wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

oefentoets ademhaling en verbranding

Total questions: 44

Worksheet time: 58mins

Name
Class
Date
1.
Welk gas heb ik nodig bij verbranding?
a)
koolstodioxide
b)
zuurtsof
c)
stikstof
d)
geen van de 3 genoemde
2.
Wat is bij deze verbranding de brandstof?
a)
de vlam
b)
het kaarsvet
c)
de zuurstof 
3.

Wat kan ik aantonen met helder kalkwater?

a)

zuurstof

b)

stikstof

c)

koolstodioxide

d)

helium

4.
Wat is waar?
a)
In uitgeademde lucht zit meer zuurstof dan ingeademde lucht
b)
in ingeademde lucht zit meer koolstofdioxide dan uitgeademde lucht
c)
In ingeademde lucht zit meer zuurstof dan uitgeademde lucht
d)
In ingeademde lucht zit evenveel zuurstof als uitgeademde lucht
5.
Wat is niet waar?
a)
Als ik ga bewegen gaat het hart sneller kloppen
b)
Als ik ga bewegen gaat mijn ademhaling sneller
c)
Als ik ga bewegen heb ik meer koolstofdioxide nodig
d)
Als ik ga bewegen heb ik meer zuurstof nodig
6.
Wat is juist?
a)
De huig sluit de luchtpijp af
b)
Het strotklepje sluit de luchtpijp af
c)
De huig sluit de neusholte en de luchtpijp af
d)
Het strotklepje sluit de neusholte en luchtpijp af
7.

Gaswisseling kan snel plaats vinden in de longblaasjes omdat?

a)

ze een heel groot oppervlakte samen hebben

b)

ze een dikke wand hebben

c)

ze makkelijk glucose kunnen uitwisselen

d)

ze makkelijk water kunnen uitwisselen

8.

Welk nummer stelt de huig voor?

a)

1

b)

10

c)

2

d)

8

9.
In de lucht die we uitademen zit
a)
meer zuurstof
b)
meer koolstofdioxide
c)
minder koolstofdioxide
d)
minder stikstof
10.

Bij welk nummer of nummers vindt gaswisseling plaats?

a)

7 en 8

b)

1, 7 en 8

c)

1 en 5

d)

8

11.

wat zie je hier

a)

de longblaasjes

b)

de luchtpijp

c)

de bronchien

d)

de luchtpijptakjes

12.

Bloed dat naar de longblaasjes toestroomt is ...

a)

Zuurstofarm

b)

Zuurstofrijk

c)

Het is gewoon bloed

13.

1 longen worden groter

2 borstholte wordt groter

3 tussenribspieren trekken samen

4 lucht stroomt naar binnen

Wat is de goede volgorde?

a)

1-2-3-4

b)

4-1-3-2

c)

3-2-1-4

d)

3-1-2-4

14.

Waar word glucose afgebroken?

a)

Mitochondriën

b)

Bladgroenkorrels

15.

Door te sporten of te zingen krijg je sterkere ademhalingsspieren.

a)

Waar

b)

Niet waar

16.

Welke stof in een sigaret zorgt voor een vertraagde gaswisseling?

a)

Koolstofmonoxide

b)

Teer

c)

Nicotine

d)

Tabak

17.

Welke stof in een sigaret is verslavend en verhoogt de bloeddruk?

a)

Teer

b)

Koolstofmonoxide

c)

Nicotine

d)

Tabak

18.

Welke letter geeft de luchtpijp aan?

a)

J

b)

K

19.

In de bronchiën vindt gaswisseling plaats

a)

waar

b)

niet waar

20.

Welke gassen komen vrij bij het proces van verbranding?

a)

zuurstofgas

b)

glucose

c)

voedingsstoffen

d)

koolstofdioxide

21.

Bij verbranding komen afvalstoffen vrij. Dit zijn:

a)

water en zuurstof

b)

zuurstof en koolstofdioxide

c)

koolstofdioxide en suiker

d)

water en koolstofdioxide

22.

Verbranding gebeurt niet voor niets. Er ontstaat energie. Welke vormen van energie kunnen er ontstaan bij verbranding?

a)

beweging, warmte en vuur

b)

warmte, vuur en licht

c)

beweging, warmte en licht

d)

warmte, wind en licht

23.

Je ziet hier een afbeelding van het ademhalingsstelsel. De naam van nummer 11 is:

a)

de long

b)

de bronchie

c)

de luchtpijp

d)

de longblaasjes

24.

