wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Quiz staatsinrichting

Total questions: 20

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

De Koning maakt bij een staatsbezoek een beledigende opmerking over een bevriend staatshoofd. Wie kan hiervoor ter verantwoording worden geroepen?

a)

De Koning.

b)

De minister-president of de minister van Buitenlandse Zaken.

c)

De Tweede Kamer.

2.

Het hoogste bestuursorgaan in Nederland is ..........

a)

de ministerraad

b)

de regering

c)

de Tweede Kamer

3.

In Nederland kennen we getrapte verkiezingen voor ..........

a)

de Eerste Kamer

b)

de Provinciale Staten

c)

de gemeenteraad

4.

De minister is politieke verantwoording verschuldigd aan ..........

a)

de Koning

b)

de minister-president

c)

de Staten-Generaal

5.

Welk van de volgende bestuursorganen wordt rechtstreeks gekozen?

a)

De Eerste Kamer.

b)

De Provinciale Staten.

c)

Het college van burgemeester en wethouders.

6.

Wie staat/staan aan het hoofd van de gemeente?

a)

De burgemeester.

b)

De gemeenteraad.

c)

Het college van burgemeester en wethouders.

7.

Wie benoemt of benoemen de wethouders in de gemeente?

a)

De burgemeester.

b)

Leden van de gemeenteraad.

c)

Zij worden niet benoemd, maar gekozen door de gemeenteraad.

8.

De gemeenteraad heeft de bevoegdheid om verordeningen te maken die strafbare feiten inhouden en gelden voor een ieder binnen de betreffende gemeente. Wat voor soort wet is zo’n verordening?

a)

Algemene maatregel van bestuur.

b)

Wet in formele zin.

c)

Wet in materiële zin.

9.

Wat wil attributie van wetgevingsbevoegdheid zeggen?

a)

Dat een wet in formele zin een ander overheidsorgaan rechtstreeks de bevoegdheid verleent om wetten in materiële zin te maken op eigen gezag en eigen verantwoordelijkheid.

b)

Dat een wet in materiële zin een ander overheidsorgaan rechtstreeks de bevoegdheid verleent om wetten in formele zin te maken op eigen gezag en eigen verantwoordelijkheid.

c)

Dat een wet in formele zin een ander overheidsorgaan rechtstreeks de bevoegdheid verleent om wetten in materiële zin te maken op eigen gezag, maar op verantwoor

10.

Wanneer is er sprake van subdelegatie?

a)

attributie, binnen bepaalde grenzen die door het overdragende orgaan worden vastgesteld.

b)

delegatie, binnen bepaalde grenzen die door het overdragende orgaan worden vastgesteld.

c)

delegatie, zonder dat het overdragende orgaan daar bepaalde grenzen aan stelt.

11.

Is het college van Gedeputeerde Staten bevoegd strafverordeningen te maken?

a)

Ja, want de Gedeputeerde Staten vormen het dagelijks bestuur van de provincie.

b)

Nee, deze bevoegdheid komt onder voorwaarden toe aan de Provinciale Staten.

c)

Nee, want het maken van voor de burgers algemeen bindende regels is voorbehouden aan de regering en de Staten-Generaal.

12.

In een provincie kunnen provinciale verordeningen van kracht zijn. Wie bepaalt in een provincie welke gedragingen strafbare feiten zijn?

a)

De commissaris van de Koning en de Gedeputeerde Staten gezamenlijk.

b)

De Provinciale Staten.

c)

Het college van Gedeputeerde Staten.

13.

Kan in de Algemene Plaatselijke Verordening een overtreding strafbaar worden gesteld?

a)

Ja, maar alleen als die overtreding ook in het Wetboek van Strafrecht strafbaar is gesteld.

b)

Ja, want ook in een gemeentelijke verordening mogen door de gemeenteraad ‘wettelijke strafbepalingen’ worden opgenomen.

c)

Nee, alleen wetten in formele zin kunnen menselijke gedragingen strafbaar stellen.

14.

Het strafrecht is onder te verdelen in ...(1)... en ...(2)... strafrecht.

a)

publiek, formeel

b)

burgerlijk, publiek

c)

materieel, formeel

15.

Wat wordt bedoeld met de “ministeriële verantwoordelijkheid?

a)

De ministers zijn verantwoordelijk voor hun staatssecretarissen

b)

De Koning is onschendbaar en de ministers zijn verantwoordelijk

c)

De Koning staat aan het hoofd van de regering en hij is verantwoordelijk voor de ministers

16.

Er is sprake van een staat als een volk een .........

a)

eigen grondgebied bewoont, dat internationaal erkend is

b)

eigen grondgebied bewoont en een eigen gezag heeft

c)

zelfgekozen staatshoofd heeft en een grondwet heeft

17.

De staatsvorm van Nederland is een .........

a)

gedecentraliseerde eenheidsstaat

b)

gedeconcentreerde eenheidsstaat

c)

gedecentraliseerde monarchie

18.

Wat is de verhouding tussen een AMvB en een wet?

a)

Een AMvB werkt een wet meestal gedetailleerder uit

b)

Een AMvB bevat uitzonderingen op een wet

c)

Een AMvB staat boven een wet.

19.

Voor welke periode wordt de burgemeester benoemd?

a)

4 jaar.

b)

6 jaar

c)

Tot wederopzegging

20.

De Provinciale staten zijn .........

a)

de gekozen volksvertegenwoordiging van een provincie

b)

de in getrapte verkiezingen gekozen vertegenwoordiging van de regering in de provincie

c)

bevoegd om een commissaris van de Koning te benoemen