Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Testquiz

Total questions: 29

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.

Op welke plaatsen zit kraakbeen in je lijf?

a)

in je neus

b)

in je oor

c)

in je gewrichten

d)

tussen je wervels

e)

tussen je borstbeen en ribben

2.

In de tussencelstof van beenweefsel zit veel ...

(a)  

3.

Wat is een aanhechtingsplaats?

a)

Plaats waar een pees aan een bot vastzit

b)

Plaats waar een spier aan een bot vastzit

4.

Een spier die trekt samen. De spier wordt dan korter en (a)  

5.

Wat is een antagonistisch paar?

a)

Spieren die dezelfde werking hebben.

b)

Spieren die een tegengestelde werking hebben.

6.

Om een bot te bewegen heb je altijd 2 spieren nodig. Welke 2?

a)

soepele spier

b)

trekspier

c)

buigspier

d)

strekspier

7.

De biceps is een

a)

armtrekspier

b)

armbuigspier

8.

De tricep is nodig om

a)

de bovenarm te strekken

b)

de onderarm te strekken

9.

Bicep en triceps zijn antagonistische

(a)  

10.

Welke spieren bewegen zonder dat je je daar bewust van bent?

a)

antagonistische spieren

b)

skeletspieren

c)

orgaanspieren

11.

Welke beenverbindingen hebben geen beweging?

a)

vergroeide beenverbindingen

b)

kraakbeenverbindingen

c)

gewrichten

d)

naadverbindingen

12.

Een gewricht is een verbinding tussen .... botten.

a)

1

b)

2

c)

3

d)

0

13.

Welke 3 typen gewrichten ken je?

a)

kogelgewricht

b)

kegelgewricht

c)

rolgewricht

d)

scharniergewricht

e)

beweeggewricht

14.

Het ene bot van een gewricht heeft een (a)   kom. Het andere bot heeft een gewrichtskogel.

15.

Op de gewrichtskom en op de gewrichtskogel zit een laagje ....

a)

kalk

b)

kraakbeen

16.

Gewrichtssmeer is een stroperige vloeistof en zorgt ervoor dat botten soepel kunnen bewegen.

a)

onuist

b)

juist

17.

Kapselbanden zitten soms om een gewricht heen en houden de botten van het gewricht op hun plaats.

a)

juist

b)

onjuist

18.

Wij hebben ongeveer (a)   botten.

19.

Wat is een ander woord voor geraamte?

(a)  

20.

Alle botten samen noem je ....

a)

het skeletstelsel

b)

het beenderstelsel

c)

het geraamte

21.

Welke functie van het skelet is het meest belangrijk voor het beschermen van kwetsbare organen?

a)

vorm

b)

stevigheid

c)

beweging

d)

bescherming

22.

Welke beenderen zijn onderdeel van de bekkengordel?

a)

lendenwervels

b)

heupbeenderen

c)

heiligbeen

d)

heupbeenderen

23.

De kracht van spieren neemt af als je ze niet gebruikt.

a)

niet waar

b)

waar

24.

Als je conditie verbetert, kun je (a)   en/of sneller bewegen.

25.

Een beweging die je net geleerd hebt is opgeslagen in je motorische geheugen.

a)

Niet waar. De beweging moet je vaak gedaan hebben.

b)

Waar

26.

Een geautomatiseerde beweging is

a)

een beweging die je alleen uit kan voeren als je heel hard nadenkt.

b)

een beweging die je kunt uitvoeren zonder erbij na te denken.

27.

Een blessure is een beschadiging van een ....

a)

bot

b)

spier

c)

gewricht

28.

Als je getraind/ ongetraind gaat sporten, kun je eerder spierpijn krijgen.

(a)  

29.

RSI is een blessure die ontstaat als je nooit dezelfde beweging maakt.

a)

Niet waar. RSI ontstaat als je af en toe dezelfde beweging maakt.

b)

Waar

c)

Niet waar. RSI ontstaat als je vaak achter elkaar dezelfde beweging maakt.