wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Havo 5 Hoofdstuk 13 Afweer

Total questions: 45

Worksheet time: 1hrs 3mins

Name
Class
Date
1.

Welke van de onderstaande onderdelen horen bij het verworven (specifieke) afweersysteem?

a)

B-lymfocyten

b)

Huid

c)

Maagzuur

d)

Slijmvliezen

2.

Welke witte bloedcel is in staat tot aangeboren (aspecifieke) afweer?

a)

B-lymfocyt

b)

T-lymfocyt

c)

Macrofaag

d)

Erythrocyt

3.

Welk type cel is verantwoordelijk voor de productie van antistoffen?

a)

Antigeen presenterende cel

b)

B-lymfocyt

c)

T-lymfocyt

d)

Macrofaag

4.

T-lymfocyten maken antistoffen.

a)

Juist

b)

Onjuist

5.

Wat is GEEN lymfoïde orgaan?

a)

Beenmerg

b)

Lymfeknopen

c)

Nier

d)

Thymus

6.

Antigenen worden geproduceerd door B-lymfocyten.

a)

Juist

b)

Onjuist

7.

In welke orgaan rijpen de B-lymfocyten?

a)

Beenmerg

b)

Thymus

c)

Schildklier

d)

Lymfeknopen

8.

Bij welke vorm van afweer horen de macrofagen?

a)

Aangeboren afweer/aspecifieke afweer

b)

Verworven afweer/specifieke afweer

9.

Bij welke vorm van afweer hoort de antigeen presenterende cel (APC)?

a)

Aangeboren afweer/ aspecifieke afweer

b)

Verworven afweer/ specifieke afweer

10.


Snelle, eerste vorm van afweer. Gericht tegen veel verschillende soorten ziekteverwekkers.
Welke vorm van afweer is hier beschreven?

a)

Aangeboren afweer/aspecifieke afweer

b)

Verworven afweer/ specifieke afweer

11.

Waaraan herkennen witte bloedcellen de binnen gedrongen ziekteverwekker?

a)

Antistof

b)

Antigeen

c)

Receptoreiwit

d)

DNA

12.

Welke witte bloedcellen kunnen fagocyteren?

a)

Bloedplaatjes

b)

B-lymfocyten

c)

T-lymfocyten

d)

Macrofagen

13.

Welke witte bloedcellen kunnen geïnfecteerde cellen lek schieten/doden?

a)

APC

b)

B-lymfocyten

c)

T-lymfocyten

d)

Macrofaag

14.

Welk onderdeel van een b-lymfocyt/t-lymfocyt kan het antigeen aflezen?

a)

Antistof

b)

Antillichaam

c)

Receptoreiwit

d)

DNA

15.

T-geheugencellen kunnen meerdere ziekteverwekkers herkennen.

a)

Juist

b)

Onjuist

16.

Door welke bloedcel verloopt een afweerreactie sneller bij infectie met dezelfde ziekteverwekker?

a)

Macrofaag

b)

Leukocyt

c)

Lymfocyten

d)

Geheugencellen

17.

Wat is een belangrijke functie van T-lymfocyten in de immuunrespons?

a)

Ze doden geïnfecteerde lichaamscellen.

b)

Ze produceren antistoffen.

c)

Ze fagocyteren pathogenen.


d)

Ze reguleren de immuunreactie.

18.

Wat doen B-lymfocyten in de afweerreactie?

a)

Ze produceren antistoffen die helpen bij het bestrijden van infecties.

b)

Ze fagocyteren pathogenen en dode cellen.

c)

Ze produceren chemicaliën om ontstekingen te verminderen.

d)

Ze doden geïnfecteerde cellen.

19.

Lisa heeft nog nooit corona gehad. Door de activiteit van welke cellen zal zij bij een besmetting van corona kunnen genezen?

a)

Alleen de B-lymfocyten

b)

Alleen T-lymfocyten

c)

B-lymfocyten & T-lymfocyten

d)

B-Lymfocyten, T-lymfocyten & geheugencellen

20.

Als een ziekteverwekker het lichaam van een mens voor het eerst is binnengedrongen, wordt hij vrijwel direct aangevallen door witte bloedcellen.

      Om welke witte bloedcellen gaat het dan?

a)

B-cellen

b)

Geheugencellen

c)

Macrofagen

d)

T-cellen

21.

