wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Proefwerk H1

Total questions: 20

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.

Wat is het tekstdoel als het soort tekst een recensie is?

a)

informeren

b)

overtuigen

c)

activeren

d)

amuseren

2.

Wat is het tekstdoel als het soort tekst een stripverhaal is?

a)

informeren

b)

overtuigen

c)

activeren

d)

amuseren

3.

Wat is het tekstdoel als het soort tekst een gebruiksaanwijzing is?

a)

informeren

b)

overtuigen

c)

activeren

d)

amuseren

4.

Wat is het tekstdoel als het soort tekst een advertentie is?

a)

informeren

b)

overtuigen

c)

activeren

d)

amuseren

5.

Is de volgende bewering een feit of een mening?

Ik vind Roda JC de beste voetbalclub die er bestaat.

a)

feit

b)

mening

6.

Is de volgende bewering een feit of een mening?

De hoofdstad van Nederland is Amsterdam

a)

feit

b)

mening

7.

Is de volgende bewering een feit of een mening?

Het Vellesan College is de enige middelbare school in IJmuiden.

a)

feit

b)

mening

8.

Is de volgende bewering een feit of een mening?

Het Vellesan College is volgens mij een leuke school.

a)

feit

b)

mening

9.

Wat bedoelen we met het onderwerp van een tekst?

a)

Wie + wat + pv?

b)

Datgene waar de tekst overgaat

c)

de titel

d)

een samenvatting van de tekst in één zin.

10.

Wat bedoelen we met de hoofdgedachte van een tekst?

a)

de titel, inleiding, het slot en de afbeeldingen

b)

de eerste zin van een alinea

c)

datgene waar de tekst overgaat.

d)

een samenvatting van de tekst in één zin.

11.

Wat doet een schrijver meestal in de inleiding? (meerdere antwoorden zijn goed)

a)

een gebeurtenis beschrijven

b)

zichzelf voorstellen

c)

een mening over het onderwerp geven

d)

een vraag over het onderwerp stellen

12.

Wat doet een schrijver meestal in het slot? (meerdere antwoorden zijn goed)

a)

de belangrijkste informatie uit de tekst samenvatten

b)

een conclusie trekken

c)

een gebeurtenis beschrijven

d)

de vraag uit de inleiding beantwoorden

13.

Wat in een tekst belangrijk is, noem je:

a)

hoofdzaken

b)

bijzaken

c)

randzaken

d)

mijn eigen zaken

14.

Welk voorzetsel hoort op de puntjes?

Ik hoop dat Leroy slaagt .... zijn examen.

a)

met

b)

voor

c)

op

d)

in

15.

Welk voorzetsel hoort op de puntjes?

Waarom wil jij niet bijdagen ... onze inzamelingsactie?

a)

voor

b)

in

c)

aan

d)

met

16.

Welk voorzetsel hoort op de puntjes?

Bert heeft spijt ... zijn grote mond tegen de juffrouw.

a)

van

b)

aan

c)

om

d)

in

17.

Welk voorzetsel hoort op de puntjes?

De voetbalbond gaat akkoord ... de veranderingen die de UEFA wil doorvoeren.

a)

voor

b)

in

c)

bij

d)

met

18.

Welk voorzetsel hoort op de puntjes?

Anja vestigde haar aandacht .... haar nieuwe plan.

a)

met

b)

op

c)

in

d)

over

19.

Welk voorzetsel hoort op de puntjes?

Zehra kampt ... te weinig inspiratie voor haar spreekbeurt.

a)

over

b)

bij

c)

in

d)

met

20.

Welk voorzetsel hoort op de puntjes?

Die vakantiefoto herinnert mij ... een mooie tijd in Frankrijk.

a)

aan

b)

op

c)

in

d)

over