Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Ha4 MA H5 Verzorgingsstaat 1-2

Total questions: 56

Worksheet time: 58mins

Name
Class
Date
1.

Een staat waarin de overheid zich actief bemoeit met de welvaart en het welzijn van haar inwoners.

(a)  

2.

De mate waarin mensen in hun levensonderhoud kunnen voorzien.

(a)  

3.

De mate waarin mensen zich lichamelijk en geestelijk goed voelen.

(a)  

4.

De bereidheid van een groep of samenleving om risico’s met elkaar te delen.



(a)  

5.

Recht dat de overheid niet kan garanderen, maar waar zij zich wel voor moet inspannen.

(a)  

6.

Alle uitkeringen die mensen verzekeren van een inkomen bij werkloosheid, ziekte, ouderdom en arbeidsongeschiktheid. 

(a)  

7.

Organisaties die tussen de overheid en de individuele burger in staan en die verschillende groepen, meningen en belangen vertegenwoordigen.



(a)  

8.

Systeem waarbij de prijs van goederen en diensten door vraag en aanbod tot stand komt en waaraan de overheid alleen kaders stelt met wetten.

(a)  

9.

Een staat waarin de overheid zich beperkt tot het zorgen voor veiligheid en bescherming van de burgers en het handhaven van de rechtsorde.

(a)  

10.

Organisatie die de gezamenlijke en individuele belangen van werknemers behartigen. 

(a)  

11.

Wet die elke Nederlander voorziet van een inkomen op de pensioengerechtigde leeftijd.

(a)  

12.

Ontwikkeling waarbij het aandeel ouderen in de totale bevolking toeneemt.

(a)  

13.

Ontwikkeling waarbij het aandeel jongeren in de totale bevolking afneemt.

(a)  

14.

Een samenleving waarin mensen meer verantwoordelijkheid nemen voor hun eigen leven en omgeving.



(a)  

15.

De hulp die vanuit de directe omgeving door familie, buren en vrienden aan iemand wordt gegeven die dat nodig heeft.

(a)  

16.

Verplichte verzekering voor alle inwoners in Nederland waar iedereen aan meebetaalt via premies.

(a)  

17.

Een sociale verzekering voor werknemers, waarvan de premie gezamenlijk door werkgevers en werknemers betaald wordt.

(a)  

18.

Wet die regelt dat langdurig zieke werknemers een inkomen krijgen.

(a)  

19.

Wet die regelt dat werknemers een inkomen krijgen als zij onvrijwillig werkloos worden

(a)  

20.

Een sociale verzekering die geldt voor iedere Nederlander en die wordt betaald door iedereen in Nederland die een inkomen heeft.

(a)  

21.

Een inkomen ter aanvulling op de AOW-uitkering dat iemand krijgt als hij stopt met werken en waar hij via looninhouding voor gespaard heeft.

(a)  

22.

Wet die voorziet in een tegemoetkoming van de kosten van het levensonderhoud van kinderen voor alle ouders met kinderen onder de achttien jaar.

(a)  

23.

Minimumuitkering voor iedereen die ouder is dan achttien jaar en niet zelfstandig in zijn eigen bestaan kan voorzien.

(a)  

24.

Het bedrag dat mensen minimaal nodig hebben om in hun levensonderhoud te voorzien.

(a)  

25.

Wet die voorziet in een inkomen voor jongeren die voor hun achttiende of tijdens hun studie een beperking of ziekte hebben waardoor zij niet kunnen werken.

(a)  

26.

Overheidsbeleid met als doel om werkgevers te stimuleren om meer mensen uit achterstandsgroepen in dienst te nemen.

(a)  

27.

Maatregelen om achterstandsgroepen te bevoordelen.

(a)  

28.

Achmed is bouwvakker en breekt zijn been. Achmed heeft recht op een ……..

a)

bijstandsuitkering

b)

werkloosheidsuitkering

c)

ziektegeld

29.

Elize (25) is secretaresse. Na drie jaar krijgt ze ontslag. Elize heeft recht op een

a)

Bijstand

b)

een werkloosheidsuitkering

30.

Waar heb je na ontslag meestal recht op?

a)

AOW

b)

Bijstand

c)

een werkloosheidsuitkering

d)

ziektegeld

31.

Meneer Joustra heeft altijd gewerkt. Hij wordt 67 en stopt met werken. Hij krijgt nu een....

a)

bijstand

b)

AOW

32.

Nederland is een verzorgingsstaat

a)

juist

b)

onjuist

33.

In een verzorgingsstaat helpen de burgers de overheid

a)

juist

b)

onjuist

34.

Wat is een verzorgingsstaat? Een land waar....

a)

mensen bijna nooit een uitkering krijgen

b)

de overheid burgers helpt als dat nodig is.

c)

de overheid mensen niet helpt

d)

mensen de overheid moeten helpen

35.

De afkorting AOW staat voor

a)

Algemene Onderwijswet

b)

Algemene Ouderdomswet

c)

Algemene Ondernemerswerk

36.

Wie betalen de premies voor de WW en de WAO?

a)

Alleen de werknemers

b)

De regering en de werkgevers

c)

De werknemers en de werkgevers

37.

1. De inkomensongelijkheid is groter in liberale verzorgingsstaten dan in sociaaldemocratische verzorgingsstaten

2. De levensverwachting is hoger in liberale verzorgingsstaten dan in sociaal democratische verzorgingsstaten.

a)

1 is juist

2 is onjuist

b)

1 is onjuist

2 is juist

c)

beide juist

d)

beide onjuist

38.

 In de sociale zekerheid wordt onderscheid gemaakt tussen sociale voorzieningen, volksverzekeringen en werknemersverzekeringen.

