wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Havo 3 grammaire unité 3

Total questions: 23

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

Vertaal de volgende vervoegde werkwoorden in de juiste tijd:

jij had

(a)  

2.

Vertaal de volgende vervoegde werkwoorden in de juiste tijd:

ik doe

(a)  

3.

Vertaal de volgende vervoegde werkwoorden in de juiste tijd:

hij is

(a)  

4.

Vertaal de volgende vervoegde werkwoorden in de juiste tijd:

zij is geweest

(a)  

5.

Vertaal de volgende vervoegde werkwoorden in de juiste tijd:

jullie maken

(a)  

6.

Vertaal de volgende vervoegde werkwoorden in de juiste tijd:

wij waren

(a)  

7.

Vertaal de volgende vervoegde werkwoorden in de juiste tijd:

zij hebben gemaakt (mmv)

(a)  

8.

Vertaal de volgende vervoegde werkwoorden in de juiste tijd:

zij zijn (vmv)

(a)  

9.

Vertaal de volgende vervoegde werkwoorden in de juiste tijd:

men heeft gehad

(a)  

10.

Vertaal de volgende vervoegde werkwoorden in de juiste tijd:

jij hebt

(a)  

11.

Vertaal de volgende vervoegde werkwoorden in de juiste tijd:

wij zullen hebben

(a)  

12.

Vertaal de volgende vervoegde werkwoorden in de juiste tijd:

jij zal maken

(a)  

13.

Vertaal de volgende vervoegde werkwoorden in de juiste tijd:

ik zal zijn

(a)  

14.

Welk persoonlijk voornamwoord gebruik je hier om het lijdend voorwerp te vervangen?

Il achète des fleurs.

(a)  

15.

Welk persoonlijk voornamwoord gebruik je hier om het lijdend voorwerp te vervangen?

Tu écoutes la musique pop.

(a)  

16.

Welk persoonlijk voornamwoord gebruik je hier om het lijdend voorwerp te vervangen?

Vous vendez un grand bureau.

(a)  

17.

Welk persoonlijk voornamwoord gebruik je hier om het lijdend voorwerp te vervangen?

Ils regardent la télé.

(a)  

18.

Welk persoonlijk voornamwoord gebruik je hier om het meewerkend voorwerp te vervangen?

Je vais écrire à mes grands-parents.

(a)  

19.

Welk persoonlijk voornamwoord gebruik je hier om het meewerkend voorwerp te vervangen?

Tu télephones à ta copine?

(a)  

20.

Vul in: Het persoonlijk voornaamwoord staat altijd....... ... ............als deze in de zin staat.

(a)  

21.

Vul in: Als er geen infinitief in de zin staat, dan zet je het persoonlijk voornaamwoord..... .. ..............

(a)  

22.

Zet deze zin in de juiste volgorde:

une - donner - je - lui - fleur - vais

(a)  

23.

Zet deze zin in de juiste volgorde:

ses - a - doigts - elle - mangé - l' - avec

(a)