Je ziet hier een tekening van een longblaasje. Bevindt zich bij letter P veel zuurstof?

a)

ja

b)

nee

25.

Als een bergbeklimmer in de bergen boven de 4000 m/5000 m hoogte komt, kan hij zuurstof tekort krijgen, de lucht is ijl, er zit minder zuurstof in de lucht. Het is ook kouder. Hij zal dan .... gaan ademhalen.

a)

hetzelfde

b)

rustiger

c)

sneller

26.

Ingeademde lucht is .... uitgeademde lucht.

a)

kouder dan

b)

warmer dan

c)

gelijk aan de temperatuur van

27.

Hooikoorts is eveneens een longaandoening. De stelling hierbij: iedereen heeft altijd in de maand mei last van hooikoorts. Is dit waar of niet waar en waarom wel of niet.

a)

waar, in de maand mei zit er stuifmeel in de lucht

b)

waar, alleen in de maand mei zit er stuifmeel in de lucht

c)

niet waar, in alle maanden zit er stuifmeel in de lucht

d)

niet waar, mensen zijn gevoelig voor een bepaald type stuifmeel, dit kan vrijkomen op verschillende momenten van het jaar

28.

Je ziet hier een afbeelding van het ademhalingsstelsel. Nummer 3 is:

a)

de huig

b)

het strottenhoofd

c)

de luchtpijp

d)

de schildklier

29.

Bij uitademen legen de longen zich, de lucht wordt uitgeblazen. Uitademen komt tot stand doordat ...

a)

de tussen ribspieren zich aanspannen en het middenrif zich aanspant

b)

de tussenribspieren zich aanspannen en het midden rif zich ontstpant

c)

de tussenribspieren zich ontspannen en het middenrif zich aanspant

d)

de tussenribspieren zich ontspannen en het midden rif zich ontspant

30.

glucose + .... → .... + water + energie

a)

Zuurstof → koolstofdioxide

b)

Zuurstof → stikstof

c)

Koolstofdioxide → zuurstof

d)

Zonlicht → koolstofdioxide

31.

Het gas dat bedoeld wordt met pijl A heet

a)

zuurstof

b)

koolstofdioxide

c)

stikstof

d)

koolstofmonoxide

32.

De energie die wij krijgen als we plantaardig voedsel eten komt eigenlijk van ...

a)

het water

b)

de koolstofdioxide

c)

de zon

d)

het bladgroen

33.

In welke delen kan deze plant zuurstof maken?

a)

in de bladeren en de bladstelen

b)

in de wortels en de bladstelen

c)

in de bladeren en de wortels

d)

in alle zichtbare delen

34.

Het proces waarbij suiker verbruikt wordt in de plant heet ..

a)

verbranding

b)

fotosynthese

35.

Het proces waarbij suiker gemaakt wordt in de plant heet ..

a)

verbranding

b)

fotosynthese

36.

In welk celorganel vindt fotosynthese plaats?

a)

Cytoplasma

b)

Bladgroenkorrels

c)

Mitochondriën

d)

Celwand

37.

In welk celorganel vindt verbranding plaats?

a)

Celmembraan

b)

Mitochondriën

c)

Bladgroenkorrels

d)

Celwand

38.

Er vind verbranding plaats in het lichaam. Welke van de onderstaande reactievergelijkingen is juist?

a)

Glucose + zuurstof --> koolstofdioxide + water

b)

Glucose + zuurstof --> koolstofdioxide + water + energie

c)

Glucose + koolstofdioxide --> zuurstof + water + energie

d)

Glucose + zuurstof --> koolstofmonoxide + water + energie

39.

Vindt er 's nachts verbranding plaats in organismen?

a)

Ja

b)

nee

40.

Is beweging een vorm van energie?

a)

Ja

b)

Nee

41.

Een aantal stappen tijdens de inademing van een mens:

1) De borstholte wordt groter
2) Lucht stroomt de longen in
3) De inhoud van de longen wordt groter
4) De ribben bewegen omhoog en de borstkast gaat iets naar voren

Zet de stappen in de juiste volgorde voor een inademing.

(a)  

42.

Wat voor effect heeft nicotine?

a)

Het zorgt voor een gezond lichaam.

b)

Het heeft een verslavend effect.

c)

Het zorgt voor microbe in je lichaam.

d)

Het verwijdert overtollige vetten in je lichaam.

43.

Passief roken is ook zeer schadelijk voor de mens.

a)

Waar

b)

Niet waar

44.

Als je stopt met roken, kunnen je longen zich herstellen.

a)

Waar

b)

Niet waar