Welke van de volgende voorzieningen behoort tot de sociale voorzieningen?

a)

Participatiewet / WWB

b)

De Zorgverzekeringswet

c)

AOW

d)

WIA

39.
Welke wet regelt een uitkering op het moment dat de kostwinnaar overlijdt?
a)
AWBZ
b)
AOW
c)
ANW
d)
WIA
40.

Wat is een vakbond?

a)

Een school waar je een vak kan leren

b)

Een cursus om beter te worden in je werk

c)

Een vereniging die opkomt voor de belangen van werknemers met een bepaald beroep

d)

Een vereniging die fabriekseigenaren helpt om hun fabriek veiliger te maken

41.

In 1874 schrijft Samuel van Houten het Kinderwetje. Daar staat in dat:

a)

Kinderen niet meer in fabrieken en werkplaatsen mogen werken

b)

Kinderen tot 12 jaar leerplichtig zijn

c)

Vrouwen niet meer dan 4 kinderen mogen krijgen

d)

Kinderen alleen veilig werk mogen doen

42.

Welke past bij het plaatje?

a)

Markt

b)

Overheid

c)

Particulier Initiatief

43.

Welk van de volgende kenmerk(en) past/passen bij marktwerking

a)

Ongelijke toegang tot zorg en voorzieningen

b)

Keuzevrijheid

c)

Winstmotief

d)

Naastenliefde

44.

Welk(e) van de volgende uitspraken is/zijn juist?

a)

Het voordeel van zorg geregeld door de overheid is dat er sprake is van maximale keuzevrijheid

b)

Onderwijs wordt in Nederland grotendeels via de overheid gefinancierd

c)

In de door de overheid geregelde zorg krijgen mensen die meer belasting betalen betere zorg dan mensen die minder belasting betalen

d)

Zorg die wordt geregeld via mantelzorg heeft als bijkomend voordeel dat de onderlinge banden in de samenleving worden versterkt

45.

Welk van volgende stellingen geeft de inhoud van de bron het beste weer?

a)

De solidariteit die tot uitdrukking wordt gebracht in de verzorgingsstaat heeft een sterk nationaal karakter

b)

De verdere integratie in de Europese Unie en de economische globalisering leiden ertoe dat nationale grenzen steeds meer opengaan.

c)

De meest genereuze verzorgingsstaten dreigen relatief kansarme immigranten aan te trekken

d)

Ten gevolge van de internationale concurrentiestrijd en het streven om investeringen van multinationals aan te trekken, zijn nationale staten geneigd hun collectieve uitgaven terug te dringen.

46.

Waarom vormt individualisering een uitdaging voor de verzorgingsstaat?

Kies twee van de volgende verklaringen.

a)

Mensen laten zich bij hun keuzes steeds minder leiden door wat anderen erover denken

b)

Mensen willen niet gedwongen worden tot solidariteit met mensen, met wie zij zich niet verbonden voelen

c)

Door individualisering neemt het particulier initiatief af en neemt de afhankelijkheid van de verzorgingsstaat toe

d)

Door individualisering voelen mensen zich steeds minder gedwongen werk onder hun niveau te accepteren

47.

Pieter is 50 jaar oud. Hij heeft geen baan meer, maar wel 50 miljoen euro op de bank staan. Hij heeft ook een dochter van 15. Welke uitkering krijgt hij?

a)

AOW

b)

Kinderbijslag

c)

Zorgtoeslag

48.

In welke twee groepen zijn de sociale verzekeringen te verdelen?

Kies de juiste antwoorden.

a)

Sociale voorzieningen

b)

Sociale zekerheid

c)

Volksverzekeringen

d)

Werknemersverzekeringen

e)

Zorgverzekeringen

49.

Als je 63 jaar bent, heb je recht op een AOW-uitkering

a)

Waar

b)

Niet waar

50.

Bijstand:

a)

Een algemene uitkering voor mensen die zelf geen geld verdienen en ook weinig geld gespaard hebben

b)

Wanneer je maximaal 2 jaar ziek bent, betaalt je baas je salaris

51.

Mieke is 30 jaar oud. Ze heeft geen baan meer. Ze woont samen met haar vriend en dochter van 8 jaar oud. Haar vriend heeft geen spaargeld, maar wel een baan. Welke uitkering ontvangt zij?

a)

AOW

b)

Kinderbijslag

c)

Bijstand

52.

Pieter is 50 jaar oud. Hij heeft geen baan meer, maar wel 50 miljoen euro op de bank staan. Hij heeft ook een dochter van 15. Welke uitkering krijgt hij?

a)

AOW

b)

Kinderbijslag

c)

Zorgtoeslag

53.

Henk is 75 jaar. Hij heeft 2 kinderen van 50 en 55 jaar. Hij heeft geen baan meer. Welke uitkering ontvangt hij?

a)

AOW

b)

Kinderbijslag

c)

bijstand

54.

Hoe lang ontvang je loon als je ziek wordt?

a)

2 maanden

b)

6 maanden

c)

12 maanden

d)

24 maanden

55.

Wat is verplicht voor iedereen in Nederland?

a)

Lid zijn van een vakbond (vanaf 18 jaar)

b)

Het hebben van een zorgverzekering

c)

Sparen voor je pensioen

d)

Jonge kinderen laten vaccineren tegen 12 infectieziektes

56.

Als student van de Universiteit betaal je ongeveer 2000 euro per jaar aan collegegeld. Hoeveel betaalt de overheid?

a)

De andere helft, ruim 2000 euro

b)

5000 euro per jaar per student

c)

10000 euro per jaar per student

d)

15000 euro per jaar per student