
b)
Nee
85.

Wanneer de bloedsomloop stilvalt, kan het hart door een verpleegkundige worden gereanimeerd. Een menselijk hart bestaat uit verschillende weefsels. Hieronder staan twee eigenschappen van een menselijk hart:

  1. - Het hart pompt bloed rond
  2. - Het hart bestaat uit cellen

Welke van deze eigenschappen is een emergente eigenschap op het niveau orgaan?

a)

Geen van beide eigenschappen

b)

Alleen eigenschap 1

c)

Alleen eigenschap 2

d)

Beide eigenschappen

86.
Welk onderdeel heeft een dierlijke cel niet?
a)
Kern
b)
Celmembraan
c)
Celwand
d)
Cytoplasma
87.

De stevigheid van dierlijke cellen ontstaat door stevige celwanden. Juist of onjuist?

a)

Juist

b)

Onjuist

88.

Een leerling bestudeert met zijn microscoop cellen van een rok van een ui in een druppel gedestilleerd water. Daarna wil hij intacte rode bloedcellen bestuderen. Hij moet de rode bloedcellen in een druppel van een zoutoplossing met een bepaalde concentratie leggen en niet in een druppel gedestilleerd water. Waarom is dit verschil in behandeling nodig?

a)

Omdat cellen van een ui geen celmembraan hebben en rode bloedcellen wel

b)

omdat de osmotische waarde van de cellen van een ui hoger is dan die van rode bloedcellen

c)

omdat rode bloedcellen in gedestilleerd water opzwellen en vervolgens knappen en cellen van een ui niet

d)

omdat rode bloedcellen in gedestilleerd water een te grote hoeveelheid zouten door e celmembraan naar buiten laten gaan en cellen van een ui niet

89.

Tijdens een experiment wordt een dialyseslang ( = semi-permeabel membraan) gevuld met een waterige oplossing die 3% zetmeel en 3% glucose bevat. Daarna wordt deze in een beker met gedemineraliseerd water gelegd (zie afbeelding). Na 3 uur wordt er een waarneming gedaan. Welke uitspraak past bij deze waarneming?

a)

Zetmeel moleculen verplaatsen zich doorheen de dialyseslang naar de beker.

b)

De concentratie aan zetmeel en glucose is gelijk, zowel in de dialyseslang als in de beker.

c)

Water verplaatst zich via osmose van de beker doorheen de dialyseslang.

d)

Water verplaatst zich via diffusie doorheen de dialyseslang naar de beker.

90.

Wat zijn de twee belangrijkste verschillen tussen een plantaardige cel en een dierlijke cel?

a)

Plantaardige cellen hebben een celwand en chloroplasten, terwijl dierlijke cellen dat niet hebben.

b)

Plantaardige cellen hebben een celkern en een grote vacuole, terwijl dierlijke cellen dat niet hebben.

c)

Plantaardige cellen hebben geen mitochondriën en cytoplasma, terwijl dierlijke cellen dat wel hebben.

d)

Er zijn geen verschillen tussen beiden.

91.

juist of fout: De snelheid van diffusie en van osmose zal toenemen als de temperatuur verhoogt wordt.

a)

juist, omdat alle moleculen sneller gaan bewegen door toenemende temperatuur

b)

fout, omdat dit enkel geldt voor diffusie

c)

fout, omdat het bij osmose omgekeerd is

d)

juist, omdat bij diffusie en osmose dezelfde stoffen getransporteerd worden.

92.

Een bepaalde plantencel heeft turgor die maximaal is. Hij verandert niet meer van grootte.

Is de osmotische waarde buiten de cel groter dan, kleiner dan of gelijk aan de osmotische waarde in de cel?

a)

groter

b)

kleiner

c)

gelijk

93.

Onder de electronenmicroscoop ziet een analist cellen die opvallend veel mitochondrien bevatten. Welk type cellen zou dit kunnen zijn?

a)

spiercellen

b)

speekselklier cellen

c)

darmcellen

d)

huidcellen

94.

Sabrina doet een onderzoek over de invloed van de zuurgraad van de bodem op het ontkiemen van tuinkerszaden.


Dit onderzoek kan men in vijf stappen delen. In willekeurige volgorde zijn deze stappen:


1) Sabrina denkt dat zaden van tuinkers bij een lagere en hogere Ph slechter zullen ontkiemen dan bij een neutrale pH.

2) Sabrina laat 20 zaadjes van tuinkers ontkiemen bij pH 6 en 25 zaadjes bij pH 7 en 25 zaadjes bij pH 8.

3) Sabrina stelt vast dat bij pH 8 maar 4 zaadjes van tuinkers ontkiemen, bij pH 6 maar 8 en bij pH 7 zijn dat er 22.

4) Sabrina leest in een boek dat voor het ontkiemen van zaden de pH neutraal moet zijn.

5) Sabrina vraagt zich af of bij een lagere en hogere zuurgraad minder zaadjes van tuinkers ontkiemen dan bij een neutrale pH.

6) Sabrina concludeert dat pH 7 inderdaad de ideale zuurgraad is voor de ontkieming van tuinkers.


Welke stap is de hypothese?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

e)

5

95.

O2 verplaatst zich van de longen naar het bloed bij een inademing. Het transport verloopt via diffusie. Dit is een vorm van...

a)

passief transport, het kost ATP

b)

passief transport, het kost GEEN ATP

c)

actief transport, het kost ATP

d)

actief transport, het kost geen ATP

96.

Wat zijn de 4 stikstofbasen?

a)

adenine, thymine, cytoplasma, and guanine

b)
adenine, thymine cytosine, and guanine
c)

adenine, thymine, cytosine, and glycerol

d)
adenine, thymine, cytosine, and glucose
97.

volgorde van replicatie

a)
3, 4, 2, 1
b)
3, 1, 4, 2
c)
2, 1, 4, 3
d)
3, 4, 1, 2
98.

U krijgt de DNA-streng 5'ATGCTCAGCTGA3'. Wat is de bijbehorende DNA-streng?

a)

5'UACGAGUCGACU3'

b)

5'TACGAGTCGACT3'

c)

3'UACGAGUCGACU5'

d)

3'TACGAGTCGACT5'

99.

Wat is de correcte aminozuursequentie voor de mRNA code AUGCCAGUAUGA?

a)

Met-Pro-Val-Stop

b)

Met-Pro-Arg-Stop

c)

Met-Tyr-Gly-His

d)

Tyr-Gly-Arg-His