Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Verzorgingsstaat

Total questions: 59

Worksheet time: 32mins

Name
Class
Date
1.

Een verzorgingsstaat is gebaseerd op twee belangrijke waarden. Welke waarden zijn dat?

a)

Gezondheid en gelijke kansen

b)

Werkgelegenheid en solidariteit.

c)

Solidariteit en gelijke kansen.

d)

Vrijheid en gelijkheid.

2.

In een verzorgingsstaat:

a)

nemen werkgeversorganisaties en vakbonden veel taken van de overheid over.

b)

kan een burger sociale grondrechten afdwingen bij de rechter.

c)

is gezondheidszorg belangrijker dan onderwijs.

d)

is de solidariteitsgedachte een belangrijk uitgangspunt.

3.

Wat zijn de drie terreinen waaraan de overheid in een verzorgingsstaat het meeste geld uitgeeft?

a)

Onderwijs, gezondheidszorg en werkgelegenheid.

b)

Gezondheidszorg, sociale zekerheid en collectieve voorzieningen.

c)

Sociale zekerheid, onderwijs en gezondheidszorg.

d)

Werkgelegenheid, collectieve voorzieningen en gezondheidszorg.

4.

Wat is geen wettelijke verplichting binnen de Nederlandse verzorgingsstaat?

a)

Tot je zestiende naar school gaan.

b)

Belasting betalen over inkomen.

c)

Een zorgverzekering hebben.

d)

Vakbondslidmaatschap.

5.

De kern van de verzorgingsstaat is de solidariteitsgedachte. Dat wil zeggen dat:

a)

je bereid bent om risico’s met elkaar te delen.

b)

de overheid een basisinkomen voor burgers financiert.

c)

de overheid verplicht is om iedereen evenveel financiële hulp te bieden.

d)

burgers gezondheidszorg onderling met elkaar regelen.

6.

Welke stelling is juist?

a)

Het socialezekerheidsstelsel verzekert burgers alleen van gezondheidszorg.

b)

Bij de gezondheidszorg speelt solidariteit geen rol, omdat de overheid hier alle kosten betaalt.

c)

Tot je achttiende ben je wettelijk verplicht om onderwijs te volgen.

d)

Je kunt sociale grondrechten niet afdwingen bij de rechter.

7.

Het grootste gedeelte van de kosten voor de verzorgingsstaat wordt betaald door:

a)

ambtenaren.

b)

werknemers en uitkeringsinstanties.

c)

werknemers en werkgevers.

d)

de Europese Unie.

8.

De afweging tussen wat de overheid in een verzorgingsstaat oppakt, wat burgers zelf doen en wat maatschappelijke organisaties doen, is afhankelijk van:

a)

de politieke voorkeur van de regering.

b)

de vrije markt.

c)

het maatschappelijke middenveld.

d)

de Grondwet.

9.

De Armenwet van 1854 regelde:

a)

beperkte financiële steun voor armen.

b)

een minimumloon voor fabrieksarbeiders.

c)

betere huisvesting in sloppenwijken.

d)

voedselbanken voor armen.

10.

In de nachtwakersstaat werden hulpbehoevenden vooral geholpen door:

a)

de vakbond en de kerk.

b)

de kerk en liefdadigheid van rijken.

c)

rijke werkgevers en vakbonden.

d)

maatschappelijke dienstverleners.

11.

Een nachtwakersstaat is een staat waarin:

a)

de overheid zich beperkt tot het handhaven van de rechtsorde.

b)

de overheid zich sterk inzet om het welzijn en de welvaart van burgers te vergroten.

c)

de economie door de overheid wordt bepaald.

d)

de overheid verplicht is de sociale zekerheid van burgers uit te bouwen.

12.

Welke stelling is juist? In een nachtwakersstaat:

a)

bemoeit de overheid zich alleen met de economie.

b)

bestaan nauwelijks sociale wetten.

c)

worden armen door de overheid onderdrukt.

d)

bestaat er geen scheiding tussen kerk en staat.

13.

In 1854 werd in Nederland de Armenwet ingevoerd. Deze wet regelde dat arme mensen een beetje financiële steun van de overheid kregen. Voordat die wet er was:

a)

waren armen afhankelijk van liefdadigheidsinstellingen en de kerk.

b)

werden armen in tehuizen opgesloten.

c)

moesten armen verplicht in werkkampen werken.

d)

moesten armen alleen van de kinderbijslag rondkomen.

