Font size
WorksheetsBasiskennis Organismen en Groei
Total questions: 23
Worksheet time: 44mins
Je kunt uitleggen wat een organisme is.
Je kunt de zeven levenskenmerken noemen.
uitscheiden
groeien
bewegen
voeden
ademhalen
Je kunt onderscheiden of iets levend, dood of levenloos is.
Je kunt omschrijven wat groei en wat ontwikkeling is.
Je kunt de delen van een zaad noemen met hun functie.
zaadhuid (bescherming)
navel (de plaats waar het zaad aan de plant vastzat)
poortje (gaatje om snel water op te nemen)
kiem (begin van een nieuwe plant)
zaadlobben (voedsel)
Je kunt de ontwikkeling van een zaadplant beschrijven.
Je kunt verschillende soorten ontwikkeling bij de mens noemen.
lichamelijke ontwikkeling
geestelijke ontwikkeling
motorische ontwikkeling
Je kunt de levensfasen van de mens noemen met de leeftijden.
Kleuter (4 tot 6 jaar)
Peuter (1½ tot 4 jaar)
Schoolkind (6 tot 12 jaar)
Puber (12 tot 16 jaar)
Baby (0 tot 1½ jaar)
Je kunt beschrijven dat door fotosynthese voedsel en zuurstof ontstaan voor dieren en mensen.
Je kunt aangeven welke delen van planten de mens gebruikt als voedsel.
vruchten
zaden
wortels
stengels
bladeren
Je kunt aanpassingen bij planten noemen.
Je kunt aanpassingen bij planten noemen.
Landplanten in een vochtige omgeving: grote, dunne bladeren, weinig, kleine wortels
Landplanten in een droge omgeving: kleine, dikke bladeren, veel, diepe wortels
Verdediging: stekels (bijv. braam), brandharen (bijv. brandnetel), gif (bijv. koffieplant)
Je kunt aanpassingen bij dieren noemen.
Voeden bij andere dieren: miereneter, eekhoorn
Verdediging tegen vijanden: stekels, gif, schutkleur, schild
Waterdieren: het lichaam is gestroomlijnd.
Bewegen bij dieren: zoolgangers, teengangers, topgangers
Aanpassingen aan de snavels bij vogels: kegelsnavel, pincetsnavel, haaksnavel, priemsnavel, zeefsnavel
Je kunt de fotosynthese beschrijven.
Voor fotosynthese zijn nodig: water, koolstofdioxide en licht.
Bij fotosynthese ontstaan glucose en zuurstof.
Schematisch: water + koolstofdioxide + licht → glucose + zuurstof
Je kunt uitleggen wat gedaanteverwisseling is.
Een jong dier wordt larve genoemd.
Lichaamsbouw en levenswijze veranderen als het dier volwassen wordt.
Gedaanteverwisseling komt o.a. voor bij lieveheersbeestjes, vlinders en meeltorren.
Je kunt de gedaanteverwisseling van een vlinder beschrijven.
ei → larve → pop → volwassen dier
De gedaanteverwisseling vindt plaats bij de pop.
Bij een vlinder is de larve een rups.
Je kent het onderscheid tussen een natuurgetrouwe en een schematische tekening.
Je kent het onderscheid tussen een buitenaanzicht, een lengtedoorsnede en een dwarsdoorsnede.
Je kunt tekeningen maken volgens de tekenregels.
Je kunt een loep gebruiken.
Je kunt (met hulp) een tabel en een grafiek maken.
Je kunt beschrijven wat je in een tabel of grafiek ziet.
Je kunt gemiddelden berekenen.