Een antigeen is

a)

Lichaamsvreemd

b)

Lichaamseigen

c)

Een ander woord voor een witte bloedcel

22.

Een antistof kan zich hechten aan verschillende ziekteverwekkers

a)

Waar, antistoffen werken op verschillende antigenen

b)

Niet waar, antistoffen werken op slechts één type lichaamsvreemde stof

c)

Waar, antistoffen werken op een groep van dezelfde antigenen

d)

Niet waar, dit is niet de functie van antistoffen

23.

Een antistof is..

(twee antwoorden zijn goed)

a)

Lichaamseigen

b)

Lichaamsvreemd

c)

Iets dat gemaakt wordt door witte bloedcellen

d)

Iets dat gemaakt wordt door de rode bloedcellen

24.

Het woord 'macrofaag' betekent:

a)

pathogene bacterie

b)

kleine eter

c)

grote eter

d)

een grote winkelketen

25.

Onder invloed van welk orgaan ontwikkelen de T-lymfocyten zich?

a)

De thymus

b)

De milt

c)

Het beenmerg

d)

De lymfeklieren

26.

Antigenen zijn

a)

kleine moleculen bestemd voor de afbraak van schadelijke stoffen.

b)

kleine moleculen bestemd voor de bescherming van de eigen cellen.

c)

grote moleculen die gewoonlijk lichaamsvreemd zijn voor het organisme waar ze binnendringen.

d)

grote moleculen die cellen uit een organisme beschermen tegen schadelijke stoffen en/of organismen.

27.

Welke van de volgende soorten cellen is verantwoordelijk voor de snelle secundaire immuunrespons?

a)

geheugen cellen

b)

cytotoxische T-lymfocyten

c)

macrofagen

d)

cytokinen

e)

plasma cellen

28.

Als je immuun bent voor een ziekte dan

a)

circuleren voortdurend antilichamen tegen die ziekte in je bloed

b)

kunnen bepaalde lymfocyten heel snel de juiste antilichamen maken

c)

is je niet-specifieke afweersysteem versterkt

d)

worden B-lymfocyten gestimuleerd om heel snel ziekteverwekkers te omsluiten en vernietigen

29.

Worden bij het tot stand komen van actieve immunisatie tegen een bepaalde ziekteverwekker geheugencellen gevormd? En bij passieve immunisatie?

a)

bij geen van beide

b)

alleen bij actieve immunisatie

c)

alleen bij passieve immunisatie

d)

bij beide

30.

Men heeft een zeer kleine hoeveelheid bacteriën geïsoleerd van een soort die bij koeien een bepaalde ziekte verwekt. De beschikbare bacteriën worden in enkele gezonde koeien geïnjecteerd. Hieronder zijn vier handelingen vermeld.

I Uit de geïnfecteerde koeien worden antistoffen tegen de bacterie geïsoleerd.

II Uit de geïnfecteerde koeien worden bacteriën geïsoleerd en kunstmatig verzwakt.

III Antistoffen tegen deze bacterie worden in de te immuniseren koeien geïnjecteerd.

IV Een geringe dosis van de verzwakte bacteriën wordt in de te immuniseren koeien geïnjecteerd.


Welke van de bovengenoemde handelingen moet men uitvoeren en in welke volgorde om een groot aantal koeien actief te immuniseren tegen deze ziekte?

a)

I, III

b)

II, IV

c)

I, III, II, IV

d)

II, IV, I, III

31.

Een bepaald immuunglobuline is betrokken bij allergische reacties. Dit immuunglobuline is:

a)

IgG

b)

IgA

c)

IgD

d)

IgE

32.

Verkoudheid kan worden veroorzaakt door verschillende virussen. Wanneer iemand van een verkoudheid die door een virus is veroorzaakt, is genezen, kan hij vrij kort daarna opnieuw verkouden worden als gevolg van een virusinfectie. Hiervoor worden verschillende verklaringen geopperd.

I De antistoffen die tegen verkoudheidsvirussen worden gevormd, zijn slechts enkele uren in het lichaam werkzaam.

II De antistoffen die tegen het ene verkoudheidsvirus zijn gevormd, bieden geen bescherming tegen een ander verkoudheidsvirus.

III Na de eerste verkoudheid is de hoeveelheid antigenen in zijn lichaam toegenomen.

IV Er zijn alleen antistoffen tegen een verkoudheidsvirus in het lichaam aanwezig, zolang dat virus in het lichaam actief is.