14.

Om de verzorgingsstaat betaalbaar te houden, nam de overheid vanaf de jaren negentig maatregelen. Wat is geen voorbeeld

4 lines
15.

Om de verzorgingsstaat betaalbaar te houden, nam de overheid vanaf de jaren negentig maatregelen. Wat is geen voorbeeld van zo’n maatregel?

a)

Meer werkgelegenheid creëren.

b)

Verplicht solliciteren bij een bijstandsuitkering.

c)

Meer controle op fraude.

d)

Het verhogen van de AOW-leeftijd.

16.

Volgens de christendemocratische visie moet de overheid:

a)

een terughoudende rol innemen.

b)

particulier initiatief inperken.

c)

een aanvullende rol innemen.

d)

een uitgebreid zorgstelsel faciliteren.

17.

Liberalen willen in een verzorgingsstaat collectieve uitgaven voor zorg en uitkeringen laag houden met het doel:

a)

meer geld te kunnen besteden aan onderwijs en cultuur.

b)

de eigen verantwoordelijkheid van burgers te stimuleren.

c)

gezinnen met weinig inkomen meer zekerheid te kunnen bieden.

d)

werkloosheid te voorkomen.

18.

Welke uitspraak is juist?

a)

Liberalen zijn fel tegen de vrijemarkteconomie.

b)

Sociaaldemocraten zijn voor samenwerking tussen overheid en bedrijfsleven.

c)

Christendemocraten willen dat de overheid de mantelzorg op zich neemt.

d)

Liberalen en sociaaldemocraten vinden beiden dat de overheid veel meer invloed moet krijgen.

19.

Volgens de christendemocraten moet het maatschappelijke middenveld een belangrijke rol spelen in de verzorgingsstaat. Het maatschappelijke middenveld:

a)

bestaat uit groepen mensen en organisaties.

b)

wordt gevormd door de overheid.

c)

is een samenwerkingsverband van grote en kleine bedrijven.

d)

bestaat uit door de overheid opgerichte overlegorganen.

20.

De christendemocratische visie legt de nadruk op mantelzorg. Onder mantelzorg verstaan we de zorg aan hulpbehoevenden door:

a)

professionele organisaties en instellingen.

b)

overheidsinstellingen.

c)

kerkelijke instellingen.

d)

familie, buren en bekenden.

21.

In het Nederlandse onderwijs:

a)

zijn jongeren tot hun twintigste gedeeltelijk leerplichtig.

b)

is spijbelen niet strafbaar.

c)

zijn alle scholen opgericht door de overheid.

d)

controleert de Onderwijsinspectie de prestaties van de scholen.

22.

Welke uitspraak over onderwijs in Nederland klopt niet?

a)

Met een startkwalificatie heb je meer kans op een baan en een inkomen.

b)

Onderwijs is ook belangrijk voor je identiteitsvorming en sociale contacten.

c)

Een leerplichtambtenaar kan ouders een boete geven als hun kind niet naar school gaat.

d)

Door de Leerplichtwet en kwalificatie-plicht komt schooluitval niet voor.

23.

De overheid vindt goed onderwijs om verschillende redenen belangrijk. Eén reden is dat iedereen daardoor zijn/haar talenten kan ontwikkelen. Een andere reden is dat:

a)

dan de sociale ongelijkheid toeneemt.

b)

goed opgeleide mensen de Nederlandse economie versterken.

c)

daardoor de marktwerking toeneemt.

d)

dan het aantal mensen dat gebruik maakt van de sociale voorzieningen toeneemt.

24.

De Nederlandse overheid heeft drie belangrijke doelen op het gebied van onderwijs. Wat is geen doel?

a)

Zorgen voor een goed opgeleide beroepsbevolking.

b)

Ervoor zorgen dat alle scholen in Nederland precies hetzelfde onderwijs geven.

c)

Het tegengaan van een ongelijke verdeling in de maatschappij van kennis, inkomen, status en macht.

d)

Ervoor zorgen dat iedereen de kans krijgt om zich te ontwikkelen, bijvoorbeeld door een makkelijke doorstroming van vmbo naar havo.

