wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Basiskennis Organismen en Groei

Total questions: 23

Worksheet time: 44mins

Name
Class
Date
1.

Je kunt uitleggen wat een organisme is.

4 lines
2.

Je kunt de zeven levenskenmerken noemen.

a)

uitscheiden

b)

groeien

c)

bewegen

d)

voeden

e)

ademhalen

3.

Je kunt onderscheiden of iets levend, dood of levenloos is.

4 lines
4.

Je kunt omschrijven wat groei en wat ontwikkeling is.

4 lines
5.

Je kunt de delen van een zaad noemen met hun functie.

a)

zaadhuid (bescherming)

b)

navel (de plaats waar het zaad aan de plant vastzat)

c)

poortje (gaatje om snel water op te nemen)

d)

kiem (begin van een nieuwe plant)

e)

zaadlobben (voedsel)

6.

Je kunt de ontwikkeling van een zaadplant beschrijven.

4 lines
7.

Je kunt verschillende soorten ontwikkeling bij de mens noemen.

a)

lichamelijke ontwikkeling

b)

geestelijke ontwikkeling

c)

motorische ontwikkeling

8.

Je kunt de levensfasen van de mens noemen met de leeftijden.

a)

Kleuter (4 tot 6 jaar)

b)

Peuter (1½ tot 4 jaar)

c)

Schoolkind (6 tot 12 jaar)

d)

Puber (12 tot 16 jaar)

e)

Baby (0 tot 1½ jaar)

9.

Je kunt beschrijven dat door fotosynthese voedsel en zuurstof ontstaan voor dieren en mensen.

4 lines
10.

Je kunt aangeven welke delen van planten de mens gebruikt als voedsel.

a)

vruchten

b)

zaden

c)

wortels

d)

stengels

e)

bladeren

11.

Je kunt aanpassingen bij planten noemen.

4 lines
12.

Je kunt aanpassingen bij planten noemen.

a)

Landplanten in een vochtige omgeving: grote, dunne bladeren, weinig, kleine wortels

b)

Landplanten in een droge omgeving: kleine, dikke bladeren, veel, diepe wortels

c)

Verdediging: stekels (bijv. braam), brandharen (bijv. brandnetel), gif (bijv. koffieplant)

13.

Je kunt aanpassingen bij dieren noemen.

a)

Voeden bij andere dieren: miereneter, eekhoorn

b)

Verdediging tegen vijanden: stekels, gif, schutkleur, schild

c)

Waterdieren: het lichaam is gestroomlijnd.

d)

Bewegen bij dieren: zoolgangers, teengangers, topgangers

e)

Aanpassingen aan de snavels bij vogels: kegelsnavel, pincetsnavel, haaksnavel, priemsnavel, zeefsnavel

14.

Je kunt de fotosynthese beschrijven.

a)

Voor fotosynthese zijn nodig: water, koolstofdioxide en licht.

b)

Bij fotosynthese ontstaan glucose en zuurstof.

c)

Schematisch: water + koolstofdioxide + licht → glucose + zuurstof

15.

Je kunt uitleggen wat gedaanteverwisseling is.

a)

Een jong dier wordt larve genoemd.

b)

Lichaamsbouw en levenswijze veranderen als het dier volwassen wordt.

c)

Gedaanteverwisseling komt o.a. voor bij lieveheersbeestjes, vlinders en meeltorren.

16.

Je kunt de gedaanteverwisseling van een vlinder beschrijven.

a)

ei → larve → pop → volwassen dier

b)

De gedaanteverwisseling vindt plaats bij de pop.

c)

Bij een vlinder is de larve een rups.

17.

Je kent het onderscheid tussen een natuurgetrouwe en een schematische tekening.

4 lines
18.

Je kent het onderscheid tussen een buitenaanzicht, een lengtedoorsnede en een dwarsdoorsnede.

4 lines
19.

Je kunt tekeningen maken volgens de tekenregels.

4 lines
20.

Je kunt een loep gebruiken.

4 lines
21.

Je kunt (met hulp) een tabel en een grafiek maken.

4 lines
22.

Je kunt beschrijven wat je in een tabel of grafiek ziet.

4 lines
23.

Je kunt gemiddelden berekenen.

4 lines