Welke van deze verklaringen is juist?

a)

verklaring I

b)

verklaring II

c)

verklaring III

d)

verklaring IV

33.

Door welk of welke cellen wordt het virus-antigeen herkend?

a)

cytotoxische T-cellen

b)

plasmacellen

c)

T-helpercellen

d)

macrofagen

34.

De immuundiffusietest is een manier om onbekende antigenen te identificeren. In een petrischaal wordt een laagje gelatine gedaan, waar eiwitten doorheen kunnen diffunderen. In de gelatinelaag worden gaten gemaakt waarin je een druppel serum of antigeen doet. Als de druppel serum antistof bevat tegen het antigeen in een ander gat, ontstaat tussen deze beide gaten een neerslag (zie figuur linkerkant). Een eiwit kan niet zowel een antistof als een antigeen zijn. Serum S bevat antistoffen tegen verschillende antigenen. Een immuundiffusietest wordt met dit serum S gedaan en twee onbekende eiwitten M en N. Het resultaat is aan de rechterkant getekend.

a)

Serum S bevat antistof tegen eiwit M.

b)

Serum S bevat antistof tegen eiwit M.

c)

Eiwit M is een antistof tegen eiwit N

d)

Eiwit M is een antistof tegen eiwit N

e)

Eiwitten M en N zijn hetzelfde.

35.

De immuundiffusietest is een manier om onbekende antigenen te identificeren. In een petrischaal wordt een laagje gelatine gedaan, waar eiwitten doorheen kunnen diffunderen. In de gelatinelaag worden gaten gemaakt waarin je een druppel serum of antigeen doet. Als de druppel serum antistof bevat tegen het antigeen in een ander gat, ontstaat tussen deze beide gaten een neerslag (zie figuur linkerkant). Een eiwit kan niet zowel een antistof als een antigeen zijn. Serum S bevat antistoffen tegen verschillende antigenen. Een immuundiffusietest wordt met dit serum S gedaan en twee onbekende eiwitten M en N. Het resultaat is aan de rechterkant getekend.


In een andere immuundiffusietest wordt het antigeen van de tyfusbacil getest met serum S. Zal dan tussen deze twee een neerslag ontstaan of is dit niet te voorspellen?

a)

er zal geen neerslag ontstaan

b)

er zal wel een neerslag ontstaan

c)

dat is niet te voorspellen

36.

Bloed bestaat uit:

a)

Bloedplasma en water

b)

Bloedplasma en eiwitten

c)

Bloedplasma en bloedcellen

d)

Bloedplasma en afvalstoffen

37.

Hoeveel liter bloed heeft een volwassene?

a)

5-6 liter

b)

2-3 liter

c)

4-5 liter

d)

1-2 liter

38.

Waaruit bestaat bloedplasma voor het grootste deel?

a)

Hormonen

b)

Antistoffen

c)

Eiwitten

d)

Water

39.

Welke soort bloedcel zie je hier en wat is zijn functie

a)

Witte bloedcel, speelt een rol bij zuurstoftransport

b)

Rode bloedcel, speelt een rol bij de afweer

c)

Witte bloedcel, speelt een rol bij de afweer

d)

Rode bloedcel, speelt een rol bij zuurstoftransport

40.

Wat is de functies van de bloedplaatjes?

a)

Zuurstoftransport

b)

afweer

c)

bloedstolling

d)

kleur aan bloed geven

41.

Welke onderdelen van het bloed vind je terug in een korstje van een bloedstolsel?

a)

Rode bloedcellen en bloedplaatjes

b)

Witte bloedcellen en bloedplaatjes

c)

Bloedplaatjes en bloedplasma

d)

Rode bloedcellen en bloedplasma

42.

Welke antigenen heeft iemand met bloedgroep AB op zijn cellen?

a)

geen antigenen

b)

antigeen a

c)

antigeen a en antigeen b

d)

antigeen b

43.

Welke bloedgroep is de algemene donor?

a)

A

b)

B

c)

AB

d)

O

44.

Welke bloedgroep is de algemene ontvanger?

a)

A

b)

B

c)

AB

d)

O

45.

Welke antistoffen heeft een persoon met bloedgroep A positief in zijn bloed zitten?

a)

antistof A en resusantistof

b)

antistof B en resusantistof

c)

antistof A en antistof B

d)

antistof B