25.

Waarom is het voor de overheid belangrijk dat mensen ‘een leven lang leren’?

a)

Als mensen zich blijven ontwikkelen, hebben ze minder kans om werkloos te raken. Dat kost de overheid uiteindelijk minder geld.

b)

Als mensen blijven leren, heeft Nederland uiteindelijk een vol

26.

Welke uitspraak over kansenongelijkheid in Nederland is juist?

a)

In het Nederlandse onderwijs is de kansenongelijkheid laag.

b)

De laatste jaren stijgt het opleidingsniveau van jongeren langzaam.

c)

Op het hbo en de universiteit zijn meer jongens dan meisjes.

d)

Uit een rapport van de Onderwijs-inspectie is gebleken dat leerlingen met dezelfde talenten altijd dezelfde kansen krijgen.

27.

In Nederland is zorg een sociaal grondrecht. Dit betekent dat:

a)

de overheid verplicht is om ervoor te zorgen dat iedereen de zorg krijgt die nodig is.

b)

er wettelijk bepaald is dat er in de gezondheidszorg aandacht moet zijn voor preventie.

c)

alle ziekenhuizen in handen zijn van de overheid.

d)

de overheid zich moet inzetten voor goede gezondheidszorg.

28.

Welke stelling over zorgverzekeringen is juist?

a)

Voor een basisverzekering betaal je maandelijks een bedrag aan de overheid.

b)

Boven de 18 jaar ben je verplicht een zorgverzekering af te sluiten.

c)

Een basisverzekering dekt alleen de kosten voor de huisarts en de tandarts.

d)

Een aanvullende zorgverzekering geldt alleen voor ouderen.

29.

Welke uitspraak over de zorgtoeslag is juist?

a)

Mensen met een aanvullende verzekering krijgen een deel van de ziektekostenverzekering terug via een zorgtoeslag.

b)

Mensen met een laag inkomen krijgen een deel van de ziektekostenverzekering terug via een zorgtoeslag.

c)

De zorgtoeslag is bedoeld voor jongeren tot achttien jaar die niet verzekerd kunnen zijn via hun ouders.

d)

De zorgtoeslag zorgt ervoor dat mensen niet te snel naar de dokter gaan.

30.

Voor een zorgverzekering geldt een eigen risico van een paar honderd euro. Een voordeel hiervan is dat mensen niet onnodig naar de dokter gaan. Een nadeel is dat:

a)

je alle zorg aan het begin van het jaar zelf moet betalen.

b)

mensen met weinig inkomen zich niet verzekeren.

c)

mensen met weinig inkomen medische zorg vermijden.

d)

medische zorg voor de meeste burgers onbetaalbaar wordt.

31.

In Nederland betekent marktwerking in de zorg dat de overheid:

a)

alle zorg inkoopt bij grote medische bedrijven.

b)

taken binnen de gezondheidszorg heeft overgedragen aan zorgverzekeraars.

c)

zich niet meer bezighoudt met gezondheidszorg.

d)

meer moet concurreren met marktpartijen.

32.

Welke uitspraak over mantelzorg klopt niet?

a)

In sommige gevallen is mantelzorg wettelijk verplicht.

b)

Ongeveer een derde van de Nederlanders van zestien jaar en ouder is mantelzorger.

c)

In sommige gevallen wordt mantelzorg door de overheid vergoed.

d)

Bij mantelzorg zorg je langdurig voor bijvoorbeeld een zieke of gehandicapte ouder of familielid.

33.

Waarvoor is de ‘quality-adjusted life year’ (qaly) bedoeld?

a)

Om de kosten voor nieuwe medicijnen en behandelmethoden te bepalen.

b)

Als campagne om Nederlanders aan te sporen gezonder te leven.

c)

Om te meten of de zorgkosten jaarlijks stijgen of dalen.

d)

Als richtlijn om te bepalen of een behandeling vergoed moet worden door de basisverzekering.

34.

De kosten van de gezondheidszorg worden ook beïnvloed door de leefstijl van veel Nederlanders. Welke van de volgende uitspraken is onjuist?

a)

De toename van welvaartsziekten vormt een maatschappelijk probleem.

b)

Met name ouderen hebben steeds meer kans op w

35.

Welke van de volgende uitspraken is onjuist?

a)

De toename van welvaartsziekten vormt een maatschappelijk probleem.

b)

Met name ouderen hebben steeds meer kans op welvaartsziekten.

c)

Met reclamecampagnes probeert de overheid een gezonde leefstijl bij burgers te stimuleren.

d)

De gezondheid van werknemers is ook belangrijk voor werkgevers.

36.

De Algemene Ouderdomswet (AOW) en de Kinderbijslagwet (AKW) zijn voorbeelden van:

a)

werknemersverzekeringen.

b)

volksverzekeringen.

c)

sociale voorzieningen.

d)

bijzondere bijstand.

37.

Het belangrijkste verschil tussen sociale verzekeringen en bijvoorbeeld een particuliere brandverzekering is dat sociale verzekeringen:

a)

vrijwillig zijn.

b)

door marktwerking bepaald worden.

c)

alleen door vakbonden zijn af te sluiten.

d)

verplicht zijn.

38.

Welke stelling is juist? Sociale voorzieningen zijn bedoeld voor alle mensen die:

a)

arbeidsongeschikt zijn geworden.

b)

werkloos zijn.

c)

geen aanspraak kunnen maken op een sociale verzekering.

d)

enige tijd ziek of arbeidsongeschikt zijn.

39.

De Wet uitbreiding loondoorbetalingsplicht bij ziekte (WULBZ) en de Algemene Ouderdomswet (AOW) zijn voorbeelden van:

a)

werknemersverzekeringen.

b)

volksverzekeringen.

c)

sociale voorzieningen.

d)

sociale verzekeringen.

40.

Welke verzekeringen behoren tot de volksverzekeringen?

a)

De Algemene Kinderbijslagwet en de Algemene Ouderdomswet.

b)

De Algemene Ouderdomswet en de Werkloosheidswet.

c)

De Werkloosheidswet en de Algemene Kinderbijslagwet.

d)

De Algemene Kinderbijslagwet en de bijstand.

41.

Welke verzekeringen behoren tot de werknemersverzekeringen?

a)

WW en WULBZ.

b)

WIA en AKW.

c)

WW en AOW.

d)

Bijstand en AOW.

42.

Tot de sociale voorzieningen behoren:

a)

de bijzondere bijstand, de Wajong en de AKW.

b)

de algemene bijstand, de WW-uitkering en de Wajong.

c)

de Wajong, de algemene bijstand en de bijzondere bijstand.

d)

de Wajong, de algemene bijstand en de WIA-uitkering.

43.

Wat is geen manier waarop de overheid probeert om het socialezekerheidsstelsel betaalbaar te houden?

a)

Misbruik van voorzieningen tegengaan.

b)

Verplichte sollicitatie, vrijwilligerswerk of een leer-werktraject voor mensen met een uitkering.

c)

De AOW-leeftijd verhogen.

d)

Gebruikmaken van positieve discriminatie.

44.

De overheid voert emancipatiebeleid op de arbeidsmarkt. Hierdoor:

a)

kunnen vrouwen meer tijd besteden aan de zorg voor kinderen.

b)

neemt de werkloosheid onder de beroepsbevolking toe.

c)

ontstaat er meer kansengelijkheid.

d)

hebben mannelijke werknemers minder te zeggen over arbeidsvoorwaarden.

45.

Mensen werken om verschillende redenen. Welke uitspraak over werk is onjuist?

a)

Werk vervult zowel materiële als immateriële behoeften.

b)

Voor sommige mensen is werk belangrijk voor hun identiteit.

c)

Werk is ook belangrijk voor de samenleving als geheel.

d)

Werk heeft alleen invloed op onze welvaart, niet op ons welzijn.

46.

Onder arbeidsethos wordt verstaan:

a)

het leveren van inspanningen en prestaties.

b)

de status die mensen aan een beroep toekennen.

c)

de maatschappelijke positie die iemand heeft.

d)

het belang dat mensen aan arbeid toekennen.

47.

Werkgelegenheid is:

a)

de vraag naar arbeidskrachten.

b)

het totaal van alle mensen die een baan zoeken.

c)

het aanbod van arbeidskrachten.

d)

de ontmoetingsplaats van werkgevers en werknemers.

48.

Het feit dat in Nederland Poolse bouwvakkers werken, is een gevolg van:

a)

de verplaatsing van fabrieken naar lagelonenlanden.

b)

het verdwijnen van laaggeschoold werk.

c)

de globalisering van de arbeidsmarkt.

d)

het ontstaan van nieuwe bedrijfstakken.

49.

Veranderingen op de arbeidsmarkt brengen risico's en nieuwe behoeften met zich mee. Een van de risico’s voor zzp’ers is dat zij:

a)

onvoldoende verzekerd zijn tegen ziekte en arbeidsongeschiktheid.

b)

duurzame arbeidsrelaties aangaan met werkgevers.

c)

overbodige sociale premies betalen.

d)

van de overheid geen mantelzorg mogen bieden.

50.

Door globalisering is de Nederlandse arbeidsmarkt veranderd. Welke groep ervaart hier vooral nadelen van?

a)

Hoogopgeleiden. Zij moeten voor een baan uitwijken naar het buitenland.

b)

Laagopgeleiden. Veel laaggeschoold werk is naar het buitenland verplaatst.

c)

Middeninkomens en zelfstandigen. Zij moeten concurreren met hoogopgeleide immigranten.

d)

Laagopgeleiden. Door beperkte Engelse taalvaardigheden missen zij aansluiting op de internationale arbeidsmarkt.

51.

Steeds meer werkgevers werken met flexibele arbeidskrachten, zoals zzp’ers. Voor een werkgever is een voordeel van werken met zzp’ers dat:

a)

ze vaak een heel laag uurtarief hanteren.

b)

ze beter ingewerkt zijn dan vaste arbeidskrachten.

c)

hij niemand hoeft te ontslaan als het werk erop zit.

d)

er geen afspraken over vergoedingen gemaakt hoeven te worden.

52.

Steeds vaker kiezen mensen voor een flexibele arbeidsrelatie. Wat is een nadeel van een tijdelijk contract als werknemer?

a)

Je hebt minder vrije tijd.

b)

Je hebt minder zekerheid.

c)

Je hebt minder kans op werk.

d)

Je moet verplicht lid worden van een vakbond.

53.

Onder een flexibele arbeidsrelatie verstaan we alle werksituaties met:

a)

variabele inzetbaarheid.

b)

wisselende inkomsten.

c)

variabele collega’s.

d)

verschillende werkzaamheden.

54.

Veel zzp’ers lopen verhoogd risico bij ziekte of arbeidsongeschiktheid, omdat:

a)

ze geen hypotheek kunnen afsluiten bij de bank.

b)

ze hier vaak niet voor verzekerd zijn.

c)

weinig werkgevers hiervoor verzekerd zijn.

d)

ze niet aangesloten zijn bij een vakbond.

55.

Het maken van afspraken tussen overheid, werkgeversorganisaties en vakbonden is het meest kenmerkend voor:

a)

het sociaaldemocratische model.

b)

het corporatistische model.

c)

het liberale model.

d)

het Nederlandse model.

56.

Een belangrijk kenmerk van het liberale model is:

a)

lage belastingen voor de burgers.

b)

hoge belastingen voor bedrijven.

c)

uitgebreide verlofregelingen.

d)

betaalbaar onderwijs.

57.

Kenmerkend voor het liberale model is:

a)

Een terughoudende overheid en relatief dure voorzieningen zoals onderwijs.

b)

Een overheid die veel voorzieningen biedt.

c)

Een relatief kleine rol van de markt.

d)

Afspraken tussen de overheid en de markt, waardoor de invloed van de markt beperkt wordt.

58.

Kenmerkend voor het corporatistische model is:

a)

De nadruk op eigen verantwoordelijkheid en individuele vrijheid.

b)

De belastingen zijn hoog en de overheid regelt veel op het gebied van kinderopvang, ouderenzorg en onderwijs.

c)

Samenwerking tussen overheid, maatschappelijk middenveld, vakbonden en werkgeversorganisaties.

d)

Dure verzekeringen, maar lage belastingen en premies.

59.

Stel, je raakt werkloos. In welk type verzorgingsstaat ben je dan het meeste op jezelf aangewezen?

a)

In een liberale verzorgingsstaat.

b)

In een sociaaldemocratische verzorgingsstaat.

c)

In een corporatistische verzorgingsstaat.

d)

Er is geen